MORAALFILOSOFIE
INHOUDSOPGAVE
MORAALFILOSOFIE .........................................................................................................................1
INHOUDSOPGAVE ...............................................................................................................................1
1. WAT IS ETHIEK? ...........................................................................................................................2
1.1. Wat is ethiek ? ...................................................................................................................2
1.2. Waarom ethiek ? ...............................................................................................................2
2. BEGINSELENETHIEK ....................................................................................................................3
2.1 de theorie ..........................................................................................................................3
2.2 de klassieke rechtvaardigingstoets.....................................................................................4
3. MORELE BEGINSELEN.................................................................................................................5
3.2 Vrijheid ..............................................................................................................................7
3.3 Gelijkheid ..........................................................................................................................7
3.4 Duurzaamheid ...................................................................................................................8
3.5 vrijheid om op te voeden .................................................................................................. 11
4.GEVOLGENETHIEK...................................................................................................................... 12
4.1 de theorie ........................................................................................................................ 12
5. DEUGDENETHIEK ....................................................................................................................... 14
5.1 de theorie ........................................................................................................................ 14
5.2 de aanpak ....................................................................................................................... 16
5.3 de kritieken ...................................................................................................................... 16
6. MOREEL SPECTICISME.............................................................................................................. 17
6.1 de theorie ........................................................................................................................ 17
6.2 vrije wilsceptische stelling ................................................................................................ 17
6.3 de plicht-sceptische stelling ............................................................................................. 19
6.4 de morele vergissingsstelling ........................................................................................... 22
, 1. WAT IS ETHIEK?
1.1. WAT IS ETHIEK ?
Ethiek = op een rationele wijze een houding aannemen over een moreel probleem
1. Moreel probleem = subgroep van normatieve problemen
= samenlevingsprobleem (moeten, mogen toegestaan zijn)
--> zorgt voor spanning --> wegwerken = nadenken, houden tegenover nemen
--> niet 1 juist antwoord op vraag
2. Houding = confrontatie met probleem
Oplossing vinden: meest voor de handliggend
Nieuw probleem zien: niet direct oplossen
Reflectie: nadenken + beargumenteren
Geen probleem
3. Rationele wijze
Niet-rationele houdingen:
Wil van god
--> Plato: diemma van Euthyphyro (iets kan onrechtvaardig en slecht zijn, zonder dat het iets te maken
heeft met de wil van god)
Emoties, instincten en intuïties
Het zijn morele sentimenten, maar je kan er niet ethisch mee handelen
Feitelijke roestanden
Je kan niet enkel naar feiten verwijzen om ethisch standpunt vast te nemen = naturalistische
drogredenen
--> "wat is het nut van een gevangenis?
Studies zeggen dat ze geen net hebben, maar het is wel hun straf die de criminelen hebben verdiend -
-> ander standpunt
Je kan geen moreel probleem oplossen door een feitelijke discussie
Moreel probleem--> niet altijd op zuiver rationele manier oplossen!
--> incest
Verschillende houdingen binnen ethiek:
1. Principiële houding = beginselenethiek
2. Consequentialistische houding = gevolgenethiek
3. Karakteriële houding = deugdenethiek
4. Moreel scepische houding = ethiek is problematisch
1.2. WAAROM ETHIEK ?
Morele vermogens:
Pijnempathie = helpen?, meeleven
Ontwikkeling:
Global distress (0-0,5j)= emotionele besmetting van emoties op ander persoon
--> reactive crying
Egocentrische empathie (0,5-1j) = verwijderen van persoon in pijn
Quasi-egocentrische empathie (1-2j) = hulp aanbieden
--> niet weten wat persoon nodig heeft --> doen wat jij nodig hebt in die situatie
Waarachtige empathie (2-4j) = theory of mind
, --> wat jij nodig hebt is anders dan ander persoon
Verdere ontwikkeling (4-7j) = empathie met fictieve personages
Fairness = negatieve ongelijkheidsaversie
Prosociaal (krijgen beide partijen iets of enkel jij?) vs altruïstisch gedrag (krijg je alles of ga je
delen?)
--> prosociaal spel
Negatieve (jij krijgt minder) vs positieve ongelijkheidsaversie (jij krijgt meer)
--> ongelijkheidsspel
Tweedepersoons- vs derdepersoonsbestraffing (laat je iets oneerlijks doorgaan ookal win je
niets?)
