1
Literatuur Week 1.
Hoofdstuk 2: classificatie, diagnostiek en epidemiologie.
Classificatiesystemen: systematische beschrijvingen van gedrag op basis van door wetenschappers
onderscheiden gedragskenmerken, met als doel om gedrag in te delen.
- Iets herkennen, en er de juiste naam aan geven indelen in categorie.
- Wat is dit?
Om te classificeren moeten we waarnemen, maar ook onderscheid kunnen maken tussen
categorieën waarin we de waarnemingsresultaten indelen. Dit wordt gedaan op basis van kennis,
deze kennis is gebonden aan de persoon, tijd en cultuur.
We delen onze waarnemingen in, omdat we behoefte hebben aan vereenvoudiging. Als er geen
classificatie is, is het onmogelijk om een naam te geven aan een verschijnsel. Classificatie biedt de
mogelijkheid tot ordering het leidt tot een beter begrip van wat verschillend en wat hetzelfde is.
Differentiaaldiagnose: het systematisch na lopen welke stoornis het meest waarschijnlijk is.
Door classificatie verwerven we kennis over psychische stoornissen. Dit is algemene kennis het
gaat over een groep. Een hulpverlener weet op basis van kennis welke methoden van hulpverlening
zinvol kunnen zijn.
Het vaststellen van een psychische stoornis is altijd een interpretatie.
DSM: diagnostic and statistical manual of mental disorders.
Emil Kraeplin: grondlegger van de moderne classificatiesystematiek.
- Hadden vooral een medische en lichamelijke oriëntatie.
Neurose: minder ernstige stoornissen beschreven in DSM 1.
DSM 3: men koos ervoor om enkel van waarneembare kenmerken uit te gaan atheoretisch. Het
verwerven van informatie door middel van observatie staat centraal. Dit vergroot betrouwbaarheid.
DSM 5: gebaseerd op afspraken die specialisten maken voor elke groep stoornissen. Het leidt ertoe
dat alle deskundige over de wereld ‘dezelfde taal’ kunnen spreken.
- De afspraken zijn niet altijd wetenschappelijk onderbouwd, en staan daarom ter discussie.
Definitie van psychische stoornis volgens DSM 5:
1. Een psychische stoornis is een syndroom, gekenmerkt door klinische significantie symptomen
op het gebied van de cognitieve functies, de emotieregulatie of het gedrag van een persoon.
Dat een uiting is van een disfunctie in psychologische, biologische of ontwikkelingsprocessen
die ten grondslag liggen aan het psychisch functioneren op sociaal of beroepsmatig gebied of
bij andere belangrijke bezigheden.
2. Een reactie op een veelvoorkomende stressor of verlies die te verwachten valt en cultureel
geaccepteerd wordt is GEEN psychische stoornis.
3. Sociaal deviant gedrag en conflicten die zich vooral afspelen tussen individu en de
maatschappij zijn GEEN psychische stoornissen, tenzij de deviantie of het conflict een gevolg
is van disfunctioneren van het individu.
,2
In de DSM staan de afspraken over hoe een psychische stoornis gedefinieerd wordt door kenmerken
te omschrijven. Deze symptomen zijn observeerbare gedragskenmerken of innerlijke kenmerken die
door de persoon zelf kenbaar zijn gemaakt in een gesprek met de hulpverlener.
- De symptomen zijn een beschrijving van de stoornis geen verklaring.
Behalve kenmerken vermeld de DSM ook: aantal, duur en impact van symptomen.
- Het minimumaantal symptomen wordt vastgesteld.
- Dit zegt iets over de mate van ernst.
- Twee personen die dezelfde stoornis hebben, kunnen andere symptomen hebben.
- Een stoornis moet het functioneren van een individu negatief beperken.
- Geen beperking = geen stoornis.
DSM = categorische benadering. De klachten zijn in te delen in duidelijk onderscheiden categorieën
van stoornissen. Alles of niets benadering: of je hebt de stoornis of niet.
- Er wordt bij DSM 5 onderscheidt gemaakt tussen een lichte, matige of ernstige stoornis.
- Hoe meer symptomen hoe erger de stoornis.
- Kan zeldzame stoornissen goed opsporen.
Comorbiditeit: meerdere stoornissen tegelijkertijd.
- Bij kinderen is het extra moeilijk om probleemgedrag eenduidig te classificeren.
- Door ontwikkeling.
Dimensionale benadering: men wilt een bepaald kenmerk meten, en daar een cijfer aan verbinden.
- Sluit beter aan bij praktijk.
