Het civiele jeugdrecht
Blok 1:
Week 1: Inleiding, internationaal kader en de minderjarige
Internationale bronnen: Het IVRK
HET IVRK (Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind) bundelt alle kinderrechten,
die van toepassing zijn op: alle kinderen tot 18 jaar, ongeboren kinderen en onder bepaalde
omstandigheden op adolescenten. De bepalingen van het IVRK die naar hun inhoud
eenieder kunnen verbinden kunnen o.g.v. art. 93 + 94 GW rechtstreeks ten overstaan van de
Nederlandse rechter worden ingeroepen en gaan hiermee voor op nationaal recht.
- Let op: het IVRK bevat ook instructienormen voor de overheid, deze bepalingen
kennen geen rechtstreekse werking want deze zijn niet eenieder verbindend. Een
voorbeeld is art. 18 IVRK waarin aan de overheid de opdracht wordt gegeven om te
zorgen dat de primaire verantwoordelijkheid van de ouder wordt gerespecteerd en
ondersteund en dat passende bijstand wordt gegeven waar nodig.
Het IVRK maakt onderscheid tussen:
• Provisierechten à het kind heeft recht op voorzieningen die noodzakelijk zijn voor
de ontwikkeling, zoals gezondheid en onderwijs (o.a. art. 28 en 29 IVRk)
• Protectierechten à het kind heeft recht op bescherming tegen gevaar en risico’s
zoals mishandeling, ontvoering, kinderhandel en andere vormen van geweld (o.a. art.
19, 32, 35, 37 IVRK)
• Participatierechten à het kind heeft recht op participatie, bijvoorbeeld het recht op
vrijheid van meningsuiting en het hoorrecht (o.a. art. 12, 13, 14, 17 IVRK)
Art. 3 IVRK: belang van het kind
In art. 3 IVRK is bepaald dat het belang van het kind een eerste overweging dient te zijn bij
alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht door wie de maatregelen worden genomen.
Dit kunnen openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn, rechterlijke
instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen betreffen. Art. 3 IVRK brengt met
zich mee dat de rechter bij zijn beslissing alle belangen in acht dient te nemen, waaronder
het belang van het kind.
® Nuancering in HR 25 april 2008: het belang van het kind moet een belangrijke
overweging zijn bij een rechterlijke beslissing, maar dit betekent niet altijd dat het belang van
het kind zwaarder moet wegen dan andere belangen. Het betreft een belangenafweging
waarbij het belang van het kind en andere belangen (die van bv. de ouders) tegen elkaar
worden afgewogen (ditzelfde staat in General Comment nr. 14).
Wat is het belang van het kind? Omdat art. 3 IVRK normatieve begrippen bevat moet het
begrip “het belang van het kind” ingevuld worden aan de hand van de specifieke feiten en
omstandigheden van het geval, dit betekent dat in elke zaak opnieuw het belang moet
worden vastgesteld. Maar er worden wel handvatten gegeven:
• Factoren voor de beoordeling van het belang van het kind:
o Mening van het kind
o Identiteit van het kind
o Behoud gezinsomgeving en van betrekkingen
o Zorg, bescherming en veiligheid van het kind
o Kwetsbare situatie
o Recht op gezondheid
o Recht op onderwijs
Benadrukt moet worden dat een basale beoordeling van de belangen: een algemene
beoordeling is van alle relevante factoren van de belangen van het kind. Het gewicht
1
,dat aan elke factor wordt toegekend hangt af van de andere factoren, want niet elke factor is
voor elk geval relevant en de te onderscheiden factoren kunnen op verschillende manieren
worden gebruikt in verschillende gevallen ® hiermee biedt art. 3 IVRK dus de mogelijkheid
tot maatwerk voor ieder kind afzonderlijk.
Voorbeeldcasus:
Najib dient een verzoek bij de rechter in om het vaderschap te ontkennen (art. 1:200 lid 1
onder a jo lid 5 BW) dat hij momenteel over zijn zoon Boris heeft, als uit dna-onderzoek
blijkt dat Boris niet zijn biologische zoon is. De belangen van Boris betreffen o.a.:
- Het behoudt van de relatie met zijn vader
- Het recht op familieleven (art. 7 EVRM)
- Het recht op ouderlijke verantwoordelijkheid (art. 6, 16 en 18 IVRK)
- Het recht op afstammingsinformatie (art. 7 en 8 IVRK)
- Belang bij het hebben van een juridische vader
- Lichamelijke integriteit, want de dna-test die vader verzoekt maakt hier een inbreuk
op (art. 19 IVRk)
De rb heeft uiteindelijk geoordeeld dat het niet in het belang van Boris is dat het verzoek
van de vader tot een dna-test en ontkenning van het vaderschap wordt toegewezen. De rb
heeft hier de volgende redenen voor:
- Najib heeft 14 jaar lang een belangrijke rol in het leven van Boris gespeeld als vader
- Er is nooit een vermoeden geweest dat hij de vader niet zou zijn
- Er is niemand anders bekend die de rol van vader op zich kan nemen
- De ouders van Najib stellen zich op als grootouders
- Het verzoek van Najib heeft zelf al veel verdriet en onzekerheid bij Boris teweeg
gebracht
Gelet op dit bovenstaande vindt het Hof een dna-onderzoek bijzonder belastend en in strijd
met het belang van Boris.
