Begeleiding en samenwerking in de
orthopedagogiek
Inhoud
College 1: Inleiding – pedagogische attitude............................................................. 2
College 2: Onderwijs I ............................................................................................. 7
College 3: Onderwijs II .......................................................................................... 14
College 4: Jeugdhulp en Jeugdbescherming ........................................................... 18
College 5: Jeugdhulp en jeugdbescherming: interventies en effectiviteit ................. 25
College 7: Contextuele begeleiding: groepsbegeleiding, gedragsdeskundige taken en
de bredere context................................................................................................. 44
,College 1: Inleiding – pedagogische attitude
Begeleiding en samenwerking De aankomende colleges gaan o.a. over:
• Met wie werk je allemaal samen in de jeugdzorg, jeugdbescherming en in de schoolcontext?
• Welke inhoudelijke en beroepsethische kaders zijn voor mij belangrijk en waar vind ik die?
• Hoe kies en vind ik de juiste behandelvorm?
• Hoe werkt een multidisciplinair overleg en hoe positioneer ik mijzelf?
Wat zijn de taken van de orthopedagoog? (vanuit het boek en de NVO beroepscode)
In de beroepscode staat heel duidelijk en gestructureerd wat het beroep inhoudt. O.a.:
1. Je handelen en beslissingen beroepsethisch bepalen en verantwoorden
2. De beroepscode geeft steun wanneer er eisen of voorwaarden worden gesteld die op
gespannen voet staan met de kwaliteit die de pedagoog wil bieden
3. Norm waaraan het NVO College van Toezicht en NVO College van Beroep het handelen
van pedagogen toetst als er een klacht wordt ingediend
Een paar belangrijke termen uit de beroepscode:
Verantwoordelijkheid Bevoegdheid Bekwaamheid
• Zelf verantwoordelijk “Bevoegdheid van “Een professional
voor je eigen handelen medische beschikt over voldoende
(ook zonder supervisie > beroepsbeoefenaren om kennis en kunde om
zelf verantwoordelijk) voorbehouden werkzaamheden in een
• Aanspreekbaar op handelingen te verrichten concrete situatie
professionele autonomie en/of daartoe opdracht te adequaat uit te kunnen
(ook tuchtrechtelijk) geven.” voeren.” (wat adequaat is,
• Ook in samenwerking blijf je zelf afvragen en
met andere professionals overleggen met collega’s)
Bijvoorbeeld: een
• Hangt samen met • Handel altijd binnen de
verwijzing opstellen, de
functie en taken grenzen van je
eindregie op een
• Als je iets ondertekent, bekwaamheid
diagnostiekbrief of
ben je verantwoordelijk • Aantonen in
afgeven
voor de inhoud kwaliteitsregisters via
instemmingsverklaring
• In opleiding → (her)registratie
gesloten jeugdzorg
afhankelijk van ervaring
Voorbeeldcasussen/oefeningen
Casus 1: Je hebt een intake met een cliënt van 15 die mogelijk selectief mutisme heeft. In de
anamnese blijkt dat er sprake is van trauma, terwijl jij weinig ervaring hebt met trauma. Wat
is professioneel handelen?
a. Beoordelen of je zelf deskundig en bekwaam genoeg bent om deze client te blijven
onderzoeken en behandelen. Zo niet dat doorverwijzen naar iemand anders in het team
of een andere organisatie.
b. De hulpvraag van de cliënt staat altijd voorop, dus je moet het trauma links laten liggen
en focussen op selectief mutisme.
c. Je hebt onvoldoende ervaring met trauma, dus je verwijst de cliënt per direct door.
d. Je vraagt het trauma goed uit, om er een beter beeld van te krijgen, en gaat door met het
onderzoek en de behandeling
, Casus 2: Je ontdekt dat de ouder van een cliënt de ex is van je partner. Wat doe je?
a. Je licht de cliënt in van de situatie en zet de professionele relatie daarna pas voort.
b. Je licht de cliënt in van de situatie en stelt voor door te verwijzen naar een collega.
c. Je gaat door zonder iets te zeggen, anders maak je het alleen maar ongemakkelijk.
d. Je wordt boos op je partner dat ze je nooit hebben verteld over deze ex
Casus 3 – Verslag over zusje van cliënt (Art 38)
Je schrijft het advies voor een cliënt, waar veel systemisch speelt. Je heb een
gezinsobservatie gedaan en gezien dat het zusje van de cliënt veel tekenen van ASS vertoont.
