Inhoud
1. Algemeen en WHO .................................................................................................................................................. 2
2. Cellen ........................................................................................................................................................................ 4
3. Verschillende weefsels (dekweefsel, steunweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel) en verschillende types binnen
de weefsels ........................................................................................................................................................................ 5
4. Lymfestelsel ............................................................................................................................................................. 14
5. Functies lever .......................................................................................................................................................... 16
6. Cholesterol ............................................................................................................................................................. 19
7. Onderdelen van maagsap, pancreassap en darmsap + functies per onderdeel ...................................................... 21
8. Voor elk soort koolhydraat (lactose, zetmeel, etc) kunnen uitleggen hoe deze stap voor stap in het lichaam
omgezet wordt tot energie............................................................................................................................................. 24
9. Lactose naar energie ............................................................................................................................................... 25
10. Verzadigings- en hongerhormonen ghreline, leptine en PYY ............................................................................. 25
11. Functies cortisol.................................................................................................................................................. 26
12. Ziektebeeld diabetes (type 1 en 2) + schadelijke effecten op lichaam............................................................... 27
13. Longen en ademhalingsproces + COPD ............................................................................................................. 28
14. Cardiovasculair stelsel......................................................................................................................................... 32
15. Risicofactoren en (mogelijke) gevolgen van een hoge bloeddruk + het hart ..................................................... 34
16. Beschrijf de soorten zenuwstelsels..................................................................................................................... 38
17. Schrikreactie ....................................................................................................................................................... 40
18. Spijsvertering stap voor stap (elk orgaan) .......................................................................................................... 41
19. Vertering koolhydraten, eiwitten en vetten ....................................................................................................... 42
20. Nieren ................................................................................................................................................................. 42
21. RAAS ................................................................................................................................................................... 44
22. Verschillende soorten enzymen en hun functie ................................................................................................. 45
23. Hormonen........................................................................................................................................................... 46
24. T3 en T4 hormonen schildklier (thyroïd) ........................................................................................................... 47
25. Invloed glucagon en insuline op verzadiging ....................................................................................................... 48
26. Metabool syndroom............................................................................................................................................ 49
, 1. Algemeen en WHO
Anatomie = Ontleedkunde. Houdt zich bezig met de bouw van het menselijk lichaam: hoe zijn organen ten
opzichte van elkaar gelegen, hoe verloopt de bloedvoorziening, etc.
Anatomie is statisch.
Anatomie gaat, van klein naar groot:
- Cellen
- Weefsels
- Organen
- Orgaanstelsel (bijv hart en bloedvaten hebben elkaar nodig)
- Organisme
Fysiologie = Leer der verrichtingen. Bestudeert de verrichtingen van het menselijk lichaam en de functies van de
verschillende onderdelen.
Fysiologie is dynamisch, het gaat erover hoe de systemen met elkaar samenwerken om tot functioneren te komen.
WHO factsheets
Non-communicable diseases zijn chronische, langdurige aandoeningen en verantwoordelijk voor 75% van overlijden
wereldwijd. Ze zijn het resultaat van verschillende factoren:
- Genetisch
- Fysiologisch
- Omgeving (bijv. luchtvervuiling, maar ook de sociale omgeving)
- Gedrag (eetgedrag, roken, alcohol, etc.)
Leerdoel: beschrijven van de factoren die leiden tot een fysiologische veranderingen van veelvoorkomende welvaartsziekten
zoals obesitas, diabetes type II, hypercholesterolemie en hypertensie .
In H13 staat:
- Biologie → genetische invloeden, invloed van hormonen
- Omgeving: fysieke activiteit → variabelen die fysieke activiteit bevorderen of verhinderen (kosten van sport
bijv)
- Individu: fysieke activiteit → variabelen die bepalen hoeveel je zelf beweegt
- Individuele psychologie → stress, health literacy, zelfvertrouwen, etc
- Maatschappelijke invloeden → onderwijs, sociale acceptatie van obesitas, tv kijken
- Voedselproductie → hoeveel voedingswaarde zit in voedsel, marketing, etc
- Voedselconsumptie → hoeveelheid voedsel dat aanwezig is, portiegrootte, alcoholconsumptie, etc.
