DEEL 3: HET SPECTRUM: PERSPECTIEVEN IN DE
SOCIOLOGIE
1 Hoofdstuk 1: paradigmatische pluralisme: een oriëntatie...................................................................3
1.1 Een veelheid aan scholen, stromingen en paradigma’s................................................................3
1.2 Een oriëntatiemodel voor sociologische stromingen....................................................................6
2 Hoofdstuk 2: het symbolisch interactionisme.....................................................................................8
2.1 mead als grondlegger van het interactionalisme..........................................................................8
2.2 blumer: het symbolisch interactionisme.....................................................................................10
2.3 coffman.......................................................................................................................................10
2.3.1 het toneelspel van het dagelijks leven.................................................................................10
2.3.2 Stigma..................................................................................................................................11
2.3.3 totale instituties...................................................................................................................11
2.4 mogelijkheden en moeilijkheden van het interactionistische paradigma...................................12
2.4.1 de bijdragen aan het bestuderen van afwijkend gedrag......................................................12
2.4.2 enkele bedenkingen.............................................................................................................14
3 Hoofdstuk 3: sociale ruiltheorie.........................................................................................................15
3.1 de socialeruiltheorie...................................................................................................................15
3.1.1 Homans’ individualistische benadering van sociale ruil.......................................................16
3.1.2 Blau......................................................................................................................................18
3.2 Rationele Keuzetheorie..............................................................................................................19
3.2.1 Toepassingen van de rationele keuzetheorie......................................................................19
3.2.2 Beperkingen aan rationaliteit..............................................................................................19
3.2.3 Collectieve goederen en collectieve acties..........................................................................20
3.2.4 Tragedy of the commons.....................................................................................................21
3.3 De speltheorie............................................................................................................................21
3.3.1 Het Dilemma van de gevangene..........................................................................................21
3.3.2 Tit-for-Tat.............................................................................................................................22
3.4 Besluit: rationele ruil als mogelijkheid om sociaal handelen te begrijpen..................................22
1
Sociologie voor sociaal werk
,4 Hoofdstuk 4: conflictsociologie..........................................................................................................24
4.1 Inleiding......................................................................................................................................24
4.2 Karl Marx...................................................................................................................................24
4.2.1 Arbeid als sleutelbegrip.......................................................................................................24
4.2.2 Bouwstenen van maatschappij-analyse...............................................................................25
4.2.3 Structureel conflict..............................................................................................................26
4.2.4 Menselijke prijs: vervreemding of aliënatie.........................................................................27
4.2.5 Kritisch besluit.....................................................................................................................29
4.3 Conflictsociologie na marx..........................................................................................................29
4.3.1 Dahrendorf..........................................................................................................................30
4.3.2 Mills.....................................................................................................................................30
4.3.3 Marcuse...............................................................................................................................31
4.3.4 Habermans..........................................................................................................................34
4.4 Besluit.........................................................................................................................................36
5 Hoofdstuk 5: structureel – functionalisme........................................................................................37
5.1 Oorsprong van het functionalisme.............................................................................................37
5.2 Durkheim en de verdere uitbouw van het functionalistische denken........................................38
5.2.1 Arbeidsdeling.......................................................................................................................38
5.2.2 Zelfdoding............................................................................................................................38
5.3 Het functionalisme van Merton..................................................................................................39
5.3.1 Functies en disfuncties.........................................................................................................40
5.3.2 Manifeste en latente functies..............................................................................................41
5.4 Het structureel functionalisme van Parsons...............................................................................41
5.4.1 AGIL-schema van Parsons....................................................................................................43
5.4.2 Parsons’ theorie over macht en beïnvloeding.....................................................................46
5.4.3 De patroonvariabelen van Parsons......................................................................................49
