Hoofdstuk 1: Vaktaal en Terminologie
1.1 Basisbewegingen
Gaan: Gewicht verplaatsen zonder het eerste steunpunt volledig te
verlaten.
Lopen: Gewicht verplaatsen waarbij het eerste steunpunt verlaten
wordt.
Hinken: Springen op één voet.
Huppen: Springen met beide voeten samen.
Heffen: Een lidmaat of de romp omhoog bewegen.
Neigen: De romp gestrekt bewegen t.o.v. de onderste ledematen.
Zwaaien: Heen en weer bewegen rond een vaste draaias.
Slingeren: Heen en weer bewegen rond een meependelende
draaias.
Uitvallen: Eén voet verplaatsen met gebogen been en gestrekt
standbeen.
Uitstappen: Eén voet verplaatsen met gestrekt been en gebogen
standbeen.
1.2 Houdingen in het toestelturnen
1.2.1 Belang van houdingen
Essentieel voor technieken zoals kipbewegingen, felgbewegingen,
sprongen en steunen.
"Optimale uitgangspositie" is cruciaal voor een correcte uitvoering.
Houdingservaring helpt bij lichaamscontrole en oriëntatie in de
ruimte.
Kracht en lenigheid kunnen een beperkende factor zijn.
1.2.2 Soorten houdingen
Standhoudingen: Lichaamszwaartepunt boven het
ondersteuningsvlak.
o Voorbeelden: Stand op 1 of 2 benen, kniestand, kaarsstand,
kopstand, handenstand.
Lighoudingen: Bijna alle lichaamssegmenten raken de ondergrond.
, o Voorbeelden: Ruglig, buiklig, zijlig, vouwlig.
Zithoudingen: Zitvlak of dijen in contact met de ondergrond.
o Voorbeelden: Hurkzit, hoekzit, spreidzit.
Hanghoudingen: Schouderas onder de toestelas.
o Voorbeelden: Strekhang, kniehang, vouwhang.
Steunhoudingen: Lichaamsdraaias boven het ondersteuningsvlak.
o Voorbeelden: Evenwijdige steun, dwarse steun,
bovenarmsteun.
Varianten: Houdingen kunnen gehurkt, gehoekt of gespreid
uitgevoerd worden.
Krachtelementen: Evenwichtshoudingen in hang of steun die extra
kracht vereisen.
1.3 Bewegingsrichtingen in toestelturnen
1.3.1 Lichaamsassen
1. Lengte-as (LM): Cephalo-caudale as.
2. Breedte-as (LBA): Latero-laterale as.
3. Diepte-as (LDA): Dorso-ventrale as.
1.3.2 Richtingen
Voorwaarts: Beweging in de richting van de lichaamsvoorzijde.
Rugwaarts: Beweging in de richting van de rugzijde.
Zijwaarts: Beweging naar linker- of rechterflank.
1.3.3 Zwaaibewegingen
Zwaaien rond een vaste draai-as: Bijv. brugligger of rekstok.
Voorwaartse zwaai: Benen en romp zwaaien in blikrichting.
Rugwaartse zwaai: Benen en romp zwaaien tegen blikrichting in.
1.3.4 Rotaties en greepveranderingen
Zwaaien over de x-as heen: Wisseling tussen hang en steun.
Behouden van draairichting bij loslaten van greep.
o Voorbeeld: Rugwaartse zwaai → voorwaartse salto.
o Voorwaartse zwaai → rugwaartse salto.
,1.3.5 Principes bij zwaaibewegingen
Onder de draai-as → subjectief voorwaartse beweging, maar
objectief rugwaartse rotatie.
Over de draai-as heen → subjectieve en objectieve
bewegingsrichting gelijk.
Hoofdstuk 2: Helpen en Bijstaan in Gymnastiek
2.1 Inleiding
Het inzetten van helpers bij gymnastiek leidt niet automatisch tot
samenwerkend leren.
De doelstellingen van de leraar bepalen of de helper wordt ingezet
voor:
o Veiligheid,
o Meer leerlingen gelijktijdig laten oefenen,
o Vrijmaken van de leraar om te observeren en
evalueren,
o Aanpassen van de oefening voor minder vaardige
leerlingen.
Helpen is een motorische vaardigheid en moet systematisch
worden aangeleerd.
Samenwerken vereist communicatie en overleg, dit zijn aan te
leren competenties.
2.2 Samenwerkingsvaardigheden in het helpen
1. Zich present opstellen
o Spontaan hulp aanbieden.
o Zorg dragen voor veilige opstellingen zoals springplanken en
landingsmatten.
o Klaarstaan vóór de uitvoerder begint.
2. Communicatievaardigheden
o Duidelijke en assertieve feedback geven.
o Non-verbale signalen (faalangst, schrik, verkeerde positie)
herkennen.
o Hoofd- en bijzaken in de uitvoering onderscheiden.
, 3. Relatiebekwaamheid
o Iedereen helpen, ongeacht geslacht of vriendschap.
o Positieve punten benadrukken.
o Openstaan voor kritiek op eigen helpersvaardigheid.
4. Organisatievaardigheid
o Zelf beurtrollen instellen en beslissingen nemen.
o Schakelen tussen verschillende helperstechnieken.
o Taken verdelen bij oefeningen met meerdere helpers.
2.3 Helpen en bijstaan als methodisch hulpmiddel
Doel: Leren vereenvoudigen, versnellen en stabiliseren.
Methoden:
o Materiaalaanpassing en bewegingsaanpassing om
oefeningen progressief op te bouwen.
o Helpen of bijstaan alleen wanneer nodig.
Evolutie van hulp tijdens het leerproces:
1. Beginfase → Globale begeleiding om een bewegingsbeeld
te creëren.
2. Middenfase → Accentueren van belangrijke punten in de
uitvoering.
3. Automatiseringsfase → Enkel ingrijpen als het fout dreigt te
gaan.
2.4 Helpersfuncties
1. Beveiligen
o Basisvorm van helpen: voorkomen van blessures en
adequaat reageren op onverwachte situaties.
2. De beweging mogelijk maken
o Partnervormen, waarbij de helper essentieel is voor de
uitvoering (bv. kruiwagen).
3. Bewegingsbeeld ervaren
o Vertragen of versnellen van bewegingen om gevoel voor
lichaamspositie en ritme te ontwikkelen.