Opzet = willens en wetens handelen
> Iemand weet wat het gevolg is van zijn handelen en hij wilde dat ook
Bevat cognitief (weten) en volitief (willen) element
Ieder mens heeft wilsvrijheid > iedere individu kan verantwoordelijk
worden gehouden voor zijn gedrag
Opzet = delict gebonden
> De invulling die aan de opzet wordt gegeven, wordt mede ingekleurd door de
specifieke delictsomschrijving
Oogmerk: het doel waarnaar men streeft en duidt daarmee ook op de
opzet
Hij behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene
concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd (= ingeblikt
opzet)
Als het gaat om deelname aan specifieke misdrijven, is het niet genoeg om
alleen een risico te accepteren; er moet dan echt sprake zijn van opzet
Opzet gradaties
1. Opzettelijk: zowel het weten als het willen ligt hierin besloten
a. Bijv. art. 350 en 410 Sr
2. Oogmerk: het volitief element staat hier voorop:
a. Daarnaast bestaat ook het terroristisch oogmerk
b. Bijv. art. 310 en 403 Sr
3. Wetende dat, wist, wetenschap: deze opzetvorm is doorgaans
gekoppeld aan een specifiek bestanddeel van de delictsomschrijving
a. Bijv. art. 174 en 416 Sr
4. Ingeblikt opzet: de delictsomschrijving hanteert niet expliciet de
omschrijving ‘opzet’, maar het opzet zit als het ware in de
delictsomschrijving ingebakken (bijvoorbeeld ‘dwingen’ of ‘opruien’)
a. Bijv. art. 242 Sr
Uitgangspunt = alleen de bestanddelen die na wettelijke opzetvorm komen
worden daardoor beheerst
> Voorbeeld: “Hij die opzettelijk een ander van het leven beroofd” – art. 287 lid 1
Sr
Bestanddeel “een ander van het leven beroofd” wordt beheerst door
bestanddeel “opzettelijk”
Er dienst dus bewezen te worden dat de verdachte opzet had die ander
van het leven te beroven
Boos en kleurloos opzet
> Boos opzet = indien het bestanddeel “wederrechtelijk” na een wettelijke
opzetvorm komt
De verdachte dient niet alleen opzet te hebben gehad op zijn gedraging
maar ook op het wederrechtelijk zijn van die gedraging
> Kleurloos opzet = indien de wettelijke opzetvorm en het bestanddeel
“wederrechtelijk” zijn gescheiden door het woordje “en”
De opzet ziet dan niet op de wederrechtelijkheid
,Gekwalificeerd gevolgsdelict = een strafbaar feit waarbij een bepaalde
handeling (het gronddelict) leidt tot een ernstig gevolg
> Het gevolg maakt het delict erger en wordt daarom zwaarder bestraft (=
strafverzwarend)
Opzet dient slechts te worden bewezen ten aanzien van het gronddelict en
niet ten aanzien van het gekwalificeerde gevolgsdelict
o Het gekwalificeerde gevolg is namelijk van de opzet
geobjectiveerd
o Indien het slachtoffer als gevolg van mishandeling is komen te
overlijden en opzet van de verdachte op die mishandeling kan
worden bewezen, kan mishandeling, de dood tot gevolg hebbende
(art. 300 lid 3 Sr), zonder opzet op de dood van het slachtoffer
worden bewezen
Feitelijke opzetvormen
= opzetvormen die worden gehanteerd voor het bewijs van de wettelijke
opzetvormen
Hierbij gaat het om de opzet dat de verdachte feitelijk had ten tijde van
het plegen van het delict
> Onderscheid wordt gemaakt tussen 3 feitelijke opzetvormen:
1. Dolus directus – zuiver of vol opzet: als de wil van de verdachte op het
bewuste gevolg is gericht (willen en weten = doelopzet)
a. Verdachte moet weten wat het gevolg van zijn gedraging kan zijn en
zijn wil moet op deze gedraging zijn gericht
2. Dolus indirectus – noodzakelijkheids- of zekerheidsbewustzijn (NIET
KENNEN!)