--> ultimatumspel
Andere vermogens
Onderscheid morele (regels met schade) en conventionele (regels met etiquette)
normovertredingen
--> vanaf 4j
o Schuldbesef en schuldgevoelens
--> vanaf 8j
o Morele weerzin
--> vanaf 10j
o 3j = geen walging, +3j = zuivere walging, +7j = besmettingsweerzin, +10j = morele weerzin
Waarom volstaan morele vermogen niet?
Ethiek (nadenken) is niet gelijk aan moraal (niet nadenken)
Niet universeel --> Müller-Lyer illusie
Moraal is vaak niet moreel (waarden naleven)
Nood aan ethiek, niet moraal --> motiveringsverplichting
2. BEGINSELENETHIEK
2.1 DE THEORIE
= principiële houding
filosofisch niet sterk, wel praktisch maakt gebruik van principes/morele beginselen
Wat zijn morele beginselen:
Niet-materiële goederen die we (intrinsiek) waarderen (waarden)
Eindigen vaak op ‘heid’ of ‘teit (vrijheid, gelijkheid, waardigheid, legitimiteit) maar niet altijd
(transparantie, autonomie)
Onderscheiden van deugden (karakter) (bijv. rechtvaardigheid versus rechtschapenheid)
Zuiver eigenbelang is geen moreel principe (maar schaarste of genot kunnen wel)
Vallen uiteen in vrijheden (vrijheid van opvoeden), rechten (recht op vrije meningsuiting),
plichten (onderhoudsplicht) die iets behouden van het oorspronkelijke morele beginsel
(privacy gaat terug op vrijheid)
Onderscheid tussen domeinafhankelijke en domeinonafhankelijke (in elke segment v
samenleving terugvinden) morele beginselen (burgerneutraliteit versus gelijkheid)
Wat fundeert morele beginselen?
Mensenrechtelijke verdragen: ethiek? (verdragen zijn de rechten van de mens) Recht? (is
ethisch opgebouw) Verwijzen naar elkaar is geen oplossing
Goddelijk bevel/religieus fundament: Dilemma van Euthyphro: baseren op god is geen
oplossing
INHOUDSOPGAVE
MORAALFILOSOFIE .........................................................................................................................1
INHOUDSOPGAVE ...............................................................................................................................1
1. WAT IS ETHIEK? ...........................................................................................................................2
1.1. Wat is ethiek ? ...................................................................................................................2
1.2. Waarom ethiek ? ...............................................................................................................2
2. BEGINSELENETHIEK ....................................................................................................................3
2.1 de theorie ..........................................................................................................................3
2.2 de klassieke rechtvaardigingstoets.....................................................................................4
3. MORELE BEGINSELEN.................................................................................................................5
3.2 Vrijheid ..............................................................................................................................7
3.3 Gelijkheid ..........................................................................................................................7
3.4 Duurzaamheid ...................................................................................................................8
3.5 vrijheid om op te voeden .................................................................................................. 11
4.GEVOLGENETHIEK...................................................................................................................... 12
4.1 de theorie ........................................................................................................................ 12
5. DEUGDENETHIEK ....................................................................................................................... 14
5.1 de theorie ........................................................................................................................ 14
5.2 de aanpak ....................................................................................................................... 16
5.3 de kritieken ...................................................................................................................... 16
6. MOREEL SPECTICISME.............................................................................................................. 17
6.1 de theorie ........................................................................................................................ 17
6.2 vrije wilsceptische stelling ................................................................................................ 17
6.3 de plicht-sceptische stelling ............................................................................................. 19
6.4 de morele vergissingsstelling ........................................................................................... 22
, 1. WAT IS ETHIEK?
1.1. WAT IS ETHIEK ?
Ethiek = op een rationele wijze een houding aannemen over een moreel probleem
1. Moreel probleem = subgroep van normatieve problemen
= samenlevingsprobleem (moeten, mogen toegestaan zijn)
--> zorgt voor spanning --> wegwerken = nadenken, houden tegenover nemen
--> niet 1 juist antwoord op vraag
2. Houding = confrontatie met probleem
Oplossing vinden: meest voor de handliggend
Nieuw probleem zien: niet direct oplossen
Reflectie: nadenken + beargumenteren
Geen probleem
3. Rationele wijze
Niet-rationele houdingen:
Wil van god
--> Plato: diemma van Euthyphyro (iets kan onrechtvaardig en slecht zijn, zonder dat het iets te maken
heeft met de wil van god)
Emoties, instincten en intuïties
Het zijn morele sentimenten, maar je kan er niet ethisch mee handelen
Feitelijke roestanden
Je kan niet enkel naar feiten verwijzen om ethisch standpunt vast te nemen = naturalistische
drogredenen
--> "wat is het nut van een gevangenis?