Art. 5 IVRK: primaire verantwoordelijkheid ouders
Art. 5 IVRK bepaald dat de ouders primair de verantwoordelijkheid hebben over de zorg,
begeleiding en opvoeding van hun kind. De overheid moet dit respecteren en ondersteunen.
Dit artikel bevat net als art. 3 IVRK een normatief begrip “zich ontwikkelende vermogens” dit
begrip wordt verschillend ingevuld per leeftijd. Per kind dient dus gekeken te worden wat
wel/niet gevraagd kan worden van het kind en hoe uitingen van het kind een rol kunnen
spelen.
Andere belangrijke artikelen:
• Art. 2 IVRK: non-discriminatiebeginsel
• Art. 3 IVRK: belang van het kind
• Art. 6 IVRK: recht op leven en ontwikkeling
• Art. 12 IVRK: hoorrecht
• Art. 9 IVRK: geen scheiding tussen ouders en kind
• Art. 20 IVRK: recht op bescherming en bijstand van de overheid als het kind tijdelijk
niet in het gezin kan worden geplaatst
Toezicht op naleving IVRK: Kinderrechtencommité
Uit art. 43 IVRK volgt dat het Kinderrechtencommite de internationale waakhond is voor
naleving kinderrechten. Het Commite kan geen maatregelen nemen tegen staten, maar wel
conclusies en aanbevelingen schrijven die van invloed kunnen zijn. Daarnaast publiceren zij
general comments die interpretatie geven aan IVRK-bepalingen, zijn niet bindend maar
worden wel als belangrijk beschouwd bij de naleving van het IVRK.
2
,Nationale bronnen
Voor het civiele jeugdrecht zijn de volgende bronnen van belang:
- Jeugdwet
- BW 1
- Rv (3e en 6e titel)
Ouderlijk gezag
Definitie ouderlijk gezag
Alle minderjarigen staan o.g.v. art. 1:245 BW onder gezag, we kennen twee vormen van
gezag (lid 3):
• Het ouderlijk gezag: het gezag wordt gedragen door de de ouders gezamenlijk of
door een ouder (lid 3)
- Ook een niet-ouder kan het ouderlijk gezag dragen, mits dit samen gebeurt
met een juridisch ouder (stiefmoeder art. 1:253sa BW/stiefvader art. 1:253t
BW)
• De voogdij: het gezag wordt gedragen door iemand die niet-juridisch ouder is van het
kind (lid 3)
In art. 1:247 BW wordt ingegaan op de onderwerpen waarop gezag zich toespitst, namelijk:
de persoon van de minderjarige, de vertegenwoordiging in en buiten rechte. Het gezagsrecht
omvat ook het recht en de plicht van de ouder om het kind te verzorgen en op te voeden,
hierbij mag geen geestelijk/lichamelijk geweld worden gebruikt.
Verkrijgen van ouderlijk gezag
• Van rechtswege: door het volstaan van een huwelijk of gp
Op het moment dat een kind wordt geboren tijdens het huwelijk art. 1:251 BW/gp art.
1:253aa BW van de ouders dan oefenen de ouders van rechtswege dit gezag uit.
• Op verzoek van de ouders zelf
In geval het kind buiten het huwelijk/gp van de ouders wordt geboren, dan kwalificeert
de moeder automatisch als juridisch moeder art. 1:198 BW, zij verkrijgt dan volgens
art. 1:253b BW van rechtswege het ouderlijk gezag.
- Voor de vader is dit anders, eerst moet de vader als juridisch vader
kwalificeren d.m.v. art. 1:199 BW: erkenning (sub c), gerechtelijke vaststelling
vaderschap (sub d), adoptie (sub e). Per 1/1/2023 is art. 1:251b BW van
kracht: erkenning van het vaderschap levert van rechtswege ouderlijk gezag
op. Let op: erkenning voor 1/1/2023, dan leidt erkenning niet ook automatisch
tot gezag, maar dan is een aantekening in het gezagsregister art. 1:252 BW
vereist.