3. Dolus eventualis – voorwaardelijk opzet = het door de verdachte bewust
aanvaarden van de aanmerkelijk kans dat door zijn gedraging een bepaald
gevolg zal intreden:
a. Aanmerkelijk kans:
i. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval: aard van
de gedraging + omstandigheden waaronder deze is verricht
ii. Niet afhankelijk van de aard van het gevolg
Kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is
te achten
Reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid
b. Bewustheid:
i. Wetenschap van de aanmerkelijke kans (elk normaal denkend
mens weet…)
Aanwezig bij de verdachte; of
Bij hem aanwezig verondersteld (criteriumfiguur)
c. Aanvaarden:
i. Enkele wetenschap is onvoldoende
ii. Vaststelling aanvaarding
Verklaring van de verdachte
Getuigenverklaring
Feitelijke omstandigheden van het geval
Aard van de gedraging en omstandigheden
waaronder deze is verricht
Uiterlijke verschijningsvorm, behoudens contra-
indicaties
,Voorbedachte raad
> Criterium = “dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden
op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na
te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich
daarvan rekenschap te geven” – onder meer art. 289 Sr
De verdachte moet zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te
nemen of het genomen besluit en moet niet hebben gehandeld in een
ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te
denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich
daarvan rekenschap heeft gegeven
> Bij bestaan van tijd + gelegenheid is het redelijk om aan te nemen dat de
verdachte gebruikt heeft gemaakt van de gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft
nagedacht (= objectieve benadering+
Kan sprake zijn van contra-indicaties > moet rechter meewegen en
verantwoorden als ze zich voordoen:
o Besluitvorming + uitvoering hebben in plotselinge hevige drift
plaatsgevonden
o Sprake is van een (zeer) korte tijdspanne tussen besluit en
uitvoering
o Tijdens uitvoering ontstaat eerst de gelegenheid tot beraad
Oogmerk = bijzondere vorm van opzet
> Voorwaardelijk opzet is niet voldoende
> Noodzakelijkheidsbewustzijn wordt geëist
Daarvoor is vereist dat de verdachte beseft, of had moeten beseffen, dat
een en ander als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich
bracht
Wetens en willens wordt dus zwaarder geaccentueerd
Wetende dat = bijzondere vorm van opzet
> Nadruk op bewustzijnsaspect
Op wetssystematische gronden geeft deze bijzondere opzetvorm een
algemene en gewone uitdrukking voor opzet
Voorbedachte raad = strafverzwarende omstandigheid ten aanzien van een
minder zwaar gronddelict
> Gaat om tijdstip van kalm overleg, van bedaard nadenken (=
tegenovergestelde van ogenblikkelijke gemoedsopwelling)
> Gaat samen met alle vormen van opzet
> De verdachte moet voldoende tijd en gelegenheid hebben gehad waarbij de
verdachte heeft nagedacht over het een en ander
, Jurisprudentie week 1 – Opzet en voorbedachte raad
HR 25 maart 2003, NJ 2003/552 – HIV I
Relevante feiten
De verdachte staat terecht voor poging tot doodslag op een minderjarige door
het aangaan van onbeschermd seksueel contact, terwijl hij zich bewust was van
het feit dat hij besmet was met het HIV-virus.
Rechtsregel(s)
De rechtsvraag is of er sprake is van voorwaardelijk opzet als iemand bewust
onbeschermde seksuele handelingen verricht, terwijl hij weet dat hij besmet is
met het HIV-virus en daarmee de aanmerkelijke kans aanvaardt dat hij anderen
besmet met HIV.
De rechtsregel is dat voorwaardelijk opzet aanwezig is als de verdachte willens
en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn gedragingen zwaar
lichamelijk letsel, zoals het HIV-virus, wordt toegebracht.
Relevante overweging(en) van het hof
Het Hof oordeelt dat de verdachte door zijn gedrag de aanmerkelijke kans heeft
gecreëerd dat het slachtoffer met HIV besmet zou raken en mogelijk zou komen
te overlijden. Volgens het hof heeft de verdachte deze kans bewust en
weloverwogen aanvaard. Het hof benadert de aanmerkelijke kans vanuit een
juridisch-normatief perspectief, waarbij ook andere factoren, zoals de ernst van
de mogelijke gevolgen, worden meegewogen. Het hof stelt dat wanneer de
gevolgen ernstiger zijn, de kans op het intreden van deze gevolgen eerder als
aanmerkelijk kan worden beschouwd, en concludeert daarom dat er sprake is van
voorwaardelijk opzet.
Relevante onderdelen van de conclusie van de AG
De AG adviseerde de Hoge Raad om het beroep van de verdachte te verwerpen.
De AG was van mening dat het hof op juiste wijze heeft geoordeeld dat er sprake
was van voorwaardelijk opzet, omdat de verdachte bewust het risico heeft
aanvaard door zonder waarschuwing onbeschermde seksuele contacten te
hebben.
Relevante overweging(en) van de Hoge raad
Rechtsoverweging 3.6 – De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en
stelde dat voorwaardelijk opzet kan worden aangenomen wanneer de verdachte
bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard. De Hoge raad wees op de ernstige
aard van HIV en de gevolgen ervan. De Hoge Raad stelt in de rechtsoverweging
3.6 criteria vast om te kunnen stellen dat de verdachte de aanmerkelijk kans
bewust heeft aanvaard.