Studies zeggen dat ze geen net hebben, maar het is wel hun straf die de criminelen hebben verdiend -
-> ander standpunt
Je kan geen moreel probleem oplossen door een feitelijke discussie
Moreel probleem--> niet altijd op zuiver rationele manier oplossen!
--> incest
Verschillende houdingen binnen ethiek:
1. Principiële houding = beginselenethiek
2. Consequentialistische houding = gevolgenethiek
3. Karakteriële houding = deugdenethiek
4. Moreel scepische houding = ethiek is problematisch
1.2. WAAROM ETHIEK ?
Morele vermogens:
Pijnempathie = helpen?, meeleven
Ontwikkeling:
Global distress (0-0,5j)= emotionele besmetting van emoties op ander persoon
--> reactive crying
Egocentrische empathie (0,5-1j) = verwijderen van persoon in pijn
Quasi-egocentrische empathie (1-2j) = hulp aanbieden
--> niet weten wat persoon nodig heeft --> doen wat jij nodig hebt in die situatie
Waarachtige empathie (2-4j) = theory of mind
, --> wat jij nodig hebt is anders dan ander persoon
Verdere ontwikkeling (4-7j) = empathie met fictieve personages
Fairness = negatieve ongelijkheidsaversie
Prosociaal (krijgen beide partijen iets of enkel jij?) vs altruïstisch gedrag (krijg je alles of ga je
delen?)
--> prosociaal spel
Negatieve (jij krijgt minder) vs positieve ongelijkheidsaversie (jij krijgt meer)
--> ongelijkheidsspel
Tweedepersoons- vs derdepersoonsbestraffing (laat je iets oneerlijks doorgaan ookal win je
niets?)
--> ultimatumspel
Andere vermogens
Onderscheid morele (regels met schade) en conventionele (regels met etiquette)
normovertredingen
--> vanaf 4j
o Schuldbesef en schuldgevoelens
--> vanaf 8j
o Morele weerzin
--> vanaf 10j
o 3j = geen walging, +3j = zuivere walging, +7j = besmettingsweerzin, +10j = morele weerzin
Waarom volstaan morele vermogen niet?
Ethiek (nadenken) is niet gelijk aan moraal (niet nadenken)
Niet universeel --> Müller-Lyer illusie
Moraal is vaak niet moreel (waarden naleven)
Nood aan ethiek, niet moraal --> motiveringsverplichting
2. BEGINSELENETHIEK
2.1 DE THEORIE
= principiële houding
filosofisch niet sterk, wel praktisch maakt gebruik van principes/morele beginselen
Wat zijn morele beginselen:
Niet-materiële goederen die we (intrinsiek) waarderen (waarden)
Eindigen vaak op ‘heid’ of ‘teit (vrijheid, gelijkheid, waardigheid, legitimiteit) maar niet altijd
(transparantie, autonomie)
Onderscheiden van deugden (karakter) (bijv. rechtvaardigheid versus rechtschapenheid)
Zuiver eigenbelang is geen moreel principe (maar schaarste of genot kunnen wel)
Vallen uiteen in vrijheden (vrijheid van opvoeden), rechten (recht op vrije meningsuiting),
plichten (onderhoudsplicht) die iets behouden van het oorspronkelijke morele beginsel
(privacy gaat terug op vrijheid)
Onderscheid tussen domeinafhankelijke en domeinonafhankelijke (in elke segment v
samenleving terugvinden) morele beginselen (burgerneutraliteit versus gelijkheid)
Wat fundeert morele beginselen?
Mensenrechtelijke verdragen: ethiek? (verdragen zijn de rechten van de mens) Recht? (is
ethisch opgebouw) Verwijzen naar elkaar is geen oplossing
Goddelijk bevel/religieus fundament: Dilemma van Euthyphro: baseren op god is geen
oplossing