• Rechterlijke beslissing art. 1:253c BW
Op het moment dat de vader ouderlijk gezag wil, maar de moeder hier niet aan mee
werkt (betreft dus conflictsituatie) dan kan de vader de rechter verzoeken hem met
ouderlijk gezag te belasten art. 1:253c lid 1 BW. De rechter zal dit verzoek in beginsel
toewijzen, tenzij er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt
tussen beide ouders of afwijzing in het belang van het kind noodzakelijk is (lid 2)
Scheiding tussen ouders
De ouders die gedurende hun huwelijk het gezamenlijk gezag hebben blijven dit gezag na de
scheiding gezamenlijk uitvoeren, deze hoofdregel volgt uit art. 1:251 lid 2 BW. Maar:
problematisch wanneer ouders het niet met elkaar eens zijn, daarom oplossing:
geschillenregeling art. 1:253a BW: als ouders het niet met elkaar eens kunnen worden over
de uitoefening van het gezag, dan kan dit geschil worden voorgelegd aan de rechter.
3
, Handelingsbekwaamheid van minderjarige
Stap 1: minderjarigen
Uit art. 1:233 BW volgt dat een minderjarige degene betreft die de leeftijd van 18 jaar nog
niet heeft bereikt en geen meerderjarigverklaring heeft.
- Meerderjarigheidsverklaring art. 1:253ha BW de meerderjarigheidsverklaring
betreft een middel voor de minderjarige vrouw (die moeder wordt of is) om zich
middels een verzoek bij de kinderrechter meerderjarig te laten verklaren (lid 1). De
Raad voor de Kinderbescherming kan dit ook ten behoeve van haar doen (lid 2). De
kinderrechter willigt dit verzoek slechts in indien hij dit in het belang van de moeder
en kind wenselijk oordeelt (lid 3)
- Let op: de meerderjarigheidsverklaring maakt gp of huwelijk niet mogelijk, uit art.
1:31 BW volgt namelijk dat voor een huwelijk de leeftijd van 18 jaar is vereist. Het
huwelijksverbod is absoluut, de meerderjarigheidsverklaring staat hieraan niet in de
weg en geldt dan ook niet. Dus voor huwelijk is art. 1:253ha BW niet van toepassing.
Stap 2: gezag
O.g.v. art. 1:245 BW staan minderjarigen onder gezag (lid 1), onder gezag wordt verstaan
ouderlijk gezag of voogdzij (lid 2). Het gezag heeft betrekking op de persoon van de
minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke
handelingen zowel in als buiten rechte (lid 4)
Stap 3: wettelijke grondslag
O.g.v art. 1:234 BW zijn minderjarigen slechts handelingsbekwaam om rechtshandelingen te
verrichten voor zover zij handelen met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger,
voor zover de wet niet anders bepaald. De toestemming zal telkens per rechtshandeling
moeten worden verleend (lid 2)
® Uitzondering: de wet bepaald dat toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger in de
volgende gevallen niet nodig is:
• Opmaken testament art. 4:55 BW
• Sluiten arbeidsovereenkomst art. 7:612 BW
• Aangaan van een geneeskundige behandelingsovereenkomst art. 7:447 BW
De toestemming in de zin van art. 1:234 BW wordt volgens art. 1:234 lid 3 BW in sommige
gevallen nadrukkelijk verondersteld te zijn verleend bij rechtshandelingen als in het
maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat een minderjarige van zijn leeftijd deze
rechtshandeling zelfstandig verricht. Dus als de handeling past bij de leeftijd van de
minderjarige, dan wordt de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger veronderstelt te
zijn verleend.
Stap 4: indien geen wettelijke grondslag, is er dan een bijzondere procedure mogelijk
om toestemming te krijgen
Er zijn twee uitzonderingen waarbij de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger niet
vereist is:
• Handlichting art. 1:235 BW: Het is voor minderjarigen mogelijk om op bepaalde
terreinen specifieke bevoegdheden te verkrijgen zonder dat daarvoor de toestemming
van de wettelijke vertegenwoordiger steeds nodig is. Daarom kunnen o.g.v. art. 1:235
BW aan een minderjarige van 16 jaar of ouder door de kantonrechter bepaalde
bevoegdheden worden verleend, dit wordt handlichting genoemd. Dit kan
bijvoorbeeld het verzoek betreffen om bevoegdheden te krijgen ter exploitatie van
een onderneming. Je blijft dan wel minderjarig, maar voor specifieke bevoegdheden
wil je als het ware als meerderjarige worden beschouwd om deze verrichten.
- Let op: handlichting wordt niet verleend tegen de wil van de ouders in (art. 1:235
lid 2 BW), maar als de rechter de weigering van de ouders onredelijk acht dan kan
toch handlichting worden gegeven.
4