METHODEN VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Inhoudstafel:
HOOFDSTUK 1: introductie en wetenschappelijke methodes ....................................................2
HOOFDSTUK 2: onderzoeksidee en hypothese ....................................................................... 10
HOOFDSTUK 3: definiëren en meten van variabelen ............................................................... 11
HOOFDSTUK 5: selecteren van participanten ......................................................................... 20
HOOFDSTUK 6: onderzoeksstrategieën en validiteit ................................................................ 24
HOOFDSTUK 7: experimentele onderzoeksstrategie ............................................................... 29
HOOFDSTUK 8: experimentele design: tussen-subject-design ................................................ 34
HOOFDSTUK 9: experimentele design: binnen-subject-design ................................................ 38
HOOFDSTUK 10: non-/quasi-experimentele onderzoeksstrategie ............................................ 43
HOOFDSTUK 11: factoriële designs ........................................................................................ 49
HOOFDSTUK 12: correlationele onderzoeksstrategie .............................................................. 59
HOOFDSTUK 13: descriptieve onderzoeksstrategie ................................................................. 61
HOOFDSTUK 14: single-case experimenteel onderzoeksdesign .............................................. 68
GASTCOLLEGE : open science ............................................................................................... 76
WEBLECTURE: logica en causaal redeneren ........................................................................... 87
LINK MET VOLGEND SEMESTER: kwantitatieve en kwalitatieve methoden ............................... 94
VRAGENCOLLEGE: 20/12/2023........................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Belangrijk:
° HB pagina’s aangeduid met sterretje = niet 1 op 1 relatie met het handboek, maar beide zijn
leerstof
° gastcollege = bijkomende les NIET IN HANDBOEK
° weblecture = bijkomend bij les 9 = zelfstudie (zie Toledo) NIET IN HANDBOEK
° koppeling aan volgend semester = OOK LEERSTOF
° EXAMEN: dinsdag 30 januari 2024, 12u
1
,METHODEN VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
HOOFDSTUK 1: introductie en wetenschappelijke methodes (HB p1-28)
Methodes om kennis te vergaren = manieren waarop iemand het antwoord op vragen al weet of
kan achterhalen
niet-wetenschappelijke manieren VS wetenschappelijke manieren
doel: verkrijgen van kwalitatieve antwoorden
Niet-wetenschappelijke methodes: goed voor snelle antwoorden, zonder veel gevolgen, niet
echt kritisch onderbouwd
1. vasthoudbaarheid
- je accepteert kennis omdat mensen het altijd hebben geloofd waar te zijn of doordat
bijgeloof de gewoonte ondersteunt
- bv: cliché dat tegenpolen elkaar aantrekken, hoewel onderzoek vaak het omgekeerde
aantoont
- heel moeilijk om te veranderen, want het zit vaak vastgegroeid en is te breed
2. intuïtie
- je accepteert kennis omdat “het goed voelt”, je gaat af op je buikgevoel/instinct
- is goed om snel een beslissingen te maken, maar voor belangrijke keuzes is het niet
de beste methode
- vaak gebruikt voor morele dilemma’s en ethische vraagstukken (persoonlijke
beslissingen)
- bv: je voelt aan dat een vriend een slechte dag heeft, maar hij heeft het niet expliciet
gezegd
- niet gebaseerd op logica, dus vaak veel fouten
3. autoriteit
- je vergaat kennis door een expert in het bepaalde veld
- gaat heel breed: Google, krant, internet, TV …
een bron raadplegen is op een autoriteit berusten
- snel, makkelijk, veel gebruikt
- risico’s:
o experten kunnen gebiast zijn: mensen brengen niet altijd objectieve
informatie, is vaak deels beïnvloedt door subjectieve standpunten of eigen
meningen
o bv: verschillende critici hebben soms andere meningen over dezelfde film
o experten zijn niet altijd experten
o bv: beroemden maken vaak reclame voor bepaalde producten, terwijl ze hier
geen verdere kennis over hebben
o experten in één aspect zijn niet altijd experten op het hele vlak (wat wel vaak
wordt verwacht)
2
,METHODEN VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
o doorlopen in methode van geloof wanneer je alles blindelings aanneemt, bv:
sektes
methode van geloof = een (extreme) variant van de methode van autoriteit
waar mensen zoveel geloof hebben in een expert dat ze zich hier geen
