1
MACRO-ECONOMIE 2025
INLEIDING
PRIJZEN: FLEXIBEL VERSUS STROPERIG
Lange termijn (LT): prijzen flexibel, inspelend op veranderingen in vraag (V) en aanbod (A).
➔ Klassieke economische theorie: de output van een economie hangt af van het aanbod van
goederen en diensten, hetgeen op zijn beurt afhangt van de beschikbaarheid van kapitaal,
arbeid en technologie.
Korte termijn (KT): prijzen “stroperig”, passen zich traag aan als reactie op veranderingen in V en
A. Mogelijk dat V en A niet gelijk zijn aan elkaar, wat dingen verklaard zoals: werkloosheid, waarom
bedrijven niet alles verkocht krijgen, ...
➔ De output hangt ook af van de vraag van de economie naar goederen en diensten. Deze
vraag is afhankelijk van: consumentenvertrouwen, perceptie over winstgevendheid,
monetaire en fiscaal beleid, ...
Marktruiming is een aanname dat prijzen flexibel zijn en zich aanpassen om vraag en aanbod met
elkaar in evenwicht te brengen.
ECONOMISCHE MODELLEN
Waarden van endogene variabelen worden in het model bepaald.
Waarden van exogene variabelen worden buiten het model bepaald, model neemt waarden en
gedrag als gegeven.
DE MIDDELLANGE TERMIJN
HOOFDSTUK 3: NATIONAAL INKOMEN
WAARDOOR WORDT HET NATIONAAL INKOMEN OF REËEL BBP BEPAALD?
GDP hangt af van het aantal inputs (productiefactoren) en de mogelijkheid om inputs om te vormen
tot outputs (productiefunctie).
Productiefunctie: factoren worden optimaal benut, er is geen overschot.
➔ Kapitaal (K ̅) = gereedschappen, machines en structuren gebruikt in het productieproces.
➔ Arbeid (L̅) = fysieke en mentale inspanningen van werknemers.
̅ , 𝐋̅) = 𝐘
𝐘 = 𝐅(𝐊 ̅
Technologie beïnvloedt de productiefunctie, als iemand een betere manier heeft een goed te
produceren, gaat men meer kunnen produceren met dezelfde input.
Schaalopbrengsten: bij constante schaalopbrengsten zorgt een stijging in inputs voor een even grote
stijging in outputs.
𝐳𝐘 = 𝐅(𝐳𝐊, 𝐳𝐋)
, 2
➔ Constante schaalopbrengsten: 𝐘𝟐 = 𝐳𝐘𝟏
➔ Toenemende schaalopbrengsten: 𝐘𝟐 > 𝐳𝐘𝟏
➔ Afnemende schaalopbrengsten: 𝐘𝟐 < 𝐳𝐘𝟏
Aannames:
➔ K en L zijn vast, gegeven, ze hangen niet af van andere variabelen en zijn optimaal benut.
➔ Technologische kennis is gegeven en vast.
➔ We hebben constante schaalopbrengsten.
WAARDOOR WORDT DE INKOMENSVERDELING TUSSEN DE EIGENAARS VAN
ARBEID EN INKOMEN BEPAALD?
Factorprijzen zijn de hoeveelheden die betaald worden aan elke eenheid per productiefactor. In
een economie waar K en L de enige twee inputs zijn, zijn de factorprijzen de lonen (W) die arbeiders
verdienen en de huur (R) die de eigenaars van het kapitaal verzamelen. Deze prijzen worden
bepaald door de V en het A naar die factor. Hier spreekt men van vaste productiefactoren, dus is de
A-curve verticaal. De V is echter wel variabel en wordt bepaald door de competitieve bedrijven.
De competitieve bedrijven zijn prijsnemers. Ze kunnen zo veel of weinig verkopen als ze willen, het
zal geen invloed hebben op de marktprijs door hoe klein ze zijn t.o.v. de markt waarin ze zitten.
Zowel K als L zijn in handen van de huishoudens. Zij verhuren hun kapitaal en verkopen hun arbeid.
