PSYCHODIAGNOSTISCH WERKEN 2
Inhoudsopgave
WAT IS INTELLIGENTIE?..................................................................................2
INTELLIGENTIE IN DE NAÏEVE PSYCHOLOGISCHE THEORIE...............................................................2
WETENSCHAPPELIJKE AFBAKENING VAN HET BEGRIP.....................................................................2
GESCHIEDENIS VAN INTELLIGENTIE.................................................................4
PSYCHOMETRISCHE THEORIEËN EN INTELLIGENTIEMODELLEN..........................................................4
COGNITIEF-EXPERIMENTELE BENADERING...................................................................................8
ONTWIKKELING VAN CHC-MODEL..................................................................14
RAYMOND CATTELL............................................................................................................. 14
JOHN HORN....................................................................................................................... 16
JOHN CARROLL.................................................................................................................. 17
ACTUELE CHC-THEORIE....................................................................................................... 18
HET CHC-MODEL........................................................................................... 20
DOMEINONAFHANKELIJKE VAARDIGHEDEN................................................................................20
vloeiend redeneren (Gf)............................................................................................. 20
geheugen................................................................................................................... 21
cognitieve snelheid.................................................................................................... 22
VERWORVEN KENNIS........................................................................................................... 23
begrip en kennis (Gc)................................................................................................. 23
domeinspecifieke kennis (Gkn)..................................................................................24
lezen en schrijven (grw)............................................................................................. 24
kwantitatieve kennis (Gq).......................................................................................... 24
SENSOR-MOTORISCHE DOMEIN SPECIFIEKE VAARDIGHEDEN..........................................................24
sensorische domeinspecifieke vaardigheden.............................................................25
motorische domeinspecifieke vaaridgheden..............................................................26
MODEL IN BEWEGING.......................................................................................................... 26
BRONNEN VAN VERSCHILLEN IN INTELLIGENTIE.............................................28
NATURE VS. NURTURE.......................................................................................................... 28
INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING.......................................................................28
INTELLIGENTIE EN CULTUUR.................................................................................................. 29
STABILITEIT EN VERANDERING IN INTELLIGENTIE........................................................................30
ANDERE VORMEN VAN INTELLIGENTIE...........................................................31
EMOTIONELE EN SOCIALE INTELLIGENTIE..................................................................................31
CULTURELE INTELLIGENTIE.................................................................................................... 32
PRAKTISCHE INTELLIGENTIE – STERNBERG...............................................................................33
INTELLIGENTIETESTEN IN DE PRAKTIJK..........................................................34
INLEIDING......................................................................................................................... 34
OPBOUW WERKRELATIE........................................................................................................ 34
INSTRUMENTEN OM IQ TE METEN............................................................................................ 34
DOEL ONDERZOEK.............................................................................................................. 42
, CROSS-BATTERYBENADERING................................................................................................ 42
IQ?! WAT NU?.................................................................................................................. 42
WAT IS INTELLIGENTIE?
INTELLIGENTIE IN DE NAÏEVE PSYCHOLOGISCHE THEORIE
Veel verschillende opvattingen over intelligentie
- Stellingen die zowel waar als niet waar kunnen zijn
- Hangt van de mening af
- Vb. Intelligentie is aan te leren en met behulp van systematische
programma's of met slimme trucjes te verbeteren
- Vb. Intelligentie is een voordeel in het dagelijkse leven; het helpt je om
slimme oplossingen voor allerlei problemen te vinden.
Intelligentie in de volksmond
- Vb. slim, snel van begrip, knap…
Onderzoek van Sternberg (1975); ‘Wat denkt een leek over intelligentie?’
- Impliciete theorie over intelligentie
- Inschatting van intelligentie bij leken heeft hoge correlatie met
resultaten vanuit onderzoek
- Meer alledaagse intelligentie bij leken dan in wetenschap
Vb. probleem oplossen, plannen, praktische organisatie, huishouden…
- Breder en diffuser beeld van intelligentie door de wetenschap
o Ook alledaags functioneren in rekening gehouden
o Common sence idee van intelligentie
Taak van psychologie als wetenschap
- Vanuit veelheid aan opvattingen het begrip afbakenen
- Onderzoek en gegevens nodig om definitie te formuleren
- Wetenschappelijke opvatting verschillend van leken
o Zo zuiver mogelijk gedefinieerde en meetbare concepten
o Theorieën, hypothesen en verwachtingen over psychologische
verschijnselen worden getoetst
WETENSCHAPPELIJKE AFBAKENING VAN HET BEGRIP
Intelligentie in onderzoek afgebakend tot ‘academische’ intelligentie
Wat de test meet – Boring (1923)
- ‘Intelligentie is wat de test meet’
- Definitie is circulair
- Zeer veel gebruikt
- Eerder verwarrend dan helder, meer kwaad dan goed gedaan terug
naar vraag ‘Wat is intelligentie?’