5.4.4 De patroonvariabelen als een veelzijdig analyse-instrument..............................................52
5.5 De verdiensten en tekortkomingen van het (structureel) functionalisme..................................53
2
Sociologie voor sociaal werk
,1 HOOFDSTUK 1: PARADIGMATISCHE
PLURALISME: EEN ORIËNTATIE
Zoemt in op het sociologisch denken
Sociologie is geen wetenschap waarin één paradigma toonaangevend is MAAR een
wetenschap waar verschillende theoretische stromingen naast elkaar bestaan
= paradigmatisch pluralisme
Indeling van verschillende paradigma’s is er geen eensgezindheid
1.1 EEN VEELHEID AAN SCHOLEN, STROMINGEN EN
PARADIGMA’S
Sociologie = empirische wetenschap die over mensen en hun interacties verifieerbare
uitspraken beoogt
Opvallende kenmerken van sociologie = geen gemeenschappelijk standpunt is over die
basisveronderstellingen
Sociologische stromingen situeren zich op metaniveau
1) Theoretische controverse en discussies => centrale plaats
a. Inzicht draagt bij tot vollediger begrip van deze wetenschap
2) Binnen welk paradigma een sociologische theorie zich situeert om theorie en haar implicaties
voor sociaal handelen te kunnen kaderen
3) Toelichting van paradigmatische pluralisme verschil in basisveronderstelling leidt tot
eenzelfde probleem vanuit verschillende hoeken kan belichten
a. Verschil = aanvullend geeft vollediger beeld van complexe sociale realiteit
b. Professioneel handelen dat gebaseerd is op menswetenschappelijke inzichten moet
op deze rijkdom aan invalshoeken baseren
c. Onderzoekers en beleidsmakers anders mogelijke probleemoplossingen buiten
beschouwing laten
d. Paradigmatisch pluralisme => meerdere waarheden zijn als mensen elkaar
beïnvloeden
3
Sociologie voor sociaal werk
, Diversiteit in theoretische uitganspunten te benoemen = paradigma
o = specifieke combinatie van uitgangspunten, theorieopvattingen en voorschriften
van methodologische aard van waaruit naar werkelijkheid gekeken wordt
Wetenschapsbeoefening als (beroeps)activiteit = maatschappelijk bepaald
o Wetenschapsbeoefening als menselijke activiteit wordt beïnvloed door sociale
processen op micro-, meso- en macroniveau
o Invloed uit zich in het gegeven dat ‘succes’ van een theoretisch uitgangspunt niet
alleen bepaald wordt door waarheidsgehalte ervan maar ook door andere sociale
factoren
Paradigma bepaald wat onderzoekers zullen bestuderen, onderzoeksvragen worden, hoe
deze onderzocht worden en hoe antwoorden worden geïnterpreteerd
Belangrijkste inzicht (Kuhn) = wetenschapsbeoefening geen loutere cumulatie van kennis is
o Enkel in bepaalde periodes van wetenschapsontwikkeling waar bepaald paradigma
algemeen aanvaard wordt
o Periodes van strijd tussen onderscheiden referentiekaders
Paradigma vervult regulerende functie gedurende bepaalde periode binnen discipline
Paradigma door maatschappelijke factoren bepaald evolueren tot ideologie
Ideologie = voorstelling van werkelijkheid die als functie heeft belangen te behartigen
waarbij dat belang wordt voorgesteld als algemeen belang
Paradigma zo aanhangt soort levensbeschouwing waar loyaliteit aan bepaalde groep
belangrijker wordt dan open geest die noodzakelijk is voor kritische wetenschapsbeoefening
o Paradigma wordt middel om van kritiek af te schermen
o Paradigma’s worden symbolische ‘wapens’
o Inzet van strijd die eigenlijk draait om het verkrijgen van maatschappelijk schaarse
goederen als financiële middelen, macht en status
4
Sociologie voor sociaal werk
SOCIOLOGIE
1 Hoofdstuk 1: paradigmatische pluralisme: een oriëntatie...................................................................3
1.1 Een veelheid aan scholen, stromingen en paradigma’s................................................................3
1.2 Een oriëntatiemodel voor sociologische stromingen....................................................................6
2 Hoofdstuk 2: het symbolisch interactionisme.....................................................................................8
2.1 mead als grondlegger van het interactionalisme..........................................................................8
2.2 blumer: het symbolisch interactionisme.....................................................................................10
2.3 coffman.......................................................................................................................................10
2.3.1 het toneelspel van het dagelijks leven.................................................................................10
2.3.2 Stigma..................................................................................................................................11
2.3.3 totale instituties...................................................................................................................11
2.4 mogelijkheden en moeilijkheden van het interactionistische paradigma...................................12
2.4.1 de bijdragen aan het bestuderen van afwijkend gedrag......................................................12
2.4.2 enkele bedenkingen.............................................................................................................14
3 Hoofdstuk 3: sociale ruiltheorie.........................................................................................................15
3.1 de socialeruiltheorie...................................................................................................................15
3.1.1 Homans’ individualistische benadering van sociale ruil.......................................................16
3.1.2 Blau......................................................................................................................................18
3.2 Rationele Keuzetheorie..............................................................................................................19
3.2.1 Toepassingen van de rationele keuzetheorie......................................................................19
3.2.2 Beperkingen aan rationaliteit..............................................................................................19
3.2.3 Collectieve goederen en collectieve acties..........................................................................20
3.2.4 Tragedy of the commons.....................................................................................................21
3.3 De speltheorie............................................................................................................................21
3.3.1 Het Dilemma van de gevangene..........................................................................................21
3.3.2 Tit-for-Tat.............................................................................................................................22
3.4 Besluit: rationele ruil als mogelijkheid om sociaal handelen te begrijpen..................................22
1
Sociologie voor sociaal werk