- Veranderingen binnen stoornis (door leeftijd etc.) kunnen in kaart worden gebracht.
- Geen harde criteria voor psychische stoornis.
- Vragenlijsten zijn ontwikkeld om door ouders, leerkracht en het kind ingevuld te worden.
Child Behavior Checklist: vragenlijsten ontwikkeld voor dimensionale classificatiesystemen. Er zijn
aparte normen voor elke leeftijdscategorie en op basis van gender.
- Genormeerde vragenlijsten voor elk land verschillend.
Diagnostiek: behalve gedragskenmerken wordt ook vastgesteld of een kind lijdt onder de problemen,
behoefte heeft aan hulp en optimaal functioneert.
- Hoe is deze stoornis ontstaan?
- Wordt beantwoord met behulp van diagnostiek.
- Op individueel niveau antwoord geven.
- Voorwaardelijk voor een goede hulpverlening, gericht op het individu en het gezin.
Diagnose: een aanzet tot het verklaren en begrijpen van wat de hulpverlener waarneemt bij een kind.
Er wordt gebruik gemaakt van wetenschappelijke inzichten.
Drie waarom vragen:
1. Waarom heeft het kind deze klachten op dit moment gekregen?
2. Waarom heeft het kind juist deze problemen met deze klachten ontwikkeld?
3. Waarom heeft het kind psychische problemen? Zijn er meer leden van het gezin die
psychische problemen hebben?
Bij het ontstaan van probleem gedrag spelen meerdere factoren een rol er wordt onderscheidt
gemaakt tussen risico- en beschermende factoren. Deze factoren kunnen voorkomen op het niveau
van het kind, het niveau van het gezin en het niveau van de sociale omgeving.
,3
Gezinsonderzoek: wordt gebruikt om vast te stellen of er interactie is tussen gezinsfunctioneren en
problematiek bij het kind. Het is ook van belang om de sterke kanten van het gezinsfunctioneren te
bepalen wordt gedaan door gezinsinterview of door vragenlijsten.
Diagnostische methoden en instrumenten:
Diagnostisch gesprek: het luisteren, het stellen van vragen en het observeren. Tijdens een gesprek
luistert een hulpverlener en stelt hij gerichte vragen om zo het verhaal te nuanceren. Daarnaast
observeert de hulpverlener tijdens het gesprek, dit verschaft informatie over de toestand van de
hulpvrager.
Met het diagnostisch gesprek zet de hulpverlener het proces in gang. Tijdens het eerste gesprek
wordt meestal een anamnese afgenomen het deel van het gesprek waarin de voorgeschiedenis
van een stoornis in beeld wordt gebracht. Het wordt gebaseerd op de mededelingen van het kind en
belangrijke anderen.
Verschillende soorten anamnese:
- Klacht- of probleemanamnese: geschiedenis van het probleem.
- Gezinsanamnese: aandacht voor het systeem.
- Autoanamnese of zelfanamnese: klachtgeschiedenis die de persoon zelf toelicht.
- Heteroanamnese: gebaseerd op informatie van anderen.
Diagnostisch interview: vervolg van diagnostisch gesprek. Heeft als doel om informatie te verzamelen
op een uniforme en duidelijk omschreven wijze. Er wordt veel gebruik gemaakt van de DISC is
ontwikkeld om tot een DSM classificatie te komen.
Hulpverlener: empathie, acceptatie en zelfkennis.
Observeren: opzettelijk, doelgericht en systematisch waarnemen. Kunnen aanvullingen geven op
eerder gestelde classificatie.
Participerende observatie: hulpverlener observeert de hulpvrager tijdens zijn andere taken.
Psychodiagnostisch onderzoek: maakt gebruik van vragenlijsten, testen en beoordelingsschalen.
- Functietesten: meten een bepaalde functie van het kind concentratie.
- Zelf invullijsten: vragenlijsten waarmee problematiek of psychisch kenmerk gemeten wordt.
- Projectieve testen: het aanbieden van onduidelijke stimuli, waarbij van het kind gevraagd
wordt te vertellen wat dit moet voorstellen vlekkentest.
Lichamelijk onderzoek: mag alleen door een arts verricht worden. Dit wordt vooral gedaan bij
patiënten die zijn opgenomen in de psychiatrie.
Classificatie. Diagnostiek.
Wat? Hoe?
Algemene kennis. Specifieke kennis.
Beschrijvend. Verklarend.
, 4
Betreft groepen. Betreft een individu.
Gedragskenmerken. Zijn meerdere niveaus van de persoon en
context bij betrokken.