Je acht het van belang voor het welzijn van het zusje en de cliënt dat zij ook hulp krijgt en
schrijft dit op in het advies. Heeft de professional hier juist gehandeld? (Art 38)
a. Ja, het is belangrijk dat elk kind de juiste hulp krijgt en dit kind is lid van het
cliëntensysteem, waardoor dit gerapporteerd mag worden.
b. Ja, in het geval dat dit advies van belang wordt geacht voor de cliënt, moet dit vermeld
worden.
c. Nee, in het dossier van de cliënt wordt geen advies gegeven over leden uit het cliëntsysteem,
tenzij in belang van de cliënt wordt geacht en dan moet er nadrukkelijk toestemming worden
gevraagd
d. Nee, het zusje moet om toestemming gevraagd worden
Goede antwoorden: casus 1 = a, casus 2 = b casus 3 = c
De taak van de orthopedagoog volgens het boek
De orthopedagoog wordt als ‘Opvoed- en gedragsdeskundige’ aangewezen. Je taak is alle
bevindingen van jezelf en andere specialisten coördineren en vertalen naar de specifieke
opvoedingssituatie van het kind. Dit verwerk je om ervoor te zorgen dat er herstel van het
gewone leven komt (je wilt dat het kind zo een “gewoon”/fijn mogelijk leven lijkt). Je hebt
ook de taak om tegemoet te komen aan de basisbehoeften van ieder mens: relatie,
competentie, autonomie, echtheid en betekenisvolheid. Dit is ten opzichte van de client maar
ook de ouders, leerkrachten, etc. en altijd afgestemd op de ontwikkelingsfase.
De positieve grondhouding houdt o.a. in:
o Je krijgt pas respect/komt tot een relatie als je de ander respecteert en oprechte interesse
toont.
o Je ziet de kinderen en ouders als deskundigen. De ouders kennen hun kind het beste. Het
is voor veel clienten veel fijner als je naast ze gaat staan ipv tegenover.
o Geef zelf het goede voorbeeld: Jij bent ook maar een mens, fouten maken mag en kun je
herstellen, emoties en wrijving zijn normaal en bespreekbaar, conflicten kun je uitpraten,
'Agree to disagree' is oké, kom op tijd, houd je aan regels.
o Belangrijk: kijk achter het gedrag:
o Moeilijk gedrag = beste optie op dat moment
o Manier om gevoelens te uiten
o Vaak onmacht, geen onwil
Bijv. een kind luistert niet en de ouders komen bij je. Het kind wil
wel luisteren maar kan dat niet. Het moeilijke gedrag is de beste
optie op dat moment. Een communicatiemiddel om hun gevoelens te
uiten. Het is niet uit onwil maar onmacht.
, Wat is belangrijk voor een goede instructie? (groeps- en klassenmanagement)
o Herhaal, bij kinderen vaker dan je nodig denkt.
o Houd het zo kort mogelijk
o Help met tijdsplanning (bijv. timer, structuur
aanbrengen)
o Maak het toepasbaar → intrinsieke motivatie
o Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky)
o Maak voorspelbaar
o Maak het visueel
o Maslow’s pyramide: als je niet voorziet in de
basisbehoeften, kan je sowieso niet tot leren komen.
(bijv. als een kind niet heeft ontbeten, kan je sowieso
niet verder komen). > check dus altijd eerst in “heb je
goed gegeten? Heb je goed geslapen?”
