Didactiek en praktijk
1. Wetenschappelijke basis
1.1. Cognitieve psychologie
= bestudeert hoe ons menselijk denken werkt; studie van mentale processen
Bracht in kaart onder welke omstandigheden een lerende optimaal kennis en
vaardigheden aanleert
Bv. door het spreiden van oefenmomenten
1.2. Lerareneffectiviteitsstudies
= studie die onderzocht welke leerkrachten structureel de grootste impact hebben op het
leren van hun leerlingen en welk gedrag deze leerkrachten vertoonden
Wordt onderzocht via proces-product-onderzoek
1.3. Evidence informed education
Leraren kunnen ‘geïnformeerde’ beslissingen nemen op basis van wetenschappelijke
resultaten en met aandacht voor hun eigen klascontext?
Evidence-informed betekent dat onderwijsteams zélf weloverwogen keuzes maken over hoe
ze het leren bij leerlingen zullen optimaliseren op basis van wetenschappelijke
onderzoeksresultaten en inzichten (‘evidentie’). Ze laten zich informeren en passen een
praktijk of aanpak aan naargelang hun klas- en schoolcontext. In het onderwijs is er namelijk
maar zelden iets dat altijd en overal voor iedereen werkt.
2. Inzichten uit de wetenschap
2.1. Inzicht 1: werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit
Sensorisch/zintuigelijk geheugen = selecteert relevante info en stuurt door naar
werkgeheugen
Werkgeheugen = beperkt
Filteren wat belangrijk is en wat niet
Zo wordt het langetermijngeheugen gevormd (kan ook info van het langetermijngeheugen
naar het werkgeheugen gaan)
Cognitive load theory = leerlingen die nieuwe informatie moeten verwerken hebben ook
een beperkt werkgeheugen dus hier moet rekening mee gehouden worden
Mentale bandbreedte =
2.2. Inzicht 2: expert denkt anders dan de beginner
Primair leren = leren gaat natuurlijk: spreken, wandelen, kijken, spelen, …
Secundair leren = onderwijs: wiskunde, lezen, natuurkunde, …
Vakdidactische kennis = de kennis over de wijze waarop het specifieke vak of onderwerp
moet worden onderwezen.
Pedagogisch-didactische kennis = de kennis van effectieve onderwijsmethoden en soorten
didactiek en ook weten wanneer het goed of minder goed is om een bepaalde werkvorm in
te zetten
Curse of knowlegde: kennisvloek
= iemand is zo sterk in zijn vak waardoor men het moeilijk vindt om het uit te leggen, want
voor hun is dit vanzelfsprekend. Het niveau van de andere is soms niet correct ingeschat
, 2.3. Inzicht 3: generieke vaardigheden aanleren: het doel is niet
altijd het middel
Generieke vaardigheden zijn niet mogelijk zonder basiskennis
Kritisch denken
Leesstrategieën
Studeervaardigheden
Probleemoplossende vaardigheden
2.4. Inzicht 4: leren is niet hetzelfde als presteren
Leren = lange termijn: hier streeft het onderwijs naar
Presteren = korte termijn
Allebei belangrijk maar er is een verschil
2.5. Inzicht 5: effectiefste leraren geven gewoon goed les
Goede instructie van de effectiefste leraren zorgt ervoor dat er goed geleerd wordt op lange
termijn
3. 12 bouwstenen
3.1. Bouwsteen 1: activeer relevante voorkennis
1. Even terugkijken: lessen starten met een korte terugblik = relevante informatie
opfrissen
Bv. Quiz, blaadjes met relevante info, onverwachte toets, cartoon, …
Oefening:
Voorkennis ophalen, strategieën toepassen, …
Wit blad, terugblik, scharniervragen, wisbordjes, …
Cold calling, kahoot, wit blad, think-pair-share
Geen of weinig voorkennis?
Inleidend filmpje
Niet te veel info in 1 keer meegeven (cognitive load theory!)
Advance organizer = denkbeeldige kapstok
Kan helpen met links leggen tussen oude en nieuwe leerstof
Je moet rekening houden met de kwaliteit en de juistheid van deze voorkennis
3.2. Bouwsteen 2: geef duidelijke, gestructureerde en
uitdagende instuctie
Oefening:
Communicatie
Begrijpelijke taal
Opnieuw uitleggen en op een andere manier
Begrip van àlle leerlingen nagaan
Structuur
Samen schema’s maken
Advance organizer
Leerinhouden logisch ordenen/opbouwen
Lesovergangen!
Uitdaging
Niet te makkelijk/moeilijk
Niet te snel/traag
, Lestijd optimaal houden
Oefening:
Structuur, communicatie, uitdaging?