,4 Hoofdstuk 4: conflictsociologie..........................................................................................................24
4.1 Inleiding......................................................................................................................................24
4.2 Karl Marx...................................................................................................................................24
4.2.1 Arbeid als sleutelbegrip.......................................................................................................24
4.2.2 Bouwstenen van maatschappij-analyse...............................................................................25
4.2.3 Structureel conflict..............................................................................................................26
4.2.4 Menselijke prijs: vervreemding of aliënatie.........................................................................27
4.2.5 Kritisch besluit.....................................................................................................................29
4.3 Conflictsociologie na marx..........................................................................................................29
4.3.1 Dahrendorf..........................................................................................................................30
4.3.2 Mills.....................................................................................................................................30
4.3.3 Marcuse...............................................................................................................................31
4.3.4 Habermans..........................................................................................................................34
4.4 Besluit.........................................................................................................................................36
5 Hoofdstuk 5: structureel – functionalisme........................................................................................37
5.1 Oorsprong van het functionalisme.............................................................................................37
5.2 Durkheim en de verdere uitbouw van het functionalistische denken........................................38
5.2.1 Arbeidsdeling.......................................................................................................................38
5.2.2 Zelfdoding............................................................................................................................38
5.3 Het functionalisme van Merton..................................................................................................39
5.3.1 Functies en disfuncties.........................................................................................................40
5.3.2 Manifeste en latente functies..............................................................................................41
5.4 Het structureel functionalisme van Parsons...............................................................................41
5.4.1 AGIL-schema van Parsons....................................................................................................43
5.4.2 Parsons’ theorie over macht en beïnvloeding.....................................................................46
5.4.3 De patroonvariabelen van Parsons......................................................................................49
5.4.4 De patroonvariabelen als een veelzijdig analyse-instrument..............................................52
5.5 De verdiensten en tekortkomingen van het (structureel) functionalisme..................................53
2
Sociologie voor sociaal werk
,1 HOOFDSTUK 1: PARADIGMATISCHE
PLURALISME: EEN ORIËNTATIE
Zoemt in op het sociologisch denken
Sociologie is geen wetenschap waarin één paradigma toonaangevend is MAAR een
wetenschap waar verschillende theoretische stromingen naast elkaar bestaan
= paradigmatisch pluralisme
Indeling van verschillende paradigma’s is er geen eensgezindheid
1.1 EEN VEELHEID AAN SCHOLEN, STROMINGEN EN
PARADIGMA’S
Sociologie = empirische wetenschap die over mensen en hun interacties verifieerbare
uitspraken beoogt
Opvallende kenmerken van sociologie = geen gemeenschappelijk standpunt is over die
basisveronderstellingen
Sociologische stromingen situeren zich op metaniveau
1) Theoretische controverse en discussies => centrale plaats
a. Inzicht draagt bij tot vollediger begrip van deze wetenschap
2) Binnen welk paradigma een sociologische theorie zich situeert om theorie en haar implicaties
voor sociaal handelen te kunnen kaderen
3) Toelichting van paradigmatische pluralisme verschil in basisveronderstelling leidt tot
eenzelfde probleem vanuit verschillende hoeken kan belichten
a. Verschil = aanvullend geeft vollediger beeld van complexe sociale realiteit
b. Professioneel handelen dat gebaseerd is op menswetenschappelijke inzichten moet
op deze rijkdom aan invalshoeken baseren
c. Onderzoekers en beleidsmakers anders mogelijke probleemoplossingen buiten
beschouwing laten
d. Paradigmatisch pluralisme => meerdere waarheden zijn als mensen elkaar
beïnvloeden
3
Sociologie voor sociaal werk
, Diversiteit in theoretische uitganspunten te benoemen = paradigma
o = specifieke combinatie van uitgangspunten, theorieopvattingen en voorschriften
van methodologische aard van waaruit naar werkelijkheid gekeken wordt
Wetenschapsbeoefening als (beroeps)activiteit = maatschappelijk bepaald
o Wetenschapsbeoefening als menselijke activiteit wordt beïnvloed door sociale
processen op micro-, meso- en macroniveau
o Invloed uit zich in het gegeven dat ‘succes’ van een theoretisch uitgangspunt niet
alleen bepaald wordt door waarheidsgehalte ervan maar ook door andere sociale
factoren
Paradigma bepaald wat onderzoekers zullen bestuderen, onderzoeksvragen worden, hoe
deze onderzocht worden en hoe antwoorden worden geïnterpreteerd
Belangrijkste inzicht (Kuhn) = wetenschapsbeoefening geen loutere cumulatie van kennis is
o Enkel in bepaalde periodes van wetenschapsontwikkeling waar bepaald paradigma
algemeen aanvaard wordt
o Periodes van strijd tussen onderscheiden referentiekaders
Paradigma vervult regulerende functie gedurende bepaalde periode binnen discipline
Paradigma door maatschappelijke factoren bepaald evolueren tot ideologie
Ideologie = voorstelling van werkelijkheid die als functie heeft belangen te behartigen
waarbij dat belang wordt voorgesteld als algemeen belang
Paradigma zo aanhangt soort levensbeschouwing waar loyaliteit aan bepaalde groep
belangrijker wordt dan open geest die noodzakelijk is voor kritische wetenschapsbeoefening
o Paradigma wordt middel om van kritiek af te schermen
o Paradigma’s worden symbolische ‘wapens’
o Inzet van strijd die eigenlijk draait om het verkrijgen van maatschappelijk schaarse
goederen als financiële middelen, macht en status
4
Sociologie voor sociaal werk