, Verschillende definities van intelligentie door wetenschappers
- Veel verschillende en brede opvattingen over begrip
Niveaus van intelligentie – Philippe Vernon (1969)
- Ordening in begrippen die al bestaand waren
- Niveau A
o Aangeboren/ ligt vast in hersenen, studies en school veranderen
dit niet
o Cultuurafhankelijk en stabiel onveranderlijk
o Niet meetbaar, theoretisch veronderstelling
- Niveau B
o Genetische aanleg en omgevingsfactoren/leerervaringen hebben
grote invloed
o Afhankelijk door (niveau dat iemand toont in dagdagelijks leven,
intelligentie test)
Vb. opvoeding, leefomstandigheden voor en na geboorte,
onderwijs, levenservaringen
o Cultuurgebonden en veranderlijk
o Meetbaar in theorie, niet altijd even makkelijk
- Niveau C
o Wat een intelligentietest weldegelijk meet
o Om intelligentie B zo goed mogelijk vast te leggen
o Gemeten intelligentie van een persoon (IQ)
- Meest wetenschappelijke definities van intelligentie op niveau B en C
Niet 1 definitie, nog geen fatsoenlijke definitie aangezien zo breed
- Voorbeelden moderne definities:
o Nadruk op allerlei onderliggende verstandelijke cognitieve
processen en vaardigheden
o Belang van “metacognitie” (het meer of minder gericht sturen
van de eigen cognitieve processen en vermogens) &
“uitvoeringsprocessen”
40% in moderne definities aanwezig
10% in oude definities aanwezig
o Abstract redeneren
50% in moderne definities aanwezig
o Vermogen om probleem oplossend te denken
= vermogen om te leren
= aanpassen aan nieuwe taken en omstandigheden
Mogelijke definitie (niet kennen, principe begrijpen)
- “Intelligentie is een conglomeraat van verstandelijke vermogens,
processen en vaardigheden, zoals abstract, logisch en consistent
kunnen redeneren, relaties kunnen ontdekken, leggen en doorzien,
problemen oplossen, regels kunnen ontdekken in schijnbaar
ongeordend materiaal, met bestaande kennis nieuwe taken kunnen
, oplossen, zich flexibel aanpassen aan nieuwe situaties, in staat zijn
leervermogen te tonen zonder directe en onvolledige instructies.”
- Accent op denkprocessen en vermogen tot oplossen van problemen
- Best moeilijk onderwoorden te brengen en meervoudig
- Rede hoe intelligentie test werd opgebouwd
Belangrijke wetenschappelijke stromingen in psychologie
- Psychometristen
- Cognitief-psychologen
GESCHIEDENIS VAN INTELLIGENTIE
Al 100 jaar fenomeen intelligentie bestuderen
Veel verschillende soorten onderzoek en theorieën
PSYCHOMETRISCHE THEORIEËN EN INTELLIGENTIEMODELLEN
Eerste stroming: psychometrische theorieën rond intelligentie
- Gebaseerd op statistische analyses
- Uit statistisch onderzoek
o 1 factor intelligentie
o Meerdere factoren die samen intelligentie vormen
Theorie van Spearman
- Pionier op vlak van factoranalyse
- Bedenker van rangcorrelatiecoëfficiënt
- 1 van eerste onderzoekers: constructie van theoretische
intelligentiemodel
- Positieve correlaties tussen eenvoudige sensorische en motorische
proefjes en schoolse prestaties
o Mensen die op 1 taak goed scoorden scoren ook op andere taak
goed
- Intelligentie = ‘g’ / general intelligence
o Fundamentele activiteit die aan grondslag ligt van oplossen van
diverse test
o Factor die verschillende tests gemeenschappelijk meten, bepaald
door correlaties tussen testscores onderling
- G-factor = latente variabele die correlaties veroorzaakt tussen
verschillende maten van cognitieve vaardigheid
= gemeenschappelijke variantie tussen de diverse maten
van cognitieve vaardigheid
Single factor model of intelligence
- Specifieke factoren= S-factoren
o S= mentale activiteiten die specifiek voor 1 taak nodig zijn, rest
van variantie
o Voor elke taak is er een s-factor
Tweefactorentheorie
Inhoudsopgave
WAT IS INTELLIGENTIE?..................................................................................2
INTELLIGENTIE IN DE NAÏEVE PSYCHOLOGISCHE THEORIE...............................................................2
WETENSCHAPPELIJKE AFBAKENING VAN HET BEGRIP.....................................................................2
GESCHIEDENIS VAN INTELLIGENTIE.................................................................4
PSYCHOMETRISCHE THEORIEËN EN INTELLIGENTIEMODELLEN..........................................................4
COGNITIEF-EXPERIMENTELE BENADERING...................................................................................8
ONTWIKKELING VAN CHC-MODEL..................................................................14
RAYMOND CATTELL............................................................................................................. 14
JOHN HORN....................................................................................................................... 16
JOHN CARROLL.................................................................................................................. 17
ACTUELE CHC-THEORIE....................................................................................................... 18
HET CHC-MODEL........................................................................................... 20