𝐏𝐫𝐨𝐟𝐢𝐭 = 𝐎𝐩𝐛𝐫𝐞𝐧𝐠𝐬𝐭 − 𝐀𝐫𝐛𝐞𝐢𝐝𝐬𝐤𝐨𝐬𝐭𝐞𝐧 − 𝐊𝐚𝐩𝐢𝐭𝐚𝐚𝐥𝐤𝐨𝐬𝐭𝐞𝐧
𝐏𝐫𝐨𝐟𝐢𝐭 = 𝐏 𝐱 𝐅(𝐊, 𝐋) − 𝐖 𝐱 𝐋 − 𝐑 𝐱 𝐊
𝑶𝒑𝒃𝒓𝒆𝒏𝒈𝒔𝒕𝒆𝒏 − 𝑲𝒐𝒔𝒕𝒆𝒏
➔ De K en L die de winst maximaliseren zijn nog onbekend, bedrijven kiezen de gewenste
hoeveelheden terwijl ze de prijzen als gegeven nemen!
Vraag naar arbeid:
Marginaal product van arbeid (MPL)
Hoe meer arbeiders een bedrijf gebruikt, hoe meer output. Het MPL is de bijkomende hoeveelheid
output dat geleverd wordt bij een extra eenheid arbeid, gegeven een vaste hoeveelheid kapitaal.
𝐌𝐏𝐋 = 𝐅(𝐊, 𝐋 + 𝟏) − 𝐅(𝐊, 𝐋)
Er is sprake van een afnemend marginaal product: 𝐋 ↑ → 𝐌𝐏𝐋 ↓
, 3
Aangezien elke extra eenheid zorgt voor MPL aantal outputs en elke output verkocht kan worden
voor P, is de extra opbrengst gelijk aan P x MPL. De extra kosten bedragen W.
∆𝐖𝐢𝐧𝐬𝐭 = (𝐏 𝐱 𝐌𝐏𝐋) − 𝐖
Dus, de vraag naar arbeid wordt voor een competitief bedrijf gedefinieerd door:
𝐖
𝐏 𝐱 𝐌𝐏𝐋 = 𝐖 𝐨𝐟 𝐌𝐏𝐋 =
𝐏
Het reële loon (W/P) is de prijs voor arbeid uitgedrukt in eenheden van output i.p.v. in geld. Om
winst te maximaliseren gaat een bedrijf arbeid inschakelen tot MPL gelijk is aan het reële loon.
Marginaal product van kapitaal (MPK)
Het MPK is de hoeveelheid extra output die je verkrijgt bij het gebruiken van één extra eenheid
kapitaal, en het constant houden van arbeid.
Aangezien elke extra eenheid zorgt voor MPK aantal outputs en elke output verkocht kan worden
voor P, is de extra opbrengst gelijk aan P x MPK. De extra kosten bedragen R.
∆𝐖𝐢𝐧𝐬𝐭 = (𝐏 𝐱 𝐌𝐏𝐊) − 𝐑
Dus, de vraag naar arbeid wordt voor een competitief bedrijf gedefinieerd door:
𝐑
𝐏 𝐱 𝐌𝐏𝐊 = 𝐑 𝐨𝐟 𝐌𝐏𝐊 =
𝐏
De reële huurprijs (R/P) van kapitaal is de prijs voor arbeid uitgedrukt in eenheden van goederen
i.p.v. in geld. Om winst te maximaliseren gaat een bedrijf arbeid inschakelen tot MPK gelijk is aan
de reële huurprijs.
➔ Grafieken analoog MPL!
Verdeling nationaal inkomen:
Als alle bedrijven in de markt competitief en maximaliserend zijn, gaat men voor elke productiefactor
zijn marginaal product betalen. De totale uitgaven zijn gelijk aan MPL x L en MPK x K.