Structuur: titel op bord geschreven/vermeld
Uitdaging: leerlingen zelf met voorbeelden laten komen, uitvoeren
Communicatie: discussies met de klas
Leerinhouden introductie?
Proefjes, vertrek vanuit herkenbare dingen
3.2.1. Helder communiceren
Begrijpelijke taal (in eigen woorden laten formuleren)
3.2.2. Structuur bieden
Inductief: starten met concrete voorbeelden waaruit je algemene regels kan afleiden
Deductief: van algemene principes/regels naar concrete voorbeelden
3.3. Bouwsteen 3: gebruik voorbeelden
Waarom?
- Concrete situaties maken het makkelijker om het voor te stellen
- Zijn vaak gekoppeld aan abstracte begrippen
- Uitbreiden van mentale schema’s
Verschillende soorten:
- Worked examples (uitgewerkte voorbeelden)
= de stappen van een oefening zijn volledig uitgewerkt; zo oefening zelf maken
- Modeling examples
= de leerkracht werkt een oefening stap voor stap uit aan bord en legt zo uit hoe het
moet
- Concrete examples
= foto’s, figuren, voorwerpen koppelen aan abstracte begrippen
3.4. Bouwsteen 4: combineer woord en beeld
Dual coding theory
= Basisprincipe = multimediaprincipe: tekst en beeld is beter dan tekst alleen
Er wordt zo diepgaander geleerd want er zijn 2 zintuigen betrokken die allebei informatie
uit het werkgeheugen afleveren
- Coherentieprincipe = less is more = niet te veel
- Modaliteitsprincipe = (bewegend) beeld en gesproken woord is beter dan
(bewegend) beeld en tekst
- Nabijheidsprincipe = woord staat zo dicht mogelijk bij beeld
- Overbodigheidsprincipe = ‘(gesproken) woord + beeld’ is beter dan ‘(gesproken)
woord + beeld + tekst’
- Signaliseringsprincipe = benadruk de essentie via kleur, kaders, …
3.5. Bouwsteen 5: laat de leerstof actief verwerken
- Productieve strategieën hangen samen met voorkennis
- Controle op juistheid is nodig
- Training is nodig
- Niet elke techniek wordt gebruikt bij elk type leerstof
o Vooral logisch geordende leerstof met onderlinge verbanden
- Waarneembare activiteit is niet gelijk aan mentale activiteit
1. Wetenschappelijke basis
1.1. Cognitieve psychologie
= bestudeert hoe ons menselijk denken werkt; studie van mentale processen
Bracht in kaart onder welke omstandigheden een lerende optimaal kennis en
vaardigheden aanleert
Bv. door het spreiden van oefenmomenten
1.2. Lerareneffectiviteitsstudies
= studie die onderzocht welke leerkrachten structureel de grootste impact hebben op het
leren van hun leerlingen en welk gedrag deze leerkrachten vertoonden
Wordt onderzocht via proces-product-onderzoek
1.3. Evidence informed education
Leraren kunnen ‘geïnformeerde’ beslissingen nemen op basis van wetenschappelijke
resultaten en met aandacht voor hun eigen klascontext?
Evidence-informed betekent dat onderwijsteams zélf weloverwogen keuzes maken over hoe
ze het leren bij leerlingen zullen optimaliseren op basis van wetenschappelijke
onderzoeksresultaten en inzichten (‘evidentie’). Ze laten zich informeren en passen een
praktijk of aanpak aan naargelang hun klas- en schoolcontext. In het onderwijs is er namelijk
maar zelden iets dat altijd en overal voor iedereen werkt.
2. Inzichten uit de wetenschap
2.1. Inzicht 1: werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit
Sensorisch/zintuigelijk geheugen = selecteert relevante info en stuurt door naar
werkgeheugen
Werkgeheugen = beperkt
Filteren wat belangrijk is en wat niet
Zo wordt het langetermijngeheugen gevormd (kan ook info van het langetermijngeheugen
naar het werkgeheugen gaan)
Cognitive load theory = leerlingen die nieuwe informatie moeten verwerken hebben ook
een beperkt werkgeheugen dus hier moet rekening mee gehouden worden
Mentale bandbreedte =
2.2. Inzicht 2: expert denkt anders dan de beginner
Primair leren = leren gaat natuurlijk: spreken, wandelen, kijken, spelen, …
Secundair leren = onderwijs: wiskunde, lezen, natuurkunde, …
Vakdidactische kennis = de kennis over de wijze waarop het specifieke vak of onderwerp
moet worden onderwezen.