Relatief snel te stellen. Tijdrovend proces.
Geeft enige richting aan hulpverlening. Is voorwaardekijk voor goede hulpverlening.
Classificeren en diagnosticeren zijn beide een vorm van onderzoek doen. Betrouwbaarheid en
validiteit zijn dus van belang.
Betrouwbaarheid: nauwkeurigheid. Bestaat uit:
- Overeenstemming: overeenkomst tussen de oordelen van verschillende onderzoekers
interbeoordelaarsbetrouwbaarheid.
- Standvastigheid: stabiel blijven van een uitspraak na het verstrijken van tijd test-hertest-
betrouwbaarheid.
- Ook betrouwbaarheid van informant is van belang. Er kunnen verschillende verhalen en
interpretaties zijn. Dt kan bijdragen aan een beter zicht op het kind.
Validiteit: interpretatie van metingen. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke
kernmerken van de hulpvrager, zijn ontwikkelingsfase en zijn culturele achtergrond.
Een hulpverlener die werkt met kinderen met psychische problemen moet interpreteren, beslissingen
nemen, en deze beslissing weer evalueren. Hij gebruikt kennis over wat we gezien de leeftijd van een
kind ‘normaal’ gedrag vinden. Deze kennis wordt binnen epidemiologisch onderzoek verzameld.
Epidemiologisch onderzoek: men is geïnteresseerd in het vaststellen van factoren die problematiek
bij kinderen beïnvloeden.
- Hoeveel kinderen hebben deze problemen?
- Vaststellen van factoren die problematiek van kinderen beïnvloeden.
Prevalentie: weergeeft het percentage van een groep binnen de populatie die een bepaalde stoornis
heeft op een bepaald moment in de tijd.
Life-time prevalentie. Het percentage kinderen dat ooit in hun leven
een bepaalde stoornis heeft gehad.
Jaarprevalentie. Het percentage kinderen dat het afgelopen jaar
een stoornis heeft gehad.
Maandprevalentie. Het percentage kinderen dat de afgelopen
maand een stoornis heeft gehad.
Puntprevalentie. Het percentage kinderen dat op een bepaald
moment een stoornis heeft.
Indicatie: het aantal nieuwe ziektegevallen in een bepaalde periode.
Literatuur Week 1.
Hoofdstuk 2: classificatie, diagnostiek en epidemiologie.
Classificatiesystemen: systematische beschrijvingen van gedrag op basis van door wetenschappers
onderscheiden gedragskenmerken, met als doel om gedrag in te delen.
- Iets herkennen, en er de juiste naam aan geven indelen in categorie.
- Wat is dit?
Om te classificeren moeten we waarnemen, maar ook onderscheid kunnen maken tussen
categorieën waarin we de waarnemingsresultaten indelen. Dit wordt gedaan op basis van kennis,
deze kennis is gebonden aan de persoon, tijd en cultuur.
We delen onze waarnemingen in, omdat we behoefte hebben aan vereenvoudiging. Als er geen
classificatie is, is het onmogelijk om een naam te geven aan een verschijnsel. Classificatie biedt de
mogelijkheid tot ordering het leidt tot een beter begrip van wat verschillend en wat hetzelfde is.
Differentiaaldiagnose: het systematisch na lopen welke stoornis het meest waarschijnlijk is.
Door classificatie verwerven we kennis over psychische stoornissen. Dit is algemene kennis het
gaat over een groep. Een hulpverlener weet op basis van kennis welke methoden van hulpverlening
zinvol kunnen zijn.
Het vaststellen van een psychische stoornis is altijd een interpretatie.
DSM: diagnostic and statistical manual of mental disorders.
Emil Kraeplin: grondlegger van de moderne classificatiesystematiek.
- Hadden vooral een medische en lichamelijke oriëntatie.
Neurose: minder ernstige stoornissen beschreven in DSM 1.
DSM 3: men koos ervoor om enkel van waarneembare kenmerken uit te gaan atheoretisch. Het
verwerven van informatie door middel van observatie staat centraal. Dit vergroot betrouwbaarheid.
DSM 5: gebaseerd op afspraken die specialisten maken voor elke groep stoornissen. Het leidt ertoe
dat alle deskundige over de wereld ‘dezelfde taal’ kunnen spreken.
- De afspraken zijn niet altijd wetenschappelijk onderbouwd, en staan daarom ter discussie.
Definitie van psychische stoornis volgens DSM 5:
1. Een psychische stoornis is een syndroom, gekenmerkt door klinische significantie symptomen
op het gebied van de cognitieve functies, de emotieregulatie of het gedrag van een persoon.