𝐄𝐜𝐨𝐧. 𝐖𝐢𝐧𝐬𝐭 = 𝐍𝐚𝐭𝐢𝐨𝐧𝐚𝐚𝐥 𝐢𝐧𝐤𝐨𝐦𝐞𝐧 − 𝐓𝐨𝐭𝐚𝐥𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐠𝐨𝐞𝐝𝐢𝐧𝐠 𝐚𝐫𝐛𝐞𝐢𝐝 − 𝐓𝐨𝐭𝐚𝐥𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐠𝐨𝐞𝐝𝐢𝐧𝐠 𝐤𝐚𝐩𝐢𝐭𝐚𝐚𝐥
̅ = (𝐌𝐏𝐋 𝐱 𝐋̅) + (𝐌𝐏𝐊 𝐱 𝐊
𝐘 ̅) + 𝟎
, 4
➔ Constante schaalopbrengsten, anders zou men nooit winst kunnen maximaliseren door de
mogelijkheid altijd nog te vermenigvuldigen met een bepaalde factor en iets hoger uit te
komen.
Cobb-Douglas productiefunctie:
De verdeling van het nationaal inkomen tussen arbeid en kapitaal was vrij constant over een lange
periode.
𝐌𝐏𝐊 𝐱 𝐊 = 𝐘 𝐞𝐧 𝐌𝐏𝐋 𝐱 𝐋 = (𝟏 − )𝐘
Productiefunctie met deze eigenschap is (constante schaalopbrengsten): 𝐅(𝐊, 𝐋) = 𝐀𝐊 𝐋−𝟏
➔ A = parameter groter dan 0 voor de productiviteit van de beschikbare technologie.
➔ = de fractie van het inkomen uitgegeven aan kapitaal tussen 0 en 1.
𝐘
➔ 𝐌𝐏𝐋 = (𝟏 − ) 𝐀𝐊 𝐋− = (𝟏 − ) 𝐋 𝐌𝐏𝐋 𝐱 𝐋 = (𝟏 − )𝐘
𝐘
➔ 𝐌𝐏𝐊 = 𝐀𝐊 −𝟏 𝐋𝟏− = 𝐌𝐏𝐊 𝐱 𝐊 = 𝐘
𝐊
In beide gevallen zal een stijging in altijd het tegenovergestelde gevold met zich meebrengen voor
K en L. Een verhoging van het kapitaalbedrag verhoogt de MPL en verlaagt de MPK. Een
technologische vooruitgang die A verhoogt, verhoogt het MPK en het MPL proportioneel.
WAT BEPAALT HOE NATIONAAL INKOMEN WORDT VERDEELD OVER C, I EN G?
We gaan uit van een gesloten economie (geen NX): 𝐘 = 𝐂 + 𝐈 + 𝐆
Consumptie (C):
Het inkomen dat overblijft na het betalen van belastingen is het beschikbaar inkomen. Dit wordt
verdeeld door huishoudens over sparen en consumptie.
➔ 𝐂 = 𝐂(𝐘 − 𝐓)
Hoe groter het beschikbaar inkomen of hoe lager de belastingen, hoe meer consumptie. De
marginale consumptieneiging (MPC) is de fractie van bijkomend beschikbaar inkomen dat een
gezin besteedt aan consumptiegoederen en dus niet spaart. De helling van de consumptiefunctie (=
MPC) toont hoeveel consumptie toeneemt bij een stijging van het beschikbaar inkomen van €1.
Investeringen (I):
Zowel huishoudens als bedrijven kopen investeringsgoederen. De hoeveelheid gevraagde
investeringsgoederen hangt af van de (reële) interestvoet, dit is de kost die gepaard gaat met het
financieren van investeringen. Ideaal zijn de opbrengsten groter dan de kosten.
, 5
Nominale interestvoet (i) = gewone interestvoet, wordt betaald door investeerders om geld te
lenen.
Reële interestvoet (r) = gecorrigeerde nominale interestvoet voor inflatie, dit is de echte kost van
lenen en bepaalt de hoeveelheid investeringen. De opportuniteitskost van het gebruik van eigen
middelen om investeringsuitgaven te financieren.