verdere vragen gaan bij stellen
4. rationalisme
- gebaseerd op logisch redeneren:
- opbouw: argument = statements of assumpties waarvan we uitgaan dat ze kloppen &
een conclusie gebaseerd op de assumpties (adhv gebruik van logica)
- risico: als assumptie (begin) fout is, is de conclusie vaak ook fout
- hoewel veel gebruikt zijn mensen niet goed in logisch redeneren (bv: te snel denken
dat de assumptie juist is)
- voordeel: gemakkelijke vergelijking tussen verschillende alternatieven, zonder ze
e ectief te moeten proberen (enkel infoverzameling of observatie)
5. empirie/empirisme
- adhv directe observaties of persoonlijke ervaringen, info enkel verzamelt via
zintuigen
- bv: je weet dat het in de zomer warmer is dan in de winter
- risico’s:
o waarnemingen kunnen bedriegen, bv: visuele illusie
o mensen zijn geen puur objectieve waarnemers, er is altijd een (onbewuste)
beïnvloeding van onze eigen ervaringen/gevoelens/overtuigingen, bv: 2
mensen kunnen hetzelfde meemaken en toch iets anders hebben gezien
o misinterpretaties, bv: reconstructies van misdrijven moeten verteller
(verhoren)
o zeer tijdsinnemend: om de voor-/nadelen van alle opties te kennen moet je ze
nagaan en afwegen (trial & error)
Wetenschappelijke methodes: formuleren van specifieke vragen en systematisch
antwoorden zoeken, adhv een mengeling van verschillende methodes om kennis te vergaren , zo
accuraat mogelijk
= methode van kennis vergaren door gebruik van observaties om hypothesen te maken, en
daarna die gebruiken om logische predicties te maken die empirische kunnen worden nagegaan,
door systematische observaties
is een circulair proces, elk onderzoek doet meer vragen naar boven komen (nieuwe
hypothesen) dan dat je origineel wilde onderzoeken en die werden bewezen
1. stap 1: observeren van gedrag en andere fenomenen
- casual, informele observatie van gedrag/fenomenen van anderen
bv: je merkt iets op dat is gek, hoe komt het?
- kan direct (zelf opmerken) of indirect (iemand anders merkt iets op)
- initiële, vage moment
bv: je doet je pijn en je vloekt
3
, METHODEN VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
- observaties worden vaak gegeneraliseerd om tot een algemene conclusie te komen
= inductie
o = een relatief kleine verzameling van observaties gebruiken als de basis voor
een algemeen statement over een grotere verzameling van observaties
o bv: in een appel bijten = zuur = 3 keer herhalen = alle appels zijn zuur
- bv: horen dat vloeken vaak wordt gebruikt bij het hebben van pijn
2. stap 2: vormen van een hypothese (voorlopig antwoord/verklaring)
- identificeren variabelen
o = condities/karakteristieken die veranderen of een andere waarde hebben
voor verschillende individuen
o bv: weer, economie, gezondheid, dagelijkse veranderingen, intelligentie,
persoonlijkheid, leeftijd, geslacht, lengte, gewicht, zelfzekerheid …
o kunnen variëren
o je gaat ze niet allemaal kunnen nagaan, maar wilt niet zeggen dat deze geen
invloed hebben of niet belangrijk zijn
- de hypothese vormen adhv de meest interessante en plausibele uitleggen om na te
gaan in de wetenschappelijke studie
o zorgt voor een voorlopig antwoord, moet kritisch worden nagegaan
o = statement dat een relatie tussen of onder variabelen beschrijft, is geen
definitief antwoord, maar eerder een voorstel dat moet worden getest en
geëvalueerd
o starpunt van de studie
- bv: ik vloek enkel bij acute pijn (teen stoten), niet bij chronische pijn (rugpijn), ik doe
het ook enkel als ik in een thuissfeer ben, niet in een onbekende informele situatie, ik
doe het als extrovert ook meer dan mijn introverte vriend
3. stap 3: hypothese gebruiken om een testbare predictie te generen
- de hypothese gebruiken in een specifieke, observeerbare, realistische, situatie
o kan leiden tot verschillende predicties, die allemaal refereren naar andere
specifieke situaties die kunnen worden geobserveerd en gemeten
- moeten ze toetsbaar zijn
- je komt van iets algemeen en gaat naar iets specifieks = deductie
o = een algemeen statement gebruiken als de basis voor het behalen van een
conclusie met specifieke voorbeelden
*VERSCHIL HYPOTHESE EN PREDICTIE
4. stap 4: evalueren van de predicatie door systematisch geplande observaties
- de predictie evalueren adhv directe observatie
- onderzoek en data collectie
- belangrijk om objectief te zijn, vrij van subjectieve persoonlijke verwachtingen of
beïnvloedingen
niet op gebiaste manier
wilt niet (on)bewust studie in bepaalde richting sturen
*VERSCHIL MET STAP 1: bij 1 ben je vertrokken met een idee/opvatting, bij 4 is het
