Biologie begrippen examen
Domein B:
Actief transport
Het transport van stoffen tegen hun concentratiegradiënt in. Stoffen gaan van een lage concentratie
naar een hoge concentratie. Kost energie
ADP (adenosinedifosfaat)
Helpt bij de energievoorziening van cellen. Als ATP afgebroken wordt ontstaat ADP.
ATP (adenosinetrifosfaat)
Een stof waarin een energierijke verbinding zit, waardoor energie in de cel wordt opgeslagen.
Assimilatie
Het proces waarbij organische stoffen worden opgebouwd. Kost energie
Bacterie
Een micro-organisme dat uit één cel bestaat.
Cel
De kleinste bouwsteen van een organisme dat nog alle genetische informatie van dat organisme
bevat.
Celkern
Dat het erfelijk materiaal bevat.
Celmembraan
Het beschermend hulsel van een cel.
Celwand
Een beschermende laag om het celmembraan heen, welke zorgt voor extra stevigheid van de cel.
Mensen hebben geen celwand.
Chlorofyl
Groene kleurstof van planten in chloroplasten, die fotosynthese mogelijk maakt.
Cytoplasma
Celvloeistof buiten de celkern.
Diffusie
De verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage
concentratie.
Dissimilatie
Het proces waarbij organische moleculen worden afgebroken en waarbij energie vrijkomt.
Donkerreactie
Deelproces van fotosynthese, waarbij de energie die uit licht is ingevangen wordt opgeslagen in
suikers.
Endocytose
Het transport door het celmembraan van buiten de cel naar binnen, waarbij de cel stoffen opneemt.
, Eukaryoot
Een organisme waarvan de cellen een celkern bezitten.
Exocytose
De uitscheiding van stoffen uit de cel (van binnen naar buiten).
Fosfolipiden
Fosfaat bevattende vetachtige stoffen.
Fotosynthese
Proces in de bladeren van planten, waarbij koolstofdioxide en water met behulp van zonlicht worden
omgezet in zuurstof en glucose.
Gisting
Dissimilatie van koolhydraten zonder zuurstof.
Hydrofiel
Wateraantrekkend.
Hydrofoob
Waterafstotend.
Hypertonisch
Situatie waarin een bepaalde plaats een hogere osmotische waarde heeft dan de omgeving.
Isotonisch
Situatie waarbij beide kanten van het membraan dezelfde osmotische waarde hebben.
Ionenpomp
Enzym dat zorgt voor actief transport van ionen in of uit de cel.
Koolstofassimilatie
De vorming van glucose uit koolstofdioxide en water met behulp van energie.
Lysosoom
Een onderdeel van een cel dat enzymen bevat voor de afbraak van eiwitten.
Melkzuur
Organisch zuur dat ontstaat bij melkzuurgisting.
Organel
Deel van een cel met een bepaalde functie.
Organische stoffen
Energierijke stoffen, waaruit levende en dode organismen zijn opgebouwd en die kunnen worden
afgebroken door micro-organismen.
Osmose
De diffusie van water door een semi-permeabel membraan.
Osmotische druk
De druk die door osmose wordt veroorzaakt.
Domein B:
Actief transport
Het transport van stoffen tegen hun concentratiegradiënt in. Stoffen gaan van een lage concentratie
naar een hoge concentratie. Kost energie
ADP (adenosinedifosfaat)
Helpt bij de energievoorziening van cellen. Als ATP afgebroken wordt ontstaat ADP.
ATP (adenosinetrifosfaat)
Een stof waarin een energierijke verbinding zit, waardoor energie in de cel wordt opgeslagen.
Assimilatie
Het proces waarbij organische stoffen worden opgebouwd. Kost energie
Bacterie
Een micro-organisme dat uit één cel bestaat.
Cel
De kleinste bouwsteen van een organisme dat nog alle genetische informatie van dat organisme
bevat.
Celkern
Dat het erfelijk materiaal bevat.
Celmembraan
Het beschermend hulsel van een cel.
Celwand
Een beschermende laag om het celmembraan heen, welke zorgt voor extra stevigheid van de cel.
Mensen hebben geen celwand.
Chlorofyl
Groene kleurstof van planten in chloroplasten, die fotosynthese mogelijk maakt.
Cytoplasma
Celvloeistof buiten de celkern.
Diffusie
De verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage
concentratie.
Dissimilatie
Het proces waarbij organische moleculen worden afgebroken en waarbij energie vrijkomt.
Donkerreactie
Deelproces van fotosynthese, waarbij de energie die uit licht is ingevangen wordt opgeslagen in
suikers.
Endocytose
Het transport door het celmembraan van buiten de cel naar binnen, waarbij de cel stoffen opneemt.
, Eukaryoot
Een organisme waarvan de cellen een celkern bezitten.
Exocytose
De uitscheiding van stoffen uit de cel (van binnen naar buiten).
Fosfolipiden
Fosfaat bevattende vetachtige stoffen.
Fotosynthese
Proces in de bladeren van planten, waarbij koolstofdioxide en water met behulp van zonlicht worden
omgezet in zuurstof en glucose.
Gisting
Dissimilatie van koolhydraten zonder zuurstof.
Hydrofiel
Wateraantrekkend.
Hydrofoob
Waterafstotend.
Hypertonisch
Situatie waarin een bepaalde plaats een hogere osmotische waarde heeft dan de omgeving.
Isotonisch
Situatie waarbij beide kanten van het membraan dezelfde osmotische waarde hebben.
Ionenpomp
Enzym dat zorgt voor actief transport van ionen in of uit de cel.
Koolstofassimilatie
De vorming van glucose uit koolstofdioxide en water met behulp van energie.
Lysosoom
Een onderdeel van een cel dat enzymen bevat voor de afbraak van eiwitten.
Melkzuur
Organisch zuur dat ontstaat bij melkzuurgisting.
Organel
Deel van een cel met een bepaalde functie.
Organische stoffen
Energierijke stoffen, waaruit levende en dode organismen zijn opgebouwd en die kunnen worden
afgebroken door micro-organismen.
Osmose
De diffusie van water door een semi-permeabel membraan.
Osmotische druk
De druk die door osmose wordt veroorzaakt.