➔ 𝐈 = 𝐈(𝐫)
➔ Negatief verband tussen I en r.
Overheidsbestedingen (G):
Bestedingen van goederen en diensten door de overheid. Het gaat hier niet om transacties of
overdrachten, maar het effectief aankopen van iets.
➔ 𝐆= 𝐆 ̅ en 𝐓= 𝐓 ̅ , beiden zijn exogeen en constant. Ze kunnen wel veranderen,
maar niet door een variabele binnen het model.
Er zijn 3 mogelijke stadia waarin de markt zich kan bevinden:
➔ Balanced budget: 𝐆 = 𝐓
➔ Budget deficit, overheid leent geld in de financiële markt: 𝐆 > 𝐓
➔ Budget surplus, overheid kan schulden terugbetalen: 𝐆 < 𝐓
WAT BRENGT DE VRAAG EN HET AANBOD AAN GOEDEREN EN DIENSTEN IN
EVENWICHT?
Goederenmarkt:
De vraag naar de outputs van de economie komt van consumptie, investeringen en
overheidsaankopen. Eerder zagen we dan het aanbod afhangt van productiefactoren. Als we nu
beiden samenvoegen met alle aannames in het achterhoofd krijgen we:
̅ , 𝐋̅) = 𝐘
𝐘 = 𝐅(𝐊 ̅
̅ = 𝐂(𝐘
𝐘 ̅−𝐓 ̅
̅) + 𝐈(𝐫) + 𝐆
Hieruit kan je concluderen dat het aanbod van outputs gelijk is aan de vraag. ‘r’ is een endogene
variabele en past zich aan om de V en het A aan goederen en diensten in evenwicht te brengen.
Markt voor leenfondsen:
De vraag naar leenfondsen komt van investeringen. Bedrijven lenen om uitgaven aan installaties
etc. te financieren. Consumenten lenen om nieuwe huizen te kopen. De prijs van leenfondsen (r) is
de kost om te lenen.
Het aanbod aan leenfondsen komt van sparen. Huishoudens gebruiken hun spaargeld om
bankdeposito’s te doen en obligaties en andere activa te kopen. Deze fondsen komen beschikbaar
voor bedrijven om investeringsuitgaven te lenen en te financieren. De overheid kan ook bijdragen
aan sparen als ze niet alle belastinginkomsten uitgeeft die ze ontvangt.
, 6
Het nationaal sparen (S) bestaat uit 2 delen: het privaat sparen en het publiek sparen.
➔ 𝐒 = (𝐘 − 𝐓 − 𝐂) + 𝐓 − 𝐆 = 𝐘 − 𝐂 − 𝐆
Er zijn 3 mogelijke stadia waarin de markt zich kan bevinden (zie vorige pagina):
➔ 𝐆 = 𝐓 : begroting in evenwicht en geen publiek sparen.
➔ 𝐆 > 𝐓 : begrotingstekort en publiek sparen is negatief.
➔ 𝐆 < 𝐓 : begrotingsoverschot, gelijk aan publiek sparen.
De rente wordt aangepast om sparen en investeren in balans
te brengen. De verticale curve is het aanbod van leenfondsen,
welke hier niet afhankelijk is van r. Het snijpunt van de curven
bepaald de evenwichtsrente. De r zal zich altijd aanpassen
tot men zich in een evenwichtssituatie bevindt.
Voorbeeld:
Stel dat G stijgt, dan zou Y ook moeten stijgen met dezelfde hoeveelheid. Aangezien Y vast is door
de productiefactoren, moeten we zoeken naar iets anders. Het beschikbare inkomen is onveranderd,
het enige wat dus kan veranderen zijn de investeringen. Een stijging van G zorgt voor een stijging
van r en dus een daling van I.
Op de leenfondsenmarkt gaat hierdoor de aanbodcurve naar links. De overheid moet haar aankopen
financieren a.d.h.v. leningen als een stijging van G niet gepaard gaat met een stijging van T. Men zal
dus minder sparen waardoor het nationaal inkomen daalt. Dit verklaart de stijging in r.
