- Porifera: zustergroep van alle ander dieren
- Cinidaria
- Platyhelminthes (platwormen)
o Behoren tot een grotere groep van dieren:
▪ annelida: regenwormen, bloedzuigers
▪ platyhelminthes: platwormen
▪ mollusca: slakken, mosselen, octopussen en inktvissen
➔ groep heeft geen cuticala die vervelt (huidlaag)
➔ anthropoda: kreeften, insecten etc en nematoda: rondwormen wel cuticala, vervellen
(cuticala wordt uitgescheiden)
verschillen rondwormen en platwormen:
- nematoda: langwerpig lichaam = rond en op spanning
- platworm: meer uitwiseling tussen omgeving en binnenkant lichaam
- nematoda: cuticala: stevigere huid met spanning
- uiteinden rondwormen: spitsvormig
evolutionaire relevantie:
- volledig spijverteringskanaal met aparte mond aan kop en anus aan staart
- de soort C. elegans wordt zeer veel gebruikt als proefdier in biomedisch onderzoek
o simpel organisme, maar veel complexiteit, modelorganisme
,medisch/veterinaire relevantie:
- veel rondwormen: parasitair bij mensen of huisdieren (bv: spoelwormen, haakworden,
filarien), veroorzaken ziektes
diagnose:
morfologie
- wormvormig:
o lang
o rond
o bilateraal symmetrisch (linkerkant en rechterkant ziet er hetzelfde uit)
o geen aanhangsels
- tripoblast (3 kiemlagen)
o geen echte lichaamsholte (coeloom)
o wel pseudocoel
- lichaam beschermd door cuticala (meestal niet glad)
- gesteund door cutiula (water ondoorlaatbaar) en vloeistoffen in pseudocoel (binnenin
pseudocoel wordt er veel vocht opgehoopt)
fysiologie
- centraal zenuwstelsel met slokdarmring (ringvormige zenuwstreng die rond slokdarm zit)
- verschillende zenuwbanen die longitudinaal verder doorheen lichaam lopen:
o ventrale en caudale ganglia en zenuwstrengen
- volledig spijverteringskanaal
o mond en anus aanwezig
o wat er binnen gaat wordt verteerd en deel gaat terug naar buiten
- onvertakt spijsverteringskanaal
o 1 buis
- Geen bloedvaten- of ademhalingsstelsel
o Via cuticala
- Osmoregulatie dmv vlamcellen
Voortbeweging
- Longitudinale spieren (doorheen lichaam, enkel in die richting kunnen samentrekken)
- Geen aanhangsels (geen cilia of flagellen)
Voortplanting
- Meestal gescheiden geslachten
- We kunnen verschil tussen geslachten zien (=geslachten zijn dimorf)
o 2 types van uiterlijkheden (mannelijke vorm en vrouwelijke vorm)
Ontwikkeling
- Indirect
o Directe ontwikkeling: hetgeen wat uit zygote komt al lijkt op adulte vorm, enkel
groeien
- Meestal 4 larvenstadia die lijken op adult
- Aantal cellen in adulten van de zelfde soort is altijd gelijk
1
, o bij mens varieert, bij hen staat dta vast, vanaf embryonale ontwikkeling traceren dat
die cel zal uiteindelijk delen in die cellen etc en uitmonden in die cel
o reden: gebruik in biomedisch onderzoek
habitat
- aquatisch (zoetwater)
- in de grond
- exoparasitair voor planten, aan wortel vasthechten en opeten
- endoparasitair voor dieren, binnenin dier
- wereldwijde verspreiding
grootte
- enkele 1 mm tot 1 m
diversiteit
- ongeveer 30 000 beschreven recente soorten, maar waarschijnlijk zijn er bijna een miljoen
soorten
bouwplan
habitus (algemene uitzicht van dier) en lichaamsomhulling:
- langwerpig, spoelvormig, versmallend naar uiteinden
- vrijlevende soorten vrij klein (meestal 0.5-3mm)
- parasitaire vormen soms groter dan 15 mm
- sterke, meestal gladde, niet-chitineuze cuticala (huid die lichaam omlijnd)
- cuticula soms met differentiaties, maar geen echter aanhangsels
- onder de cuticula: epitheellaag met weinig cellen
o op epitheellaag: uitstulpingen zullen doorheen lichaam lijden (= epitheliale lijsten)
o dorsaal, ventraal en beide laterale zijden
- staartklieren: lijmachtige vloeistof uitstoten -> verankeren binnenin darm of bodem
- zintuigen: amphiden en fasmiden (vaak aan kop)
- spijsverteringstelsel
o voedsel komt binnen via mond -> door slokdam (oesophagus) -> rest van darm:
middendarm, einde darm: rectum -> onverteerde voedsel buiten via anus
o mond: 3 of 6 lippen (labia)
▪ verschillende vormen
▪ op lippen verschillende differentiaties
• soms zuignappen of harde structuren zoals stylet
o stylet: bij plantparasitaire nematoden, diegene die eten van
planten om stukje wortel te doorboren bv,
- sterk gespierde farynx -> kan zuigkracht ontwikkelen en voedsel opzuigen
o geen tanden aanwezig om te kauwen
- middendarm met eenlagig epitheel
o cellen zijn gedifferentieerd (microvilli aan buitenkant)
▪ microvilli: uitstulpingen cytoplasma en plasmamembraan (haartjes) ->
voedselpartikels te vangen en verder te transporteren binnenin cel
▪ onverteerde voedsel komen terecht in rectum -> buitenwereld via anus
2
, - excretiestelsel
o geen organen, eerder cellen
▪ 1 of 2 ventrale excretiecellen
▪ Samenvoeging van bepaalde cellen die functie uitoefenen (protonephridia =
‘voorganger nier’)
▪ Vlamcellen die in pseudocoel vloeistof filteren en afvalstoffen naar buiten
sturen (osmoregulatie)
o Intracellulaire holte die zich kan uitstrekken tot een kanaal (holte die beide cellen
verbindt)
- Zenuwstelsel
o Slokdarmring (ringvromige zenuwbaan)
o uitstulpingen naar voorkant (meer als 2)
o longitudinale zenuwbanen die af en toe kruisverbindingen met elkaar kunnen maken
▪ zenuwbanen (dorsaal en ventraal) lopen samen met dorsale en ventrale
laterale lijsten
- voortplatingsstelsel
o meestal gescheiden geslacht
o mannelijk voorplantingsstelsel:
▪ 2 testes (verschillende vormen, hier langvormige buis)
• Monden uit in 1 vas deferens (kanaal waarin spermacellen worden
verzameld)
▪ 1 vas deferens
▪ Ductus ejaculatorius: brengen spermacellen in vrouwelijke lichaam
• Monden uit in cloaca (waarin genitale stelsel en darmen uitmonden,
algemene opening)
▪ Mogelijke specialisaties in/rond cloaca: copulatieorganen (gleuf waardoor
spermacellen beter worden begeleidt in vrouwelijke lichaam)
o Vrouwelijk voortplantingsstelsel:
▪ 2 buisvormige ovaria: procutie eicellen
▪ via korte oviducten (eileiders): verder rijpen eicel -> uterus
▪ 2 uteri monden uit in vagina (laatste deel uterus)
▪ Opening: vulva
3