Anatomie en fysiologie..........................................................................................................................1
Zenuwstelsel......................................................................................................................................9
Hepatitis B.......................................................................................................................................11
Tractus circulatorius........................................................................................................................11
Farmacologie...................................................................................................................................13
Tractus respiratorius........................................................................................................................14
Vragen stellen..................................................................................................................................15
Actief luisteren.................................................................................................................................16
Emoties en non-verbale communicatie...........................................................................................16
Samenwerking en vertrouwensrelatie.............................................................................................16
Feedback..........................................................................................................................................16
VTV......................................................................................................................................................17
Persoonlijke hygiëne........................................................................................................................19
Verzorgen van bed met zorgvrager..................................................................................................20
Verplaatsen binnen de grenzen van het bed...................................................................................20
Verplaatsen buiten bed...................................................................................................................20
Omgaan met tilliften........................................................................................................................21
Hoorcollege’s.......................................................................................................................................21
Hoorcollege psychologie en gezondheid.........................................................................................24
Hoorcollege sociologie.....................................................................................................................25
Hoorcollege leefstijl vanuit psychologisch en sociologisch perspectief...........................................26
Hoorcollege Gezondheidsvoorlichting (GVO)..................................................................................27
Hoorcollege Ethiek...........................................................................................................................28
Hoorcollege Gezondheidsrecht........................................................................................................29
Hoorcollege Stress / coping.............................................................................................................29
Hoorcollege Verpleegkundige theorieën.........................................................................................30
Anatomie en fysiologie
Cel- en weefselleer
- De student kan aan de hand van een zelfgemaakte schematische afbeelding de bouw van de
lichaamscel als kleinste, zelfstandig levende eenheid van het menselijk organisme beschrijven.
Daarbij kan de student van de verschillende celorganellen de functie weergeven.
- De student kan de opbouw van de mens beschrijven vanuit cellen, weefsels, organen en orgaan-
of functiesystemen.
,- De student kan de functiesystemen beschrijven, die bij meercellige organismen (zoals de mens)
noodzakelijk zijn om te kunnen leven en te kunnen overleven.
De opbouw vanuit cellen:
Celmembraan = soort schil die de cel omsluit. Hierin liggen organellen. Organellen zijn essentieel
voor de overleving en reproductie van de cel
Cytoplasma = vloeistof in de cel, hierin zwemmen de organellen rond
Celkern = ligt in het midden van de cel en is de opslagplaats voor DNA. In het DNA ligt genetische
informatie opgeslagen. De genen kunnen ‘aan’ en ‘uit’ staan. Als ze ‘aan’ staan kunnen ze een
bepaalde cel functie gaan beïnvloeden. Zo zullen er verschillende types cellen ontstaan en acties
uitvoeren
Celorganellen
- Endoplasmatisch reticulum (ER) = hierin worden eiwitten geproduceerd. Deze kunnen
worden gebruikt als bouwsteen voor de cel zelf of kunnen uit de cel worden
getransporteerd. Het ER bouwt deze eiwitten mbv ribosomen en DNA uit de celkern
- Golgi-systeem = in dit systeem worden eiwitten (uit ER) ontvangen en een beetje aangepast.
Daarna wordt het eiwit omsloten door een membraan, waardoor zich een blaasje vormt met
een eiwit erin. Het Golgi-systeem transporteert deze gevulde blaasjes vervolgens binnen de
cel of de cel uit
- Mitochondria = kleine energiebronnen die zorgen voor de energie aanvoer van de cel. Ze
verbranden glucose mbv zuurstof. Hier komt ATP en koolstofdioxide vrij.
- Lysosoom = een soort blaasje dat is omsloten door een membraan. Dit blaasje kan stoffen
opnemen en deze vervolgens gaan afbreken/verteren. Hierbij kunnen er voedingstoffen vrij
komen, maar ook lichaamsvreemde stoffen onschadelijk maken.
De bouw vanuit weefsels:
Een weefsel is dus een groep cellen met dezelfde functie en opbouw. Miljoenen hersencellen
vormen samen het hersenweefsel en spiercellen het spierweefsel. Zo heb je dus allerlei soorten
weefsels. Vetweefsel, huidweefsel, botweefsel, spierweefsel, hersenweefsel. Meerdere weefsels
vormen een orgaan.