Dat een uiting is van een disfunctie in psychologische, biologische of ontwikkelingsprocessen
die ten grondslag liggen aan het psychisch functioneren op sociaal of beroepsmatig gebied of
bij andere belangrijke bezigheden.
2. Een reactie op een veelvoorkomende stressor of verlies die te verwachten valt en cultureel
geaccepteerd wordt is GEEN psychische stoornis.
3. Sociaal deviant gedrag en conflicten die zich vooral afspelen tussen individu en de
maatschappij zijn GEEN psychische stoornissen, tenzij de deviantie of het conflict een gevolg
is van disfunctioneren van het individu.
,2
In de DSM staan de afspraken over hoe een psychische stoornis gedefinieerd wordt door kenmerken
te omschrijven. Deze symptomen zijn observeerbare gedragskenmerken of innerlijke kenmerken die
door de persoon zelf kenbaar zijn gemaakt in een gesprek met de hulpverlener.
- De symptomen zijn een beschrijving van de stoornis geen verklaring.
Behalve kenmerken vermeld de DSM ook: aantal, duur en impact van symptomen.
- Het minimumaantal symptomen wordt vastgesteld.
- Dit zegt iets over de mate van ernst.
- Twee personen die dezelfde stoornis hebben, kunnen andere symptomen hebben.
- Een stoornis moet het functioneren van een individu negatief beperken.
- Geen beperking = geen stoornis.
DSM = categorische benadering. De klachten zijn in te delen in duidelijk onderscheiden categorieën
van stoornissen. Alles of niets benadering: of je hebt de stoornis of niet.
- Er wordt bij DSM 5 onderscheidt gemaakt tussen een lichte, matige of ernstige stoornis.
- Hoe meer symptomen hoe erger de stoornis.
- Kan zeldzame stoornissen goed opsporen.
Comorbiditeit: meerdere stoornissen tegelijkertijd.
- Bij kinderen is het extra moeilijk om probleemgedrag eenduidig te classificeren.
- Door ontwikkeling.
Dimensionale benadering: men wilt een bepaald kenmerk meten, en daar een cijfer aan verbinden.
- Sluit beter aan bij praktijk.
- Veranderingen binnen stoornis (door leeftijd etc.) kunnen in kaart worden gebracht.
- Geen harde criteria voor psychische stoornis.
- Vragenlijsten zijn ontwikkeld om door ouders, leerkracht en het kind ingevuld te worden.
Child Behavior Checklist: vragenlijsten ontwikkeld voor dimensionale classificatiesystemen. Er zijn
aparte normen voor elke leeftijdscategorie en op basis van gender.
- Genormeerde vragenlijsten voor elk land verschillend.
Diagnostiek: behalve gedragskenmerken wordt ook vastgesteld of een kind lijdt onder de problemen,
behoefte heeft aan hulp en optimaal functioneert.
- Hoe is deze stoornis ontstaan?
- Wordt beantwoord met behulp van diagnostiek.
- Op individueel niveau antwoord geven.
- Voorwaardelijk voor een goede hulpverlening, gericht op het individu en het gezin.
Diagnose: een aanzet tot het verklaren en begrijpen van wat de hulpverlener waarneemt bij een kind.
Er wordt gebruik gemaakt van wetenschappelijke inzichten.
Drie waarom vragen:
1. Waarom heeft het kind deze klachten op dit moment gekregen?
2. Waarom heeft het kind juist deze problemen met deze klachten ontwikkeld?
3. Waarom heeft het kind psychische problemen? Zijn er meer leden van het gezin die
psychische problemen hebben?
Bij het ontstaan van probleem gedrag spelen meerdere factoren een rol er wordt onderscheidt
gemaakt tussen risico- en beschermende factoren. Deze factoren kunnen voorkomen op het niveau
van het kind, het niveau van het gezin en het niveau van de sociale omgeving.
,3
Gezinsonderzoek: wordt gebruikt om vast te stellen of er interactie is tussen gezinsfunctioneren en
problematiek bij het kind. Het is ook van belang om de sterke kanten van het gezinsfunctioneren te
bepalen wordt gedaan door gezinsinterview of door vragenlijsten.
Diagnostische methoden en instrumenten:
Diagnostisch gesprek: het luisteren, het stellen van vragen en het observeren. Tijdens een gesprek
luistert een hulpverlener en stelt hij gerichte vragen om zo het verhaal te nuanceren. Daarnaast
observeert de hulpverlener tijdens het gesprek, dit verschaft informatie over de toestand van de
hulpvrager.