gestructureerd
4
Inhoudstafel:
HOOFDSTUK 1: introductie en wetenschappelijke methodes ....................................................2
HOOFDSTUK 2: onderzoeksidee en hypothese ....................................................................... 10
HOOFDSTUK 3: definiëren en meten van variabelen ............................................................... 11
HOOFDSTUK 5: selecteren van participanten ......................................................................... 20
HOOFDSTUK 6: onderzoeksstrategieën en validiteit ................................................................ 24
HOOFDSTUK 7: experimentele onderzoeksstrategie ............................................................... 29
HOOFDSTUK 8: experimentele design: tussen-subject-design ................................................ 34
HOOFDSTUK 9: experimentele design: binnen-subject-design ................................................ 38
HOOFDSTUK 10: non-/quasi-experimentele onderzoeksstrategie ............................................ 43
HOOFDSTUK 11: factoriële designs ........................................................................................ 49
HOOFDSTUK 12: correlationele onderzoeksstrategie .............................................................. 59
HOOFDSTUK 13: descriptieve onderzoeksstrategie ................................................................. 61
HOOFDSTUK 14: single-case experimenteel onderzoeksdesign .............................................. 68
GASTCOLLEGE : open science ............................................................................................... 76
WEBLECTURE: logica en causaal redeneren ........................................................................... 87
LINK MET VOLGEND SEMESTER: kwantitatieve en kwalitatieve methoden ............................... 94
VRAGENCOLLEGE: 20/12/2023........................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Belangrijk:
° HB pagina’s aangeduid met sterretje = niet 1 op 1 relatie met het handboek, maar beide zijn
leerstof
° gastcollege = bijkomende les NIET IN HANDBOEK
° weblecture = bijkomend bij les 9 = zelfstudie (zie Toledo) NIET IN HANDBOEK
° koppeling aan volgend semester = OOK LEERSTOF
° EXAMEN: dinsdag 30 januari 2024, 12u
1
,METHODEN VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
HOOFDSTUK 1: introductie en wetenschappelijke methodes (HB p1-28)
Methodes om kennis te vergaren = manieren waarop iemand het antwoord op vragen al weet of
kan achterhalen
niet-wetenschappelijke manieren VS wetenschappelijke manieren
doel: verkrijgen van kwalitatieve antwoorden
Niet-wetenschappelijke methodes: goed voor snelle antwoorden, zonder veel gevolgen, niet
echt kritisch onderbouwd
1. vasthoudbaarheid
- je accepteert kennis omdat mensen het altijd hebben geloofd waar te zijn of doordat
bijgeloof de gewoonte ondersteunt
- bv: cliché dat tegenpolen elkaar aantrekken, hoewel onderzoek vaak het omgekeerde
aantoont
- heel moeilijk om te veranderen, want het zit vaak vastgegroeid en is te breed
2. intuïtie
- je accepteert kennis omdat “het goed voelt”, je gaat af op je buikgevoel/instinct
- is goed om snel een beslissingen te maken, maar voor belangrijke keuzes is het niet
de beste methode
- vaak gebruikt voor morele dilemma’s en ethische vraagstukken (persoonlijke
beslissingen)
- bv: je voelt aan dat een vriend een slechte dag heeft, maar hij heeft het niet expliciet
gezegd
- niet gebaseerd op logica, dus vaak veel fouten
3. autoriteit
- je vergaat kennis door een expert in het bepaalde veld
- gaat heel breed: Google, krant, internet, TV …
een bron raadplegen is op een autoriteit berusten
- snel, makkelijk, veel gebruikt
- risico’s:
o experten kunnen gebiast zijn: mensen brengen niet altijd objectieve
informatie, is vaak deels beïnvloedt door subjectieve standpunten of eigen
meningen
o bv: verschillende critici hebben soms andere meningen over dezelfde film
o experten zijn niet altijd experten
o bv: beroemden maken vaak reclame voor bepaalde producten, terwijl ze hier
geen verdere kennis over hebben
o experten in één aspect zijn niet altijd experten op het hele vlak (wat wel vaak
wordt verwacht)
2
,METHODEN VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
o doorlopen in methode van geloof wanneer je alles blindelings aanneemt, bv:
sektes
methode van geloof = een (extreme) variant van de methode van autoriteit
waar mensen zoveel geloof hebben in een expert dat ze zich hier geen
verdere vragen gaan bij stellen