Wat is belangrijk in de relatie en interactie?
o Vertrouwensband en oprechte interesse, onvoorwaardelijke acceptatie (van je clienten en
collega’s)
o Oog voor positieve kanten
o Duidelijke communicatie over wat jij zelf ziet en voelt
o Growth vs fixed mindset (focussen op het proces ipv resultaat)
o Toegeven verlegt grenzen (heel lief zijn is goed voor de relatie maar verlegt ook grenzen.
Lief zijn is dus goed m)
o Liever vragen dan vertellen: “Klopt het dat…”, ”Sommige jongeren… hoe zit dat bij jou?”, “Ik
zie dat je… klopt dat?”, “Ik zou me … voelen als ik dat zou meemaken. Hoe is dat voor jou?”
o Non-verbaal contact
Welke overstijgende vaardigheden (meso-/macroniveau) zijn belangrijk?
o Meerzijdige partijdigheid (je bent er voor het kind maar de betrokkenen van alle
betrokkenen zijn belangrijk. Niemand mag zich niet gehoord voelen en je bent er niet om
te bepalen “wie er gelijk heeft”)
o Werksfeer en teamgeest ‘leren van elkaar’
o Goed taalbeleid (cliënten de taal niet goed begrijpen > bijv. visuele ondersteuning, tolk)
Begeleiding in het algemeen: de basisvoorwaarden
EERST is belangrijk: de basisbehoeften: Is het gewone, alledaagse wel in orde? (de
basisbehoeften, de pyramide van Maslow). En is er minstens 1
vertrouwenspersoon/hechtingsfiguur: is er iemand helemaal voor dit kind?
DAARNA kan je pas kijken naar…
o Waar zit bij dit kind het tekort aan eigen sturend, probleemoplossend vermogen?
o Waar komt dat door? (bijv. negatieve invloeden van buitenaf,
informatieverwerkingsproblemen etc.)
o Aanleg, omgeving of de wisselwerking tussen beide? (dit is bijna altijd het geval)
o Vaak vanuit diagnostiek (deels) bekend
orthopedagogiek
Inhoud
College 1: Inleiding – pedagogische attitude............................................................. 2
College 2: Onderwijs I ............................................................................................. 7
College 3: Onderwijs II .......................................................................................... 14
College 4: Jeugdhulp en Jeugdbescherming ........................................................... 18
College 5: Jeugdhulp en jeugdbescherming: interventies en effectiviteit ................. 25
College 7: Contextuele begeleiding: groepsbegeleiding, gedragsdeskundige taken en
de bredere context................................................................................................. 44
,College 1: Inleiding – pedagogische attitude
Begeleiding en samenwerking De aankomende colleges gaan o.a. over:
• Met wie werk je allemaal samen in de jeugdzorg, jeugdbescherming en in de schoolcontext?
• Welke inhoudelijke en beroepsethische kaders zijn voor mij belangrijk en waar vind ik die?
• Hoe kies en vind ik de juiste behandelvorm?
• Hoe werkt een multidisciplinair overleg en hoe positioneer ik mijzelf?