MACRO-ECONOMIE 2025
INLEIDING
PRIJZEN: FLEXIBEL VERSUS STROPERIG
Lange termijn (LT): prijzen flexibel, inspelend op veranderingen in vraag (V) en aanbod (A).
➔ Klassieke economische theorie: de output van een economie hangt af van het aanbod van
goederen en diensten, hetgeen op zijn beurt afhangt van de beschikbaarheid van kapitaal,
arbeid en technologie.
Korte termijn (KT): prijzen “stroperig”, passen zich traag aan als reactie op veranderingen in V en
A. Mogelijk dat V en A niet gelijk zijn aan elkaar, wat dingen verklaard zoals: werkloosheid, waarom
bedrijven niet alles verkocht krijgen, ...
➔ De output hangt ook af van de vraag van de economie naar goederen en diensten. Deze
vraag is afhankelijk van: consumentenvertrouwen, perceptie over winstgevendheid,
monetaire en fiscaal beleid, ...
Marktruiming is een aanname dat prijzen flexibel zijn en zich aanpassen om vraag en aanbod met
elkaar in evenwicht te brengen.
ECONOMISCHE MODELLEN
Waarden van endogene variabelen worden in het model bepaald.
Waarden van exogene variabelen worden buiten het model bepaald, model neemt waarden en
gedrag als gegeven.
DE MIDDELLANGE TERMIJN
HOOFDSTUK 3: NATIONAAL INKOMEN
WAARDOOR WORDT HET NATIONAAL INKOMEN OF REËEL BBP BEPAALD?
GDP hangt af van het aantal inputs (productiefactoren) en de mogelijkheid om inputs om te vormen
tot outputs (productiefunctie).
Productiefunctie: factoren worden optimaal benut, er is geen overschot.
➔ Kapitaal (K ̅) = gereedschappen, machines en structuren gebruikt in het productieproces.
➔ Arbeid (L̅) = fysieke en mentale inspanningen van werknemers.
̅ , 𝐋̅) = 𝐘
𝐘 = 𝐅(𝐊 ̅
Technologie beïnvloedt de productiefunctie, als iemand een betere manier heeft een goed te
produceren, gaat men meer kunnen produceren met dezelfde input.
Schaalopbrengsten: bij constante schaalopbrengsten zorgt een stijging in inputs voor een even grote
stijging in outputs.
𝐳𝐘 = 𝐅(𝐳𝐊, 𝐳𝐋)
, 2
➔ Constante schaalopbrengsten: 𝐘𝟐 = 𝐳𝐘𝟏
➔ Toenemende schaalopbrengsten: 𝐘𝟐 > 𝐳𝐘𝟏
➔ Afnemende schaalopbrengsten: 𝐘𝟐 < 𝐳𝐘𝟏
Aannames:
➔ K en L zijn vast, gegeven, ze hangen niet af van andere variabelen en zijn optimaal benut.
➔ Technologische kennis is gegeven en vast.
➔ We hebben constante schaalopbrengsten.
WAARDOOR WORDT DE INKOMENSVERDELING TUSSEN DE EIGENAARS VAN
ARBEID EN INKOMEN BEPAALD?
Factorprijzen zijn de hoeveelheden die betaald worden aan elke eenheid per productiefactor. In
een economie waar K en L de enige twee inputs zijn, zijn de factorprijzen de lonen (W) die arbeiders
verdienen en de huur (R) die de eigenaars van het kapitaal verzamelen. Deze prijzen worden
bepaald door de V en het A naar die factor. Hier spreekt men van vaste productiefactoren, dus is de
A-curve verticaal. De V is echter wel variabel en wordt bepaald door de competitieve bedrijven.
De competitieve bedrijven zijn prijsnemers. Ze kunnen zo veel of weinig verkopen als ze willen, het
zal geen invloed hebben op de marktprijs door hoe klein ze zijn t.o.v. de markt waarin ze zitten.
Zowel K als L zijn in handen van de huishoudens. Zij verhuren hun kapitaal en verkopen hun arbeid.