De bouw vanuit organen:
Een orgaan is een deel van een levend wezen met een speciale taak. BV hart. Dat is een orgaan dat
het bloed door jouw lichaam pompt. Het hart bestaat uit verschillende weefsels. Het bestaat uit
spierweefsel dat kan samentrekken, maar ook zenuwweefsel dat zorgt dat de spieren aangestuurd
, worden. Organen kunnen in hun eentje niet zoveel. Een groep organen die samenwerkt noemen we
een orgaansysteem.
Functiesysteem/orgaansysteem:
De huid = beschermt het lichaam tegen ziekte en uitdroging
Het zenuwstelsel = een netwerk van cellen dat informatie kan opnemen en verwerken.
Het spierstelsel = spieren aansturen zodat je kunt bewegen
Het skeletstelsel = zorgt voor stevigheid
Het ademhalingsstelsel = neemt zuurstof op uit de lucht
Het verteringsstelsel = verwerking van voedsel, opname van voedingsstoffen en verwijdering van
afvalproducten
Het bloedvatenstelsel = vervoert bloed met zuurstof en voedingsstoffen door het lichaam
Het uitscheidingsstelsel = verwijdert overtollig water, zouten en afvalstoffen (urine)
Het lymfestelsel = verdedigt tegen infecties en ziekten, zorgt voor terugkeer van weefselvocht naar
bloedsomloop
Het hormoonstelsel = reguleert langdurige veranderingen in orgaanstelsels, produceert hormonen
Het voortplantingsstelsel = om voort te planten
Houdings- en bewegingsapparaat
- De student kan een gedetailleerde beschrijving geven dan de bouw en de functies van de
verschillende soorten steunweefsel en van het spierweefsel
- De student kan een beschrijving bij leerdoel 1 toelichten aan de hand van een zelfgemaakte
schematische tekening.
Bouw Functie Schematische tekening
Botweefsel - Collageen: zorgt - Vormgeving
voor buigzaamheid - Steun / stevigheid
- Kalkzouten (60%): - Bescherming
zorgt voor de - Aanhechting voor
hardheid spieren
- Omgeven door - Beenmerg
bindweefsel (compact <>
spongieus)
Kraakbeenwe - Sterk vervormbaar - Vormgeving
efsel - Reversibel - Steun / stevigheid
vervormbaar - Glijfunctie bij
- Glad oppervlak gewrichten
- Geen bloedvaten - Groeikernen voor
en zenuwen bot
Zenuwstelsel......................................................................................................................................9
Hepatitis B.......................................................................................................................................11
Tractus circulatorius........................................................................................................................11
Farmacologie...................................................................................................................................13
Tractus respiratorius........................................................................................................................14
Vragen stellen..................................................................................................................................15
Actief luisteren.................................................................................................................................16
Emoties en non-verbale communicatie...........................................................................................16
Samenwerking en vertrouwensrelatie.............................................................................................16
Feedback..........................................................................................................................................16
VTV......................................................................................................................................................17
Persoonlijke hygiëne........................................................................................................................19
Verzorgen van bed met zorgvrager..................................................................................................20
Verplaatsen binnen de grenzen van het bed...................................................................................20
Verplaatsen buiten bed...................................................................................................................20
Omgaan met tilliften........................................................................................................................21
Hoorcollege’s.......................................................................................................................................21
Hoorcollege psychologie en gezondheid.........................................................................................24
Hoorcollege sociologie.....................................................................................................................25
Hoorcollege leefstijl vanuit psychologisch en sociologisch perspectief...........................................26
Hoorcollege Gezondheidsvoorlichting (GVO)..................................................................................27
Hoorcollege Ethiek...........................................................................................................................28
Hoorcollege Gezondheidsrecht........................................................................................................29
Hoorcollege Stress / coping.............................................................................................................29
Hoorcollege Verpleegkundige theorieën.........................................................................................30
Anatomie en fysiologie
Cel- en weefselleer
- De student kan aan de hand van een zelfgemaakte schematische afbeelding de bouw van de
lichaamscel als kleinste, zelfstandig levende eenheid van het menselijk organisme beschrijven.
Daarbij kan de student van de verschillende celorganellen de functie weergeven.
- De student kan de opbouw van de mens beschrijven vanuit cellen, weefsels, organen en orgaan-
of functiesystemen.
,- De student kan de functiesystemen beschrijven, die bij meercellige organismen (zoals de mens)
noodzakelijk zijn om te kunnen leven en te kunnen overleven.
