Probleem 1 – biopsychologie
Cerebrale cortex (totale hersenmassa) bestaat uit vier kwabben:
- Frontale kwab: beweging van de spieren, plannen, impulscontrole, empathie
- Pariëtale kwab: zintuigelijke vermogen, communicatieve vaardigheden
- Occipitale kwab: visuele input
- Temporale kwab: verwerken van audio
In de kwabben zijn subcoriale structuren:
- Hippothalamus: besturing hormonale systeem, regulering autonome zenuwstelsel
- Hippocampus: lange termijn geheugen
- Amygdala: emotie, empathie en herinneringen
- Thalamus: doorsturen van zintuigelijke informatie
- Basale ganglia: evenwicht, bewegingen
- Hypofyse: werking hormoonproducerende klieren
- Cingulate cortex: vormen en verwerken van emoties, leren en geheugen
Antisociaal gedrag:
- Kleiner volume en verminderde activiteit bepaalde hersengebieden
- Kleiner volume en verminderde activiteit amygdala
- Kleiner volume en verminderde activiteit grijze stof
- Verschillen in elektrische activiteit
- Verminderde activiteit van het autonome zenuwstelsel
- Verlaagde huidgeleiding
Neuronen: dendrites, axon, axon terminaal -> Actiepotentieel nodig om te depolariseren
Neurotransmitters: stoffen in de hersenen die zorgen dat signalen worden doorgegeven:
- Serotonine: stemming (remmend)
- Dopamine: motoriek en cognitie (stimuleren)
- GABA (gamma-aminoboterzuur): opwinding en prikkelbaarheid (weinig = agressief)
- Glutamaat: leren en geheugen (veel = agressief)
Executieve functies = complexe cognitieve vaardigheden die betrokken zijn bij het beheersen en
reguleren van doelgericht handelen.
Hormonen:
- Cortisol (stresshormoon)
- Testosteron (agressief gedrag)
- Alpha-amylase: stressgevoeligheid
- Oxytocine: gevoeligheid voor empathie
- Vasopressine: dominantie en status (agressie)
Zenuwstelsel:
- Centraal: hersenen en ruggenmerg (gedrag en mentale processen)
- Perifeer: alles buiten het centrale zenuwstelsel
o Somatisch: vrijwillige / bewuste gedragingen
o Autonoom: onvrijwillige / onbewuste gedragingen
Sympatisch: activeert (vecht/vlucht/bevriezen)
Parasympatisch: deactiveert
Fearlessness-hypothese: een verlaagd stressniveau van het lichaam leidt tot een verminderde
gevoeligheid voor negatieve consequenties van gedrag.
, Sensation seeking / low arousal: verlaagde toestand van het zenuwstelsel -> verveeldheid /
vermoeidheid. Vertonen van risicovol gedrag.
Probleem 2 – sociale psychologie
Sociale cognitie = hoe wij onze omgeving interpreteren
Sociale invloed = hoe ons gedrag wordt beïnvloed door de omgeving
Conformisme: afstemmen van gedrag op sociale normen van de groep
- Onderzoeken:
o Van Asch: natekenen van lijnen -> conformity to a majority
o Stanford prison studies -> groepsconformiteit
- Waarom conformeren mensen?