DOMEINONAFHANKELIJKE VAARDIGHEDEN................................................................................20
vloeiend redeneren (Gf)............................................................................................. 20
geheugen................................................................................................................... 21
cognitieve snelheid.................................................................................................... 22
VERWORVEN KENNIS........................................................................................................... 23
begrip en kennis (Gc)................................................................................................. 23
domeinspecifieke kennis (Gkn)..................................................................................24
lezen en schrijven (grw)............................................................................................. 24
kwantitatieve kennis (Gq).......................................................................................... 24
SENSOR-MOTORISCHE DOMEIN SPECIFIEKE VAARDIGHEDEN..........................................................24
sensorische domeinspecifieke vaardigheden.............................................................25
motorische domeinspecifieke vaaridgheden..............................................................26
MODEL IN BEWEGING.......................................................................................................... 26
BRONNEN VAN VERSCHILLEN IN INTELLIGENTIE.............................................28
NATURE VS. NURTURE.......................................................................................................... 28
INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING.......................................................................28
INTELLIGENTIE EN CULTUUR.................................................................................................. 29
STABILITEIT EN VERANDERING IN INTELLIGENTIE........................................................................30
ANDERE VORMEN VAN INTELLIGENTIE...........................................................31
EMOTIONELE EN SOCIALE INTELLIGENTIE..................................................................................31
CULTURELE INTELLIGENTIE.................................................................................................... 32
PRAKTISCHE INTELLIGENTIE – STERNBERG...............................................................................33
INTELLIGENTIETESTEN IN DE PRAKTIJK..........................................................34
INLEIDING......................................................................................................................... 34
OPBOUW WERKRELATIE........................................................................................................ 34
INSTRUMENTEN OM IQ TE METEN............................................................................................ 34
DOEL ONDERZOEK.............................................................................................................. 42
, CROSS-BATTERYBENADERING................................................................................................ 42
IQ?! WAT NU?.................................................................................................................. 42
WAT IS INTELLIGENTIE?
INTELLIGENTIE IN DE NAÏEVE PSYCHOLOGISCHE THEORIE
Veel verschillende opvattingen over intelligentie
- Stellingen die zowel waar als niet waar kunnen zijn
- Hangt van de mening af
- Vb. Intelligentie is aan te leren en met behulp van systematische
programma's of met slimme trucjes te verbeteren
- Vb. Intelligentie is een voordeel in het dagelijkse leven; het helpt je om
slimme oplossingen voor allerlei problemen te vinden.
Intelligentie in de volksmond
- Vb. slim, snel van begrip, knap…
Onderzoek van Sternberg (1975); ‘Wat denkt een leek over intelligentie?’
- Impliciete theorie over intelligentie
- Inschatting van intelligentie bij leken heeft hoge correlatie met
resultaten vanuit onderzoek
- Meer alledaagse intelligentie bij leken dan in wetenschap
Vb. probleem oplossen, plannen, praktische organisatie, huishouden…
- Breder en diffuser beeld van intelligentie door de wetenschap
o Ook alledaags functioneren in rekening gehouden
o Common sence idee van intelligentie
Taak van psychologie als wetenschap
- Vanuit veelheid aan opvattingen het begrip afbakenen
- Onderzoek en gegevens nodig om definitie te formuleren
- Wetenschappelijke opvatting verschillend van leken
o Zo zuiver mogelijk gedefinieerde en meetbare concepten
o Theorieën, hypothesen en verwachtingen over psychologische
verschijnselen worden getoetst
WETENSCHAPPELIJKE AFBAKENING VAN HET BEGRIP
Intelligentie in onderzoek afgebakend tot ‘academische’ intelligentie
Wat de test meet – Boring (1923)
- ‘Intelligentie is wat de test meet’
- Definitie is circulair
- Zeer veel gebruikt
- Eerder verwarrend dan helder, meer kwaad dan goed gedaan terug
naar vraag ‘Wat is intelligentie?’
