1 STATISTIEK, GEGEVENS EN EEN KRITISCHE HOUDING
1.1 DE WETENSCHAP STATISTIEK
Statistiek = de wetenschap die zich bezighoudt met het verzamelen, classificeren, analyseren en
interpreteren van informatie van gegevens evalueren
1.2 SOORTEN STATISTISCHE TOEPASSINGEN
Steekproef trekken = gegevens selecteren uit een grotere verzameling waarvan we de kenmerken
willen schatten
Beschrijvende statistiek = gebruikt numerieke en grafische methoden om patronen in een
gegevensverzameling te ontdekken, om de info in een gegevensverzameling samen te vatten en om
deze info op een overzichtelijke manier te presenteren
Verklarende statistiek = gebruikt steekproefgegevens voor het schatten, het nemen van beslissingen
en het voorspellen. (ook: inductieve statistiek of inferentiële statistiek)
1.3 BASISELEMENTEN VAN DE STATISTIEK
Experimentele eenheid = een object waarvan we gegevens vastleggen
Populatie = een verzameling eenheden die we willen bestuderen
Variabele = een kenmerk/eigenschap van een eenheid uit een populatie
Meten = door dit proces kunnen we getallen toekennen aan variabelen
Steekproef = een deelverzameling van de eenheden van een populatie
Statistische conclusie = een schatting/ voorspelling voor een populatie die gebaseerd is op
informatie uit een steekproef
Toepassing
De boekhouding wordt gecontroleerd op fouten in de factoren. In plaats van alle 15461 facturen te
controleren gaat de accountant een steekproef nemen van 100 facturen. Hierdoor kan hij schatten
hoeveel facturen er fout zijn over de hele populatie (=15461 facturen)
Betrouwbaarheidsmaat = een kwantitatieve uitspraak over de mate van onzekerheid die bij een
statistische conclusie hoort (hoe goed is de conclusie?)
Elementen beschrijvende statistiek Elementen verklarende statistiek
o de populatie of steekproef o de populatie
o één of meer variabelen o één of meer variabelen
o tabellen, grafieken of numerieke o de steekproef
hulpmiddelen om een samenvatting te o de conclusie over de populatie
geven (gebaseerd op info in de steekproef)
o vermelding van de patronen die naar o een betrouwbaarheidsmaat voor de
voor komen conclusie
1
, 1.4 SOORTEN GEGEVENS
Kwantitatieve gegevens = meetwaarden die worden geregistreerd op een van nature voorkomende
numerieke schaal. Gelijke intervallen op de schaal moeten gelijke betekenissen hebben
2 soorten
1. Intervalschaal = een schaal zonder absoluut nulpunt
Bv: temperatuur
2. Ratioschaal = een schaal met absoluut nulpunt ( waarde 0 betekent afwezigheid kenmerk)
Bv: inkomen
! Ratio is een soort interval, dat dan weer op zijn beurt een kwalitatief gegeven is
Kwalitatieve gegevens = metingen die niet op een natuurlijk voorkomende numerieke schaal kunnen
worden gemeten: ze kunnen alleen worden ingedeeld in categorieën
2 soorten
1. Nominale gegevens = niet-ordenbare gegevens
2. Ordinale gegevens = zinvol ordenbare gegevens
! ordinale gegevens zijn een ook nominale gegeven (maar niet omgekeerd)
Kwalitatief VS Kwantitatief
o Ze vereisen meestal verschillende statistische methodes
o Kwalitatieve gegevens → kwantitatieve gegevens (cat.) = zinvol maar met verlies van
informatie
o Kwantitatieve gegevens → kwalitatieve gegevens = niet zinvol
1.5 GEGEVENS VERZAMELEN
Gegevensbronnen =
o Publicaties (secundair VS primair)
Bv: boeken, tijdschriften,…
o Ontworpen experiment = methode waarbij de onderzoeker de gebruikte experimentele
eenheden behandelingen laat ondergaan
Bv: een behandelde groep (experimentele groep) vergelijken met een niet behandelde groep
(controlegroep)
o Enquête = gegevens verzamelen via vragenlijsten, gesteld aan een steekproef van personen
o Waarnemend onderzoek = waarneming onder natuurlijke omstandigheden. Geen interactie
met experimentele eenheden
Representatieve steekproef = het vertoont kenmerken die typerend zijn voor die van de relevante
populatie
Een representatieve steekproef kan je verkrijgen door het nemen van een aselecte steekproef
Aselecte steekproef = van n eenheden wordt zo getrokken dat elke deelverzameling van n stuks uit
de populatie dezelfde kans heeft om deel uit te maken van de steekproef
1.6 BLIJF KRITISCH
De uitslag van een steekproef kan een vertekend beeld geven, dit wil zeggen dat het resultaat niet
representatief is met de populatie (het is dus geen aselecte steekproef). Er zijn verschillende
oorzaken van vertekening (=bias).
2