Met het diagnostisch gesprek zet de hulpverlener het proces in gang. Tijdens het eerste gesprek
wordt meestal een anamnese afgenomen het deel van het gesprek waarin de voorgeschiedenis
van een stoornis in beeld wordt gebracht. Het wordt gebaseerd op de mededelingen van het kind en
belangrijke anderen.
Verschillende soorten anamnese:
- Klacht- of probleemanamnese: geschiedenis van het probleem.
- Gezinsanamnese: aandacht voor het systeem.
- Autoanamnese of zelfanamnese: klachtgeschiedenis die de persoon zelf toelicht.
- Heteroanamnese: gebaseerd op informatie van anderen.
Diagnostisch interview: vervolg van diagnostisch gesprek. Heeft als doel om informatie te verzamelen
op een uniforme en duidelijk omschreven wijze. Er wordt veel gebruik gemaakt van de DISC is
ontwikkeld om tot een DSM classificatie te komen.
Hulpverlener: empathie, acceptatie en zelfkennis.
Observeren: opzettelijk, doelgericht en systematisch waarnemen. Kunnen aanvullingen geven op
eerder gestelde classificatie.
Participerende observatie: hulpverlener observeert de hulpvrager tijdens zijn andere taken.
Psychodiagnostisch onderzoek: maakt gebruik van vragenlijsten, testen en beoordelingsschalen.
- Functietesten: meten een bepaalde functie van het kind concentratie.
- Zelf invullijsten: vragenlijsten waarmee problematiek of psychisch kenmerk gemeten wordt.
- Projectieve testen: het aanbieden van onduidelijke stimuli, waarbij van het kind gevraagd
wordt te vertellen wat dit moet voorstellen vlekkentest.
Lichamelijk onderzoek: mag alleen door een arts verricht worden. Dit wordt vooral gedaan bij
patiënten die zijn opgenomen in de psychiatrie.
Classificatie. Diagnostiek.
Wat? Hoe?
Algemene kennis. Specifieke kennis.
Beschrijvend. Verklarend.
, 4
Betreft groepen. Betreft een individu.
Gedragskenmerken. Zijn meerdere niveaus van de persoon en
context bij betrokken.
Relatief snel te stellen. Tijdrovend proces.
Geeft enige richting aan hulpverlening. Is voorwaardekijk voor goede hulpverlening.
Classificeren en diagnosticeren zijn beide een vorm van onderzoek doen. Betrouwbaarheid en
validiteit zijn dus van belang.
Betrouwbaarheid: nauwkeurigheid. Bestaat uit:
- Overeenstemming: overeenkomst tussen de oordelen van verschillende onderzoekers
interbeoordelaarsbetrouwbaarheid.
- Standvastigheid: stabiel blijven van een uitspraak na het verstrijken van tijd test-hertest-
betrouwbaarheid.
- Ook betrouwbaarheid van informant is van belang. Er kunnen verschillende verhalen en
interpretaties zijn. Dt kan bijdragen aan een beter zicht op het kind.
Validiteit: interpretatie van metingen. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke
kernmerken van de hulpvrager, zijn ontwikkelingsfase en zijn culturele achtergrond.
Een hulpverlener die werkt met kinderen met psychische problemen moet interpreteren, beslissingen
nemen, en deze beslissing weer evalueren. Hij gebruikt kennis over wat we gezien de leeftijd van een
kind ‘normaal’ gedrag vinden. Deze kennis wordt binnen epidemiologisch onderzoek verzameld.
Epidemiologisch onderzoek: men is geïnteresseerd in het vaststellen van factoren die problematiek
bij kinderen beïnvloeden.
- Hoeveel kinderen hebben deze problemen?
- Vaststellen van factoren die problematiek van kinderen beïnvloeden.
Prevalentie: weergeeft het percentage van een groep binnen de populatie die een bepaalde stoornis
heeft op een bepaald moment in de tijd.
Life-time prevalentie. Het percentage kinderen dat ooit in hun leven
een bepaalde stoornis heeft gehad.
Jaarprevalentie. Het percentage kinderen dat het afgelopen jaar
een stoornis heeft gehad.
Maandprevalentie. Het percentage kinderen dat de afgelopen
maand een stoornis heeft gehad.
Puntprevalentie. Het percentage kinderen dat op een bepaald
moment een stoornis heeft.
Indicatie: het aantal nieuwe ziektegevallen in een bepaalde periode.