o Volgen van de sociale normen
o Sociale goedkeuring
o Normatieve sociale invloed: wanneer we geaccepteerd willen worden
o Informatieve sociale invloed: twijfelen aan interpretatie, groep als ‘juist’
Compliance: gehoorzamen aan iemand zonder autoriteit
- Reciprocation / wederkerigheid: iets terugdoen voor mensen
o Door-in-the-face: groot verzoek -> klein verzoek
o Foot-in-the-door: klein verzoek -> groot verzoek
o Low-balling: kleine dingen toevoegen
Obedience: gehoorzamen aan iemand met autoriteit
- Experiment:
o Milgram experiment: elektrische schok. Invloeden:
Surveillanten
Buffers
Aanwezigheid van rolmodellen
Altruïsme: helpen van anderen zonder persoonlijke winst
Bystander effect: minder geneigd hulp te bieden als anderen ook niet helpen:
- De situatie definiëren als niet-noodsituatie (pluralistic ignorance)
- Verspreiden van verantwoordelijkheid om te handelen (diffusion of responsibility)
- Kitty-Genovese
Social facilitation (coactie): individueel handelen wordt beïnvloed door de aanwezigheid van anderen
Social loafing: werken in een groep vermindert de individuele prestatie
Deindividuation: gedrag verschilt in de aanwezigheid van een groep
Group polarization: meningen worden nog sterker na een discussie
Groupthink: foute groepskeuzes vanwege het afwijzen van andere meningen
Probleem 3 – ontwikkelingspsychologie
Schema’s:
- Assimilatie -> verwerken in bestaande schema’s
- Accommodatie -> uitbreiding / aanpassing van schema’s
Cerebrale cortex (totale hersenmassa) bestaat uit vier kwabben:
- Frontale kwab: beweging van de spieren, plannen, impulscontrole, empathie
- Pariëtale kwab: zintuigelijke vermogen, communicatieve vaardigheden
- Occipitale kwab: visuele input
- Temporale kwab: verwerken van audio
In de kwabben zijn subcoriale structuren:
- Hippothalamus: besturing hormonale systeem, regulering autonome zenuwstelsel
- Hippocampus: lange termijn geheugen
- Amygdala: emotie, empathie en herinneringen
- Thalamus: doorsturen van zintuigelijke informatie
- Basale ganglia: evenwicht, bewegingen
- Hypofyse: werking hormoonproducerende klieren
- Cingulate cortex: vormen en verwerken van emoties, leren en geheugen
Antisociaal gedrag:
- Kleiner volume en verminderde activiteit bepaalde hersengebieden
- Kleiner volume en verminderde activiteit amygdala
- Kleiner volume en verminderde activiteit grijze stof
- Verschillen in elektrische activiteit
- Verminderde activiteit van het autonome zenuwstelsel
- Verlaagde huidgeleiding
Neuronen: dendrites, axon, axon terminaal -> Actiepotentieel nodig om te depolariseren
Neurotransmitters: stoffen in de hersenen die zorgen dat signalen worden doorgegeven:
- Serotonine: stemming (remmend)
- Dopamine: motoriek en cognitie (stimuleren)
- GABA (gamma-aminoboterzuur): opwinding en prikkelbaarheid (weinig = agressief)
- Glutamaat: leren en geheugen (veel = agressief)
Executieve functies = complexe cognitieve vaardigheden die betrokken zijn bij het beheersen en
reguleren van doelgericht handelen.
Hormonen:
- Cortisol (stresshormoon)
- Testosteron (agressief gedrag)
- Alpha-amylase: stressgevoeligheid
- Oxytocine: gevoeligheid voor empathie
- Vasopressine: dominantie en status (agressie)
Zenuwstelsel:
- Centraal: hersenen en ruggenmerg (gedrag en mentale processen)
- Perifeer: alles buiten het centrale zenuwstelsel
o Somatisch: vrijwillige / bewuste gedragingen
o Autonoom: onvrijwillige / onbewuste gedragingen
Sympatisch: activeert (vecht/vlucht/bevriezen)
Parasympatisch: deactiveert
Fearlessness-hypothese: een verlaagd stressniveau van het lichaam leidt tot een verminderde
gevoeligheid voor negatieve consequenties van gedrag.
, Sensation seeking / low arousal: verlaagde toestand van het zenuwstelsel -> verveeldheid /
vermoeidheid. Vertonen van risicovol gedrag.
Probleem 2 – sociale psychologie
Sociale cognitie = hoe wij onze omgeving interpreteren
Sociale invloed = hoe ons gedrag wordt beïnvloed door de omgeving
Conformisme: afstemmen van gedrag op sociale normen van de groep
- Onderzoeken:
o Van Asch: natekenen van lijnen -> conformity to a majority
o Stanford prison studies -> groepsconformiteit
- Waarom conformeren mensen?
o Volgen van de sociale normen
o Sociale goedkeuring
o Normatieve sociale invloed: wanneer we geaccepteerd willen worden
o Informatieve sociale invloed: twijfelen aan interpretatie, groep als ‘juist’
Compliance: gehoorzamen aan iemand zonder autoriteit
- Reciprocation / wederkerigheid: iets terugdoen voor mensen
o Door-in-the-face: groot verzoek -> klein verzoek
o Foot-in-the