Vier groepen ziekten zorgen voor de meeste doden (80%):
1. Hart- en vaatziekten (17,9 miljoen per jaar)
2. Kanker (9,3 miljoen per jaar)
3. Chronische longziekten (4,1 miljoen per jaar)
4. Diabetes (2 miljoen per jaar)
2
,Metabolische risicofactoren dragen bij aan vier belangrijke metabolische veranderingen, die het risico op NCD’s
verhogen: verhoogde bloeddruk (grootste oorzaak voor sterfte), overgewicht/obesitas, hyperglykemie (hoge
bloedglucose), hyperlipemie (?) (te veel vet in bloed).
Doel van WHO: de kans op sterfte aan een van de vier NCD’s is met een derde verlaagd in 2030.
Leerdoel: vanuit de fysiologie beredeneren welke voedingsaanpassingen veelvoorkomende welvaartsziekten kunnen
voorkomen of de gezondheidseffecten kunnen verminderen.
WHO: de omgeving is fundamenteel in het beïnvloeden van de keuze van mensen om gezonder te leven. De
keuze voor gezond eten en beweging moeten de makkelijkste keuze worden.
Op individueel niveau:
- Beperken van energie-inname uit vetten en suiker
- Verhogen van consumptie van fruit en groente, peulvruchten, volkoren en noten
- 150 min per week bewegen voor volwassenen
Op meer macroniveau:
- Belasting op frisdrank
- Minder vet, suiker en zout in bewerkt voedsel
- Ervoor zorgen dat gezonde en voedzame keuzes voor iedereen beschikbaar zijn, ook op het werk
- Marketing op ongezond voedsel beperken, vooral voor kinderen
3
, 2. Cellen
Bron: Juf Daniëlle
De belangrijkste onderdelen van een cel zijn:
- Celkern → hierin ligt het genetisch materiaal opgeslagen
- Cytoskelet → geeft de cel stevigheid, vorm en beweeglijkheid
- Cytoplasma → waterige oplossing van eiwitten, mineralen en suikers
- Mitochondriën → energiefabriekjes, hier wordt ATP gemaakt
- Ribosomen → maken eiwitten. Ze gebruiken mRNA als recept en koppelen de benodigde aminozuren aan
elkaar.
- Endoplasmatisch reticulum → bestaat uit twee delen, glad en ruw.
o Glad ER maakt lipiden (o.a. fosfolipiden voor membranen) en steroïden.
o Ruw ER (zitten ribosomen op) verzorgt transport van eiwitten naar Golgi-apparaat.
- Golgi-apparaat → ‘verpakkingsfabriek’. Krijgt pakketjes met eiwitten van ruw ER. Golgi bewerkt de eiwitten
voor hun functie binnen en buiten de cel, het maakt bijvoorbeeld enzymen. Als ze nodig zijn, smelten deze
pakketjes samen met het membraan en verlaten de cel via exocytose. Het Golgi-apparaat maakt ook
lysosomen. Dat zijn blaasjes waarin eiwitten zitten, die grote moleculen opbreken in kleinere deeltjes (bijv
glucose, aminozuren), zodat ze bruikbaar worden voor processen in de cel. Lysosomen zitten veel in
afweercellen, zodat de verteringsenzymen in de lysosomen bacteriën kapot kunnen maken.
- Plasmamembraan → Dit zijn twee lagen met fosfolipiden, zorgt voor waterafstotende barrière. Er steken
eiwitten door dit membraan heen die aangeven dat de cel lichaamseigen is, receptoren die berichten kunnen
herkennen, transporteiwitten en enzymen.
Celmembraantransport
Diffusie en osmose gaan over transport door het celmembraan. Belangrijk hierbij zijn de intracellulaire vloeistof en
extracellulaire vloeistof.
Diffusie is het proces waarbij opgeloste stoffen in een waterig milieu zich verplaatsen van een gebied met een hoge
concentratie opgeloste stoffen, naar een gebied met een lage concentratie opgeloste stoffen.
4