Wat zijn de taken van de orthopedagoog? (vanuit het boek en de NVO beroepscode)
In de beroepscode staat heel duidelijk en gestructureerd wat het beroep inhoudt. O.a.:
1. Je handelen en beslissingen beroepsethisch bepalen en verantwoorden
2. De beroepscode geeft steun wanneer er eisen of voorwaarden worden gesteld die op
gespannen voet staan met de kwaliteit die de pedagoog wil bieden
3. Norm waaraan het NVO College van Toezicht en NVO College van Beroep het handelen
van pedagogen toetst als er een klacht wordt ingediend
Een paar belangrijke termen uit de beroepscode:
Verantwoordelijkheid Bevoegdheid Bekwaamheid
• Zelf verantwoordelijk “Bevoegdheid van “Een professional
voor je eigen handelen medische beschikt over voldoende
(ook zonder supervisie > beroepsbeoefenaren om kennis en kunde om
zelf verantwoordelijk) voorbehouden werkzaamheden in een
• Aanspreekbaar op handelingen te verrichten concrete situatie
professionele autonomie en/of daartoe opdracht te adequaat uit te kunnen
(ook tuchtrechtelijk) geven.” voeren.” (wat adequaat is,
• Ook in samenwerking blijf je zelf afvragen en
met andere professionals overleggen met collega’s)
Bijvoorbeeld: een
• Hangt samen met • Handel altijd binnen de
verwijzing opstellen, de
functie en taken grenzen van je
eindregie op een
• Als je iets ondertekent, bekwaamheid
diagnostiekbrief of
ben je verantwoordelijk • Aantonen in
afgeven
voor de inhoud kwaliteitsregisters via
instemmingsverklaring
• In opleiding → (her)registratie
gesloten jeugdzorg
afhankelijk van ervaring
Voorbeeldcasussen/oefeningen
Casus 1: Je hebt een intake met een cliënt van 15 die mogelijk selectief mutisme heeft. In de
anamnese blijkt dat er sprake is van trauma, terwijl jij weinig ervaring hebt met trauma. Wat
is professioneel handelen?
a. Beoordelen of je zelf deskundig en bekwaam genoeg bent om deze client te blijven
onderzoeken en behandelen. Zo niet dat doorverwijzen naar iemand anders in het team
of een andere organisatie.
b. De hulpvraag van de cliënt staat altijd voorop, dus je moet het trauma links laten liggen
en focussen op selectief mutisme.
c. Je hebt onvoldoende ervaring met trauma, dus je verwijst de cliënt per direct door.
d. Je vraagt het trauma goed uit, om er een beter beeld van te krijgen, en gaat door met het
onderzoek en de behandeling
, Casus 2: Je ontdekt dat de ouder van een cliënt de ex is van je partner. Wat doe je?
a. Je licht de cliënt in van de situatie en zet de professionele relatie daarna pas voort.
b. Je licht de cliënt in van de situatie en stelt voor door te verwijzen naar een collega.
c. Je gaat door zonder iets te zeggen, anders maak je het alleen maar ongemakkelijk.
d. Je wordt boos op je partner dat ze je nooit hebben verteld over deze ex
Casus 3 – Verslag over zusje van cliënt (Art 38)
Je schrijft het advies voor een cliënt, waar veel systemisch speelt. Je heb een
gezinsobservatie gedaan en gezien dat het zusje van de cliënt veel tekenen van ASS vertoont.
Je acht het van belang voor het welzijn van het zusje en de cliënt dat zij ook hulp krijgt en
schrijft dit op in het advies. Heeft de professional hier juist gehandeld? (Art 38)
a. Ja, het is belangrijk dat elk kind de juiste hulp krijgt en dit kind is lid van het
cliëntensysteem, waardoor dit gerapporteerd mag worden.
b. Ja, in het geval dat dit advies van belang wordt geacht voor de cliënt, moet dit vermeld
worden.
c. Nee, in het dossier van de cliënt wordt geen advies gegeven over leden uit het cliëntsysteem,
tenzij in belang van de cliënt wordt geacht en dan moet er nadrukkelijk toestemming worden
gevraagd
d. Nee, het zusje moet om toestemming gevraagd worden
Goede antwoorden: casus 1 = a, casus 2 = b casus 3 = c
De taak van de orthopedagoog volgens het boek
De orthopedagoog wordt als ‘Opvoed- en gedragsdeskundige’ aangewezen. Je taak is alle
bevindingen van jezelf en andere specialisten coördineren en vertalen naar de specifieke
opvoedingssituatie van het kind. Dit verwerk je om ervoor te zorgen dat er herstel van het
gewone leven komt (je wilt dat het kind zo een “gewoon”/fijn mogelijk leven lijkt). Je hebt
ook de taak om tegemoet te komen aan de basisbehoeften van ieder mens: relatie,
competentie, autonomie, echtheid en betekenisvolheid. Dit is ten opzichte van de client maar
ook de ouders, leerkrachten, etc. en altijd afgestemd op de ontwikkelingsfase.