Pedagogisch-didactische kennis = de kennis van effectieve onderwijsmethoden en soorten
didactiek en ook weten wanneer het goed of minder goed is om een bepaalde werkvorm in
te zetten
Curse of knowlegde: kennisvloek
= iemand is zo sterk in zijn vak waardoor men het moeilijk vindt om het uit te leggen, want
voor hun is dit vanzelfsprekend. Het niveau van de andere is soms niet correct ingeschat
, 2.3. Inzicht 3: generieke vaardigheden aanleren: het doel is niet
altijd het middel
Generieke vaardigheden zijn niet mogelijk zonder basiskennis
Kritisch denken
Leesstrategieën
Studeervaardigheden
Probleemoplossende vaardigheden
2.4. Inzicht 4: leren is niet hetzelfde als presteren
Leren = lange termijn: hier streeft het onderwijs naar
Presteren = korte termijn
Allebei belangrijk maar er is een verschil
2.5. Inzicht 5: effectiefste leraren geven gewoon goed les
Goede instructie van de effectiefste leraren zorgt ervoor dat er goed geleerd wordt op lange
termijn
3. 12 bouwstenen
3.1. Bouwsteen 1: activeer relevante voorkennis
1. Even terugkijken: lessen starten met een korte terugblik = relevante informatie
opfrissen
Bv. Quiz, blaadjes met relevante info, onverwachte toets, cartoon, …
Oefening:
Voorkennis ophalen, strategieën toepassen, …
Wit blad, terugblik, scharniervragen, wisbordjes, …
Cold calling, kahoot, wit blad, think-pair-share
Geen of weinig voorkennis?
Inleidend filmpje
Niet te veel info in 1 keer meegeven (cognitive load theory!)
Advance organizer = denkbeeldige kapstok
Kan helpen met links leggen tussen oude en nieuwe leerstof
Je moet rekening houden met de kwaliteit en de juistheid van deze voorkennis
3.2. Bouwsteen 2: geef duidelijke, gestructureerde en
uitdagende instuctie
Oefening:
Communicatie
Begrijpelijke taal
Opnieuw uitleggen en op een andere manier
Begrip van àlle leerlingen nagaan
Structuur
Samen schema’s maken
Advance organizer
Leerinhouden logisch ordenen/opbouwen
Lesovergangen!
Uitdaging
Niet te makkelijk/moeilijk
Niet te snel/traag
, Lestijd optimaal houden
Oefening:
Structuur, communicatie, uitdaging?
Structuur: titel op bord geschreven/vermeld
Uitdaging: leerlingen zelf met voorbeelden laten komen, uitvoeren
Communicatie: discussies met de klas
Leerinhouden introductie?
Proefjes, vertrek vanuit herkenbare dingen
3.2.1. Helder communiceren
Begrijpelijke taal (in eigen woorden laten formuleren)
3.2.2. Structuur bieden
Inductief: starten met concrete voorbeelden waaruit je algemene regels kan afleiden
Deductief: van algemene principes/regels naar concrete voorbeelden
3.3. Bouwsteen 3: gebruik voorbeelden
Waarom?
- Concrete situaties maken het makkelijker om het voor te stellen
- Zijn vaak gekoppeld aan abstracte begrippen
- Uitbreiden van mentale schema’s
Verschillende soorten:
- Worked examples (uitgewerkte voorbeelden)
= de stappen van een oefening zijn volledig uitgewerkt; zo oefening zelf maken
- Modeling examples
= de leerkracht werkt een oefening stap voor stap uit aan bord en legt zo uit hoe het
moet
- Concrete examples
= foto’s, figuren, voorwerpen koppelen aan abstracte begrippen
3.4. Bouwsteen 4: combineer woord en beeld
Dual coding theory
= Basisprincipe = multimediaprincipe: tekst en beeld is beter dan tekst alleen
Er wordt zo diepgaander geleerd want er zijn 2 zintuigen betrokken die allebei informatie
uit het werkgeheugen afleveren
- Coherentieprincipe = less is more = niet te veel
- Modaliteitsprincipe = (bewegend) beeld en gesproken woord is beter dan
(bewegend) beeld en tekst
- Nabijheidsprincipe = woord staat zo dicht mogelijk bij beeld
- Overbodigheidsprincipe = ‘(gesproken) woord + beeld’ is beter dan ‘(gesproken)
woord + beeld + tekst’
- Signaliseringsprincipe = benadruk de essentie via kleur, kaders, …
3.5. Bouwsteen 5: laat de leerstof actief verwerken
- Productieve strategieën hangen samen met voorkennis
- Controle op juistheid is nodig
- Training is nodig
- Niet elke techniek wordt gebruikt bij elk type leerstof
o Vooral logisch geordende leerstof met onderlinge verbanden
- Waarneembare activiteit is niet gelijk aan mentale activiteit