, Verschillende definities van intelligentie door wetenschappers
- Veel verschillende en brede opvattingen over begrip
Niveaus van intelligentie – Philippe Vernon (1969)
- Ordening in begrippen die al bestaand waren
- Niveau A
o Aangeboren/ ligt vast in hersenen, studies en school veranderen
dit niet
o Cultuurafhankelijk en stabiel onveranderlijk
o Niet meetbaar, theoretisch veronderstelling
- Niveau B
o Genetische aanleg en omgevingsfactoren/leerervaringen hebben
grote invloed
o Afhankelijk door (niveau dat iemand toont in dagdagelijks leven,
intelligentie test)
Vb. opvoeding, leefomstandigheden voor en na geboorte,
onderwijs, levenservaringen
o Cultuurgebonden en veranderlijk
o Meetbaar in theorie, niet altijd even makkelijk
- Niveau C
o Wat een intelligentietest weldegelijk meet
o Om intelligentie B zo goed mogelijk vast te leggen
o Gemeten intelligentie van een persoon (IQ)
- Meest wetenschappelijke definities van intelligentie op niveau B en C
Niet 1 definitie, nog geen fatsoenlijke definitie aangezien zo breed
- Voorbeelden moderne definities:
o Nadruk op allerlei onderliggende verstandelijke cognitieve
processen en vaardigheden
o Belang van “metacognitie” (het meer of minder gericht sturen
van de eigen cognitieve processen en vermogens) &
“uitvoeringsprocessen”
40% in moderne definities aanwezig
10% in oude definities aanwezig
o Abstract redeneren
50% in moderne definities aanwezig
o Vermogen om probleem oplossend te denken
= vermogen om te leren
= aanpassen aan nieuwe taken en omstandigheden
Mogelijke definitie (niet kennen, principe begrijpen)
- “Intelligentie is een conglomeraat van verstandelijke vermogens,
processen en vaardigheden, zoals abstract, logisch en consistent
kunnen redeneren, relaties kunnen ontdekken, leggen en doorzien,
problemen oplossen, regels kunnen ontdekken in schijnbaar
ongeordend materiaal, met bestaande kennis nieuwe taken kunnen
, oplossen, zich flexibel aanpassen aan nieuwe situaties, in staat zijn
leervermogen te tonen zonder directe en onvolledige instructies.”
- Accent op denkprocessen en vermogen tot oplossen van problemen
- Best moeilijk onderwoorden te brengen en meervoudig
- Rede hoe intelligentie test werd opgebouwd
Belangrijke wetenschappelijke stromingen in psychologie
- Psychometristen
- Cognitief-psychologen
GESCHIEDENIS VAN INTELLIGENTIE
Al 100 jaar fenomeen intelligentie bestuderen
Veel verschillende soorten onderzoek en theorieën
PSYCHOMETRISCHE THEORIEËN EN INTELLIGENTIEMODELLEN
Eerste stroming: psychometrische theorieën rond intelligentie
- Gebaseerd op statistische analyses
- Uit statistisch onderzoek
o 1 factor intelligentie
o Meerdere factoren die samen intelligentie vormen
Theorie van Spearman
- Pionier op vlak van factoranalyse
- Bedenker van rangcorrelatiecoëfficiënt
- 1 van eerste onderzoekers: constructie van theoretische
intelligentiemodel
- Positieve correlaties tussen eenvoudige sensorische en motorische
proefjes en schoolse prestaties
o Mensen die op 1 taak goed scoorden scoren ook op andere taak
goed
- Intelligentie = ‘g’ / general intelligence
o Fundamentele activiteit die aan grondslag ligt van oplossen van
diverse test
o Factor die verschillende tests gemeenschappelijk meten, bepaald
door correlaties tussen testscores onderling
- G-factor = latente variabele die correlaties veroorzaakt tussen
verschillende maten van cognitieve vaardigheid
= gemeenschappelijke variantie tussen de diverse maten
van cognitieve vaardigheid
Single factor model of intelligence
- Specifieke factoren= S-factoren
o S= mentale activiteiten die specifiek voor 1 taak nodig zijn, rest
van variantie
o Voor elke taak is er een s-factor
Tweefactorentheorie