4. rationalisme
- gebaseerd op logisch redeneren:
- opbouw: argument = statements of assumpties waarvan we uitgaan dat ze kloppen &
een conclusie gebaseerd op de assumpties (adhv gebruik van logica)
- risico: als assumptie (begin) fout is, is de conclusie vaak ook fout
- hoewel veel gebruikt zijn mensen niet goed in logisch redeneren (bv: te snel denken
dat de assumptie juist is)
- voordeel: gemakkelijke vergelijking tussen verschillende alternatieven, zonder ze
e ectief te moeten proberen (enkel infoverzameling of observatie)
5. empirie/empirisme
- adhv directe observaties of persoonlijke ervaringen, info enkel verzamelt via
zintuigen
- bv: je weet dat het in de zomer warmer is dan in de winter
- risico’s:
o waarnemingen kunnen bedriegen, bv: visuele illusie
o mensen zijn geen puur objectieve waarnemers, er is altijd een (onbewuste)
beïnvloeding van onze eigen ervaringen/gevoelens/overtuigingen, bv: 2
mensen kunnen hetzelfde meemaken en toch iets anders hebben gezien
o misinterpretaties, bv: reconstructies van misdrijven moeten verteller
(verhoren)
o zeer tijdsinnemend: om de voor-/nadelen van alle opties te kennen moet je ze
nagaan en afwegen (trial & error)
Wetenschappelijke methodes: formuleren van specifieke vragen en systematisch
antwoorden zoeken, adhv een mengeling van verschillende methodes om kennis te vergaren , zo
accuraat mogelijk
= methode van kennis vergaren door gebruik van observaties om hypothesen te maken, en
daarna die gebruiken om logische predicties te maken die empirische kunnen worden nagegaan,
door systematische observaties
is een circulair proces, elk onderzoek doet meer vragen naar boven komen (nieuwe
hypothesen) dan dat je origineel wilde onderzoeken en die werden bewezen
1. stap 1: observeren van gedrag en andere fenomenen
- casual, informele observatie van gedrag/fenomenen van anderen
bv: je merkt iets op dat is gek, hoe komt het?
- kan direct (zelf opmerken) of indirect (iemand anders merkt iets op)
- initiële, vage moment
bv: je doet je pijn en je vloekt
3
, METHODEN VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
- observaties worden vaak gegeneraliseerd om tot een algemene conclusie te komen
= inductie
o = een relatief kleine verzameling van observaties gebruiken als de basis voor
een algemeen statement over een grotere verzameling van observaties
o bv: in een appel bijten = zuur = 3 keer herhalen = alle appels zijn zuur
- bv: horen dat vloeken vaak wordt gebruikt bij het hebben van pijn
2. stap 2: vormen van een hypothese (voorlopig antwoord/verklaring)
- identificeren variabelen
o = condities/karakteristieken die veranderen of een andere waarde hebben
voor verschillende individuen
o bv: weer, economie, gezondheid, dagelijkse veranderingen, intelligentie,
persoonlijkheid, leeftijd, geslacht, lengte, gewicht, zelfzekerheid …
o kunnen variëren
o je gaat ze niet allemaal kunnen nagaan, maar wilt niet zeggen dat deze geen
invloed hebben of niet belangrijk zijn
- de hypothese vormen adhv de meest interessante en plausibele uitleggen om na te
gaan in de wetenschappelijke studie
o zorgt voor een voorlopig antwoord, moet kritisch worden nagegaan
o = statement dat een relatie tussen of onder variabelen beschrijft, is geen
definitief antwoord, maar eerder een voorstel dat moet worden getest en
geëvalueerd
o starpunt van de studie
- bv: ik vloek enkel bij acute pijn (teen stoten), niet bij chronische pijn (rugpijn), ik doe
het ook enkel als ik in een thuissfeer ben, niet in een onbekende informele situatie, ik
doe het als extrovert ook meer dan mijn introverte vriend
3. stap 3: hypothese gebruiken om een testbare predictie te generen
- de hypothese gebruiken in een specifieke, observeerbare, realistische, situatie
o kan leiden tot verschillende predicties, die allemaal refereren naar andere
specifieke situaties die kunnen worden geobserveerd en gemeten
- moeten ze toetsbaar zijn
- je komt van iets algemeen en gaat naar iets specifieks = deductie
o = een algemeen statement gebruiken als de basis voor het behalen van een
conclusie met specifieke voorbeelden
*VERSCHIL HYPOTHESE EN PREDICTIE
4. stap 4: evalueren van de predicatie door systematisch geplande observaties
- de predictie evalueren adhv directe observatie
- onderzoek en data collectie
- belangrijk om objectief te zijn, vrij van subjectieve persoonlijke verwachtingen of
beïnvloedingen
niet op gebiaste manier
wilt niet (on)bewust studie in bepaalde richting sturen
*VERSCHIL MET STAP 1: bij 1 ben je vertrokken met een idee/opvatting, bij 4 is het
gestructureerd
4