De positieve grondhouding houdt o.a. in:
o Je krijgt pas respect/komt tot een relatie als je de ander respecteert en oprechte interesse
toont.
o Je ziet de kinderen en ouders als deskundigen. De ouders kennen hun kind het beste. Het
is voor veel clienten veel fijner als je naast ze gaat staan ipv tegenover.
o Geef zelf het goede voorbeeld: Jij bent ook maar een mens, fouten maken mag en kun je
herstellen, emoties en wrijving zijn normaal en bespreekbaar, conflicten kun je uitpraten,
'Agree to disagree' is oké, kom op tijd, houd je aan regels.
o Belangrijk: kijk achter het gedrag:
o Moeilijk gedrag = beste optie op dat moment
o Manier om gevoelens te uiten
o Vaak onmacht, geen onwil
Bijv. een kind luistert niet en de ouders komen bij je. Het kind wil
wel luisteren maar kan dat niet. Het moeilijke gedrag is de beste
optie op dat moment. Een communicatiemiddel om hun gevoelens te
uiten. Het is niet uit onwil maar onmacht.
, Wat is belangrijk voor een goede instructie? (groeps- en klassenmanagement)
o Herhaal, bij kinderen vaker dan je nodig denkt.
o Houd het zo kort mogelijk
o Help met tijdsplanning (bijv. timer, structuur
aanbrengen)
o Maak het toepasbaar → intrinsieke motivatie
o Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky)
o Maak voorspelbaar
o Maak het visueel
o Maslow’s pyramide: als je niet voorziet in de
basisbehoeften, kan je sowieso niet tot leren komen.
(bijv. als een kind niet heeft ontbeten, kan je sowieso
niet verder komen). > check dus altijd eerst in “heb je
goed gegeten? Heb je goed geslapen?”
Wat is belangrijk in de relatie en interactie?
o Vertrouwensband en oprechte interesse, onvoorwaardelijke acceptatie (van je clienten en
collega’s)
o Oog voor positieve kanten
o Duidelijke communicatie over wat jij zelf ziet en voelt
o Growth vs fixed mindset (focussen op het proces ipv resultaat)
o Toegeven verlegt grenzen (heel lief zijn is goed voor de relatie maar verlegt ook grenzen.
Lief zijn is dus goed m)
o Liever vragen dan vertellen: “Klopt het dat…”, ”Sommige jongeren… hoe zit dat bij jou?”, “Ik
zie dat je… klopt dat?”, “Ik zou me … voelen als ik dat zou meemaken. Hoe is dat voor jou?”
o Non-verbaal contact
Welke overstijgende vaardigheden (meso-/macroniveau) zijn belangrijk?
o Meerzijdige partijdigheid (je bent er voor het kind maar de betrokkenen van alle
betrokkenen zijn belangrijk. Niemand mag zich niet gehoord voelen en je bent er niet om
te bepalen “wie er gelijk heeft”)
o Werksfeer en teamgeest ‘leren van elkaar’
o Goed taalbeleid (cliënten de taal niet goed begrijpen > bijv. visuele ondersteuning, tolk)
Begeleiding in het algemeen: de basisvoorwaarden
EERST is belangrijk: de basisbehoeften: Is het gewone, alledaagse wel in orde? (de
basisbehoeften, de pyramide van Maslow). En is er minstens 1
vertrouwenspersoon/hechtingsfiguur: is er iemand helemaal voor dit kind?
DAARNA kan je pas kijken naar…
o Waar zit bij dit kind het tekort aan eigen sturend, probleemoplossend vermogen?
o Waar komt dat door? (bijv. negatieve invloeden van buitenaf,
informatieverwerkingsproblemen etc.)
o Aanleg, omgeving of de wisselwerking tussen beide? (dit is bijna altijd het geval)
o Vaak vanuit diagnostiek (deels) bekend