Het woord ‘akoestiek’ komt uit het …
A. Latijn
B. Grieks
C. Engels
D. Nederlands
De term akoestiek komt uit het Grieks. Het is afgeleid van het Griekse woord akoestikos, wat ‘betreffende het horen’
betekent. Dat komt weer van het werkwoord akouein, wat ‘horen’ betekent.
Geluid is de hoorbare verandering van de luchtdruk.
A. Juist
B. Fout
Om geluid te kunnen hebben, is er een geluidsbron nodig. Dat wil zeggen, een object dat trilt: hierdoor ontstaan
veranderingen in de luchtdruk (bv. een pianosnaar, trommel, motor van een auto,…). Ook een luchtstroom kan
trillingen in de lucht veroorzaken (bv. blaasinstrumenten,…).
Elk trillend object kan deze variaties opwekken.
A. Juist
B. Fout
Geluid beweegt zich in de lucht voort als …
A. een transversale golf van dichtheidswisselingen in het medium
B. een longitudinale golf van dichtheidswisselingen in het medium
C. een buiggolf
D. een massa met een bepaalde snelheid
Hoe hoger de frequentie van het trillend object, …
A. hoe luider het geluid
B. hoe lager de toon of toonhoogte van het geluid
C. hoe hoger de toon of toonhoogte van het geluid
D. hoe stiller het geluid
De grondtoon is …
A. een component van het complexe geluid
B. de hoogste frequentie van een complex geluid
C. de laagste frequentie die wordt geproduceerd door een muziekinstrument
D. een toon die komt uit bouwgrond
, De klankkleur of het timbre …
A. wordt bepaald door de kleur van de muziekinstrument (bruine gitaar, witte piano, gouden trompet)
B. wordt bepaald door de verhouding van de boventonen tot de grondtoon
C. helpt ons het verschil tussen verschillende menselijke stemmen te horen en mensen identificeren
D. helpt om muziekinstrumenten (zonder kijken) te onderscheiden
De frequentie …
A. drukt het aantal golftoppen (of –dalen) per seconde in een sinusoïdale golf uit
B. wordt uitgedrukt in (Hz)
C. drukt uit hoe vaak iets gebeurt of voorkomt binnen een bepaalde tijd
D. wordt uitgedrukt in (m/s)
Lucht is elastisch medium. Een trillend voorwerp zorgt ervoor dat luchtdeeltjes in de lucht bewegen. Deze
luchtdeeltjes bewegen heen en terug rond hun evenwichtspunt en doen zo hun ‘buren’ ook bewegen. De
geluidsgolf plant zich hierdoor voort. De deeltjes bewegen in een bepaald ritme: de frequentie. Hoe sneller de
trilling, hoe hoger de frequentie. Hoe groter de afbuiging van moleculen tijdens de trilling, hoe luider de
geluidsamplitude. De frequentie heeft geen invloed op de amplitude en omgekeerd.
De amplitude is de hoogte van een geluidsgolf, frequentie is hoe vaak een geluidsgolf trilt per seconde, en
golflengte is de afstand tussen twee opeenvolgende punten op een geluidsgolf.
De amplitude van een geluidsgolf …
A. wordt bepaald door de afstand tussen een bron een ontvanger
B. bepaalt de grootte, of sterkte, van een trilling
C. is de waarde vanaf nul tot aan de maximale uitwijking van een golf
D. is de duur van het herhalingsmotief van een sinusoïdale golf
Lucht is elastisch medium. Een trillend voorwerp zorgt ervoor dat luchtdeeltjes in de lucht bewegen. Deze
luchtdeeltjes bewegen heen en terug rond hun evenwichtspunt en doen zo hun ‘buren’ ook bewegen. De
geluidsgolf plant zich hierdoor voort. De deeltjes bewegen in een bepaald ritme: de frequentie. Hoe sneller de
trilling, hoe hoger de frequentie. Hoe groter de afbuiging van moleculen tijdens de trilling, hoe luider de
geluidsamplitude. De frequentie heeft geen invloed op de amplitude en omgekeerd.
De amplitude is de hoogte van een geluidsgolf, frequentie is hoe vaak een geluidsgolf trilt per seconde, en
golflengte is de afstand tussen twee opeenvolgende punten op een geluidsgolf.
De golflengte …
A. is de lengte van het herhalingsmotief van een sinusoïdale golf
B. is de waarde vanaf de nul tot aan de maximale uitslag (sterkte) van een golf
C. is de afstand tussen twee opeenvolgende punten met dezelfde fase, zoals de toppen van een sinusvormige
golf
D. is de lengte van een golf die nodig is tijdens het voorplanten van een bron naar een ontvanger
De amplitude is de hoogte van een geluidsgolf, frequentie is hoe vaak een geluidsgolf trilt per seconde, en
golflengte is de afstand tussen twee opeenvolgende punten op een geluidsgolf.
, Het zwakst hoorbare geluid is …
A. 20 μPa
B. 20 kPa
C. 20 mPa
D. 2.10-5 Pa
Het zwakst hoorbare geluid 20 μPa. De pijngrens is 20 - 100 Pa.
De geluidssnelheid hangt van …
A. de vorm en het volume van een ruimte
B. de vastheid, de dichtheid en de temperatuur van het voortplantingsmedium
C. de geluidsbron
D. de amplitude van de golf
Geluidssnelheid is de snelheid waarmee geluidsgolven zich voortbewegen. Dit hangt af van de vastheid, de
dichtheid ρ en de temperatuur T van het voortplantingsmedium.
De geluidintensiteit …
A. kan worden uitgedrukt als het product van de rms druk prms en de rms deeltjessnelheid vrms
B. wordt gewoonlijk weergegeven als het vermogen per eenheid van oppervlakte
Geluidsintensiteit (I) is de hoeveelheid geluidsenergie die per seconde door een oppervlak van 1 m² gaat. Het wordt
gemeten in Watt per vierkante meter (W/m²). Het vertelt ons hoe krachtig het geluid is op een bepaalde plek. Hoe
dichter je bij een geluidsbron staat, hoe hoger de intensiteit. Naarmate je verder weg gaat, wordt het zwakker.
Rms betekent root mean square, oftewel de wortel van het kwadratisch gemiddelde. De gemiddelde
geluidintensiteit in een medium (zoals lucht) is gelijk aan het product van: de rms-geluiddruk prms (in Pascal) en de
rms-deeltjessnelheid vrms (in m/s).
Geluiddrukniveau wordt gedefinieerd als …
2
𝑝𝑝𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟
A. 𝐿𝐿𝑝𝑝 = 10 ∗ 𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙
𝑝𝑝02
2
𝑝𝑝𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟
B. 𝐿𝐿𝑝𝑝 = 10 + 𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙
𝑝𝑝02
𝑝𝑝𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟
C. 𝐿𝐿𝑝𝑝 = 20 ∗ 𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙
𝑝𝑝0
D. 𝐿𝐿𝑝𝑝 = 20 ∗ (𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙 𝑝𝑝𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟 − 𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙𝑙 𝑝𝑝0 )
𝑝𝑝𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟 is de rms geluidsdruk (Pa) gemeten op bepaalde positie en p0 is de rms gehoorsdrempel.
Geluiddrukniveau …
A. daalt met 6 dB per afstandsverdubbeling voor een puntbron
B. daalt met 6 dB per afstandsverdubbeling voor een lijnbron
Voor een bolvormige spreiding (een puntbron) geldt: I2 = (I1 ∗ r12 ) / r22 ≈ 6 dB / afstandsverdubbeling.