De opbouw vanuit cellen:
Celmembraan = soort schil die de cel omsluit. Hierin liggen organellen. Organellen zijn essentieel
voor de overleving en reproductie van de cel
Cytoplasma = vloeistof in de cel, hierin zwemmen de organellen rond
Celkern = ligt in het midden van de cel en is de opslagplaats voor DNA. In het DNA ligt genetische
informatie opgeslagen. De genen kunnen ‘aan’ en ‘uit’ staan. Als ze ‘aan’ staan kunnen ze een
bepaalde cel functie gaan beïnvloeden. Zo zullen er verschillende types cellen ontstaan en acties
uitvoeren
Celorganellen
- Endoplasmatisch reticulum (ER) = hierin worden eiwitten geproduceerd. Deze kunnen
worden gebruikt als bouwsteen voor de cel zelf of kunnen uit de cel worden
getransporteerd. Het ER bouwt deze eiwitten mbv ribosomen en DNA uit de celkern
- Golgi-systeem = in dit systeem worden eiwitten (uit ER) ontvangen en een beetje aangepast.
Daarna wordt het eiwit omsloten door een membraan, waardoor zich een blaasje vormt met
een eiwit erin. Het Golgi-systeem transporteert deze gevulde blaasjes vervolgens binnen de
cel of de cel uit
- Mitochondria = kleine energiebronnen die zorgen voor de energie aanvoer van de cel. Ze
verbranden glucose mbv zuurstof. Hier komt ATP en koolstofdioxide vrij.
- Lysosoom = een soort blaasje dat is omsloten door een membraan. Dit blaasje kan stoffen
opnemen en deze vervolgens gaan afbreken/verteren. Hierbij kunnen er voedingstoffen vrij
komen, maar ook lichaamsvreemde stoffen onschadelijk maken.
De bouw vanuit weefsels:
Een weefsel is dus een groep cellen met dezelfde functie en opbouw. Miljoenen hersencellen
vormen samen het hersenweefsel en spiercellen het spierweefsel. Zo heb je dus allerlei soorten
weefsels. Vetweefsel, huidweefsel, botweefsel, spierweefsel, hersenweefsel. Meerdere weefsels
vormen een orgaan.
De bouw vanuit organen:
Een orgaan is een deel van een levend wezen met een speciale taak. BV hart. Dat is een orgaan dat
het bloed door jouw lichaam pompt. Het hart bestaat uit verschillende weefsels. Het bestaat uit
spierweefsel dat kan samentrekken, maar ook zenuwweefsel dat zorgt dat de spieren aangestuurd
, worden. Organen kunnen in hun eentje niet zoveel. Een groep organen die samenwerkt noemen we
een orgaansysteem.
Functiesysteem/orgaansysteem:
De huid = beschermt het lichaam tegen ziekte en uitdroging
Het zenuwstelsel = een netwerk van cellen dat informatie kan opnemen en verwerken.
Het spierstelsel = spieren aansturen zodat je kunt bewegen
Het skeletstelsel = zorgt voor stevigheid
Het ademhalingsstelsel = neemt zuurstof op uit de lucht
Het verteringsstelsel = verwerking van voedsel, opname van voedingsstoffen en verwijdering van
afvalproducten
Het bloedvatenstelsel = vervoert bloed met zuurstof en voedingsstoffen door het lichaam
Het uitscheidingsstelsel = verwijdert overtollig water, zouten en afvalstoffen (urine)
Het lymfestelsel = verdedigt tegen infecties en ziekten, zorgt voor terugkeer van weefselvocht naar
bloedsomloop
Het hormoonstelsel = reguleert langdurige veranderingen in orgaanstelsels, produceert hormonen
Het voortplantingsstelsel = om voort te planten
Houdings- en bewegingsapparaat
- De student kan een gedetailleerde beschrijving geven dan de bouw en de functies van de
verschillende soorten steunweefsel en van het spierweefsel
- De student kan een beschrijving bij leerdoel 1 toelichten aan de hand van een zelfgemaakte
schematische tekening.
Bouw Functie Schematische tekening
Botweefsel - Collageen: zorgt - Vormgeving
voor buigzaamheid - Steun / stevigheid
- Kalkzouten (60%): - Bescherming
zorgt voor de - Aanhechting voor
hardheid spieren
- Omgeven door - Beenmerg
bindweefsel (compact <>
spongieus)
Kraakbeenwe - Sterk vervormbaar - Vormgeving
efsel - Reversibel - Steun / stevigheid
vervormbaar - Glijfunctie bij
- Glad oppervlak gewrichten
- Geen bloedvaten - Groeikernen voor
en zenuwen bot