𝐏𝐫𝐨𝐟𝐢𝐭 = 𝐎𝐩𝐛𝐫𝐞𝐧𝐠𝐬𝐭 − 𝐀𝐫𝐛𝐞𝐢𝐝𝐬𝐤𝐨𝐬𝐭𝐞𝐧 − 𝐊𝐚𝐩𝐢𝐭𝐚𝐚𝐥𝐤𝐨𝐬𝐭𝐞𝐧
𝐏𝐫𝐨𝐟𝐢𝐭 = 𝐏 𝐱 𝐅(𝐊, 𝐋) − 𝐖 𝐱 𝐋 − 𝐑 𝐱 𝐊
𝑶𝒑𝒃𝒓𝒆𝒏𝒈𝒔𝒕𝒆𝒏 − 𝑲𝒐𝒔𝒕𝒆𝒏
➔ De K en L die de winst maximaliseren zijn nog onbekend, bedrijven kiezen de gewenste
hoeveelheden terwijl ze de prijzen als gegeven nemen!
Vraag naar arbeid:
Marginaal product van arbeid (MPL)
Hoe meer arbeiders een bedrijf gebruikt, hoe meer output. Het MPL is de bijkomende hoeveelheid
output dat geleverd wordt bij een extra eenheid arbeid, gegeven een vaste hoeveelheid kapitaal.
𝐌𝐏𝐋 = 𝐅(𝐊, 𝐋 + 𝟏) − 𝐅(𝐊, 𝐋)
Er is sprake van een afnemend marginaal product: 𝐋 ↑ → 𝐌𝐏𝐋 ↓
, 3
Aangezien elke extra eenheid zorgt voor MPL aantal outputs en elke output verkocht kan worden
voor P, is de extra opbrengst gelijk aan P x MPL. De extra kosten bedragen W.
∆𝐖𝐢𝐧𝐬𝐭 = (𝐏 𝐱 𝐌𝐏𝐋) − 𝐖
Dus, de vraag naar arbeid wordt voor een competitief bedrijf gedefinieerd door:
𝐖
𝐏 𝐱 𝐌𝐏𝐋 = 𝐖 𝐨𝐟 𝐌𝐏𝐋 =
𝐏
Het reële loon (W/P) is de prijs voor arbeid uitgedrukt in eenheden van output i.p.v. in geld. Om
winst te maximaliseren gaat een bedrijf arbeid inschakelen tot MPL gelijk is aan het reële loon.
Marginaal product van kapitaal (MPK)
Het MPK is de hoeveelheid extra output die je verkrijgt bij het gebruiken van één extra eenheid
kapitaal, en het constant houden van arbeid.
Aangezien elke extra eenheid zorgt voor MPK aantal outputs en elke output verkocht kan worden
voor P, is de extra opbrengst gelijk aan P x MPK. De extra kosten bedragen R.
∆𝐖𝐢𝐧𝐬𝐭 = (𝐏 𝐱 𝐌𝐏𝐊) − 𝐑
Dus, de vraag naar arbeid wordt voor een competitief bedrijf gedefinieerd door:
𝐑
𝐏 𝐱 𝐌𝐏𝐊 = 𝐑 𝐨𝐟 𝐌𝐏𝐊 =
𝐏
De reële huurprijs (R/P) van kapitaal is de prijs voor arbeid uitgedrukt in eenheden van goederen
i.p.v. in geld. Om winst te maximaliseren gaat een bedrijf arbeid inschakelen tot MPK gelijk is aan
de reële huurprijs.
➔ Grafieken analoog MPL!
Verdeling nationaal inkomen:
Als alle bedrijven in de markt competitief en maximaliserend zijn, gaat men voor elke productiefactor
zijn marginaal product betalen. De totale uitgaven zijn gelijk aan MPL x L en MPK x K.
𝐄𝐜𝐨𝐧. 𝐖𝐢𝐧𝐬𝐭 = 𝐍𝐚𝐭𝐢𝐨𝐧𝐚𝐚𝐥 𝐢𝐧𝐤𝐨𝐦𝐞𝐧 − 𝐓𝐨𝐭𝐚𝐥𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐠𝐨𝐞𝐝𝐢𝐧𝐠 𝐚𝐫𝐛𝐞𝐢𝐝 − 𝐓𝐨𝐭𝐚𝐥𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐠𝐨𝐞𝐝𝐢𝐧𝐠 𝐤𝐚𝐩𝐢𝐭𝐚𝐚𝐥
̅ = (𝐌𝐏𝐋 𝐱 𝐋̅) + (𝐌𝐏𝐊 𝐱 𝐊
𝐘 ̅) + 𝟎
, 4
➔ Constante schaalopbrengsten, anders zou men nooit winst kunnen maximaliseren door de
mogelijkheid altijd nog te vermenigvuldigen met een bepaalde factor en iets hoger uit te
komen.
Cobb-Douglas productiefunctie:
De verdeling van het nationaal inkomen tussen arbeid en kapitaal was vrij constant over een lange
periode.
𝐌𝐏𝐊 𝐱 𝐊 = 𝐘 𝐞𝐧 𝐌𝐏𝐋 𝐱 𝐋 = (𝟏 − )𝐘
Productiefunctie met deze eigenschap is (constante schaalopbrengsten): 𝐅(𝐊, 𝐋) = 𝐀𝐊 𝐋−𝟏
➔ A = parameter groter dan 0 voor de productiviteit van de beschikbare technologie.
➔ = de fractie van het inkomen uitgegeven aan kapitaal tussen 0 en 1.
𝐘
➔ 𝐌𝐏𝐋 = (𝟏 − ) 𝐀𝐊 𝐋− = (𝟏 − ) 𝐋 𝐌𝐏𝐋 𝐱 𝐋 = (𝟏 − )𝐘
𝐘
➔ 𝐌𝐏𝐊 = 𝐀𝐊 −𝟏 𝐋𝟏− = 𝐌𝐏𝐊 𝐱 𝐊 = 𝐘
𝐊
In beide gevallen zal een stijging in altijd het tegenovergestelde gevold met zich meebrengen voor
K en L. Een verhoging van het kapitaalbedrag verhoogt de MPL en verlaagt de MPK. Een
technologische vooruitgang die A verhoogt, verhoogt het MPK en het MPL proportioneel.
WAT BEPAALT HOE NATIONAAL INKOMEN WORDT VERDEELD OVER C, I EN G?
We gaan uit van een gesloten economie (geen NX): 𝐘 = 𝐂 + 𝐈 + 𝐆
Consumptie (C):
Het inkomen dat overblijft na het betalen van belastingen is het beschikbaar inkomen. Dit wordt
verdeeld door huishoudens over sparen en consumptie.
➔ 𝐂 = 𝐂(𝐘 − 𝐓)
Hoe groter het beschikbaar inkomen of hoe lager de belastingen, hoe meer consumptie. De
marginale consumptieneiging (MPC) is de fractie van bijkomend beschikbaar inkomen dat een
gezin besteedt aan consumptiegoederen en dus niet spaart. De helling van de consumptiefunctie (=
MPC) toont hoeveel consumptie toeneemt bij een stijging van het beschikbaar inkomen van €1.
Investeringen (I):
Zowel huishoudens als bedrijven kopen investeringsgoederen. De hoeveelheid gevraagde
investeringsgoederen hangt af van de (reële) interestvoet, dit is de kost die gepaard gaat met het
financieren van investeringen. Ideaal zijn de opbrengsten groter dan de kosten.
, 5
Nominale interestvoet (i) = gewone interestvoet, wordt betaald door investeerders om geld te
lenen.
Reële interestvoet (r) = gecorrigeerde nominale interestvoet voor inflatie, dit is de echte kost van
lenen en bepaalt de hoeveelheid investeringen. De opportuniteitskost van het gebruik van eigen
middelen om investeringsuitgaven te financieren.
➔ 𝐈 = 𝐈(𝐫)
➔ Negatief verband tussen I en r.
Overheidsbestedingen (G):
Bestedingen van goederen en diensten door de overheid. Het gaat hier niet om transacties of
overdrachten, maar het effectief aankopen van iets.
➔ 𝐆= 𝐆 ̅ en 𝐓= 𝐓 ̅ , beiden zijn exogeen en constant. Ze kunnen wel veranderen,
maar niet door een variabele binnen het model.
Er zijn 3 mogelijke stadia waarin de markt zich kan bevinden:
➔ Balanced budget: 𝐆 = 𝐓
➔ Budget deficit, overheid leent geld in de financiële markt: 𝐆 > 𝐓
➔ Budget surplus, overheid kan schulden terugbetalen: 𝐆 < 𝐓
WAT BRENGT DE VRAAG EN HET AANBOD AAN GOEDEREN EN DIENSTEN IN
EVENWICHT?
Goederenmarkt:
De vraag naar de outputs van de economie komt van consumptie, investeringen en
overheidsaankopen. Eerder zagen we dan het aanbod afhangt van productiefactoren. Als we nu
beiden samenvoegen met alle aannames in het achterhoofd krijgen we:
̅ , 𝐋̅) = 𝐘
𝐘 = 𝐅(𝐊 ̅
̅ = 𝐂(𝐘
𝐘 ̅−𝐓 ̅
̅) + 𝐈(𝐫) + 𝐆
Hieruit kan je concluderen dat het aanbod van outputs gelijk is aan de vraag. ‘r’ is een endogene
variabele en past zich aan om de V en het A aan goederen en diensten in evenwicht te brengen.
Markt voor leenfondsen:
De vraag naar leenfondsen komt van investeringen. Bedrijven lenen om uitgaven aan installaties
etc. te financieren. Consumenten lenen om nieuwe huizen te kopen. De prijs van leenfondsen (r) is
de kost om te lenen.
Het aanbod aan leenfondsen komt van sparen. Huishoudens gebruiken hun spaargeld om
bankdeposito’s te doen en obligaties en andere activa te kopen. Deze fondsen komen beschikbaar
voor bedrijven om investeringsuitgaven te lenen en te financieren. De overheid kan ook bijdragen
aan sparen als ze niet alle belastinginkomsten uitgeeft die ze ontvangt.
, 6
Het nationaal sparen (S) bestaat uit 2 delen: het privaat sparen en het publiek sparen.
➔ 𝐒 = (𝐘 − 𝐓 − 𝐂) + 𝐓 − 𝐆 = 𝐘 − 𝐂 − 𝐆
Er zijn 3 mogelijke stadia waarin de markt zich kan bevinden (zie vorige pagina):
➔ 𝐆 = 𝐓 : begroting in evenwicht en geen publiek sparen.
➔ 𝐆 > 𝐓 : begrotingstekort en publiek sparen is negatief.
➔ 𝐆 < 𝐓 : begrotingsoverschot, gelijk aan publiek sparen.
De rente wordt aangepast om sparen en investeren in balans
te brengen. De verticale curve is het aanbod van leenfondsen,
welke hier niet afhankelijk is van r. Het snijpunt van de curven
bepaald de evenwichtsrente. De r zal zich altijd aanpassen
tot men zich in een evenwichtssituatie bevindt.
Voorbeeld:
Stel dat G stijgt, dan zou Y ook moeten stijgen met dezelfde hoeveelheid. Aangezien Y vast is door
de productiefactoren, moeten we zoeken naar iets anders. Het beschikbare inkomen is onveranderd,
het enige wat dus kan veranderen zijn de investeringen. Een stijging van G zorgt voor een stijging
van r en dus een daling van I.
Op de leenfondsenmarkt gaat hierdoor de aanbodcurve naar links. De overheid moet haar aankopen
financieren a.d.h.v. leningen als een stijging van G niet gepaard gaat met een stijging van T. Men zal
dus minder sparen waardoor het nationaal inkomen daalt. Dit verklaart de stijging in r.