Leerdoelen:
• Legt uit welke rol de vocht- en elektrolytenbalans spelen bij het in stand
houden van de homeostase.
• Beschrijft kenmerken en functie van het intravasculaire-, de
intracellulaire- en het interstitiële compartiment.
• Legt uit wat er wordt verstaan onder begrippen osmose, diffusie, filtratie
en colloïd osmotische druk.
• Beschrijft de rol van natrium-, kalium- en albumineconcentratie met
betrekking tot de vochtverdeling tussen de compartimenten.
• Beredeneert naar welk compartiment vocht zich verplaatst bij
verandering in osmolariteit en/of colloïd osmotische druk.
• Beschrijft het mechanisme van actief transport van natrium en kalium
over de celmembraan.
• Beschrijft wat er wordt verstaan onder een hypotone-, isotone-, en
hypertone oplossing.
• Geeft bij prerenale, renale en postrenale nierinsufficiëntie aan:
o wat mogelijke oorzaken kunnen zijn.
o welke observaties, controles en metingen er moet worden
uitgevoerd.
o welke maatregelen kunnen worden genomen om complicaties te
voorkomen.
o op welke wijze complicaties de overige vitale functies beïnvloeden.
• Benoemt de hoofdfasen van de stollingscascade.
• Benoemt de invloed van verstoringen van de homeostase op de
stollingscascade, zoals temperatuur en pH.
• Benoemt wat de principes zijn van veelvoorkomende behandelingen om
in te grijpen in het stollingsproces.
• Benoemt wanneer bij een patiënt een verhoogd bloedings- en
stollingsrisico aanwezig is.
• Benoemt symptomen en observaties om een bloeding in een vroeg
stadium te signaleren.
• Benoemt (contra)indicaties voor de bloedproducten RBC, FFP en
Trombocyten.
• Benoemt symptomen en observaties om complicaties van transfusie van
bloed(producten) in een vroeg stadium vast te stellen.
• Legt uit welke rol de tractus digestivus speelt bij het in stand houden
van de homeostase.
,• Benoemt symptomen en observaties om complicaties van de tractus
digestivus in een vroeg stadium vast te stellen.
• Beschrijft de algemene en specifieke afweer van het menselijk lichaam.
• Maakt onderscheid tussen begrippen besmetting, kolonisatie, infectie,
en (kruis)infecties.
• Beschrijft verschillende componenten van de besmettingscyclus.
• Beschrijft factoren waardoor een besmetting tot infectie evolueert.
, Water en zout (Hoofdstukken: 2,3,4,6,7 & 8)
Vocht in het lichaam is verdeeld over het intracellulaire en extracellulaire
compartiment. Extracellulair bestaat weer uit extravasculair (interstitium)
en intravasculair.
Totale lichaamswater (TLC) Is 60% van het lichaamsgewicht.
Intracellulair volume (ICV): 2/3 [30L bij man]
Extracellulair volume (ECV): 1/3 [15L bij man]
o Interstitium: 2/3 van ECV [10L]
o Intravasculair: 1/3 van ECV [5L]
Osmolariteit Concentratie opgeloste deeltjes. Hoge osmolariteit is veel
opgeloste deeltjes en andersom. Compartimenten met een hoge
osmolariteit trekken water aan, deze deeltjes zullen dan door het
semipermeabel membraan diffunderen. (Wordt weergegeven in mosm/L).
! Intracellulair heeft K+ de meeste invloed op de osmolariteit en
extracellulair is dat Na+. Doordat buiten de cel meer natrium zit en in de
cel meer kalium.
De waterbalans wordt gereguleerd in de hersenen onder invloed van
osmoreceptoren. Het dorstcentrum in de hypothalamus geeft wanneer
nodig een dorstprikkel af. Daarnaast regelt de hypofyse de uitscheiding
van vocht doormiddel van het antidiuretisch hormoon (ADH).
Normale plasmaosmolariteit = 280 mosm/L.
o De natriumzouten in het plasma zijn gesplitst in Natrium, Chloride
en Bicarbonaat. Aangezien Na = Cl + HCO3 wordt de
plasmaosmolariteit berekend als:
Plasmaosmolariteit = 2x [Na] = 2x 140 mmol/L = 280 mosm/L
(Hierin kunnen ook 1x glucose en ureum worden meegenomen,
strikt gezien OF 2x [Na] + Glucose).
Toename van plasma osmolariteit komt door: Verlies van water of opname
van zout. Dit stimuleert osmoreceptoren = Meer ADH dus minder diurese.
Ook zal het dorstcentrum geprikkeld worden.
Ook bij een verlaagde tensie wordt er vocht vastgehouden door afgifte
van ADH.
Redenen voor een infuus
o Op peil houden of herstellen van circulerend volume
o Corrigeren elektrolyten tekort
o Toediening medicatie
o Toediening parenterale voeding
o Transfusie bloedproducten
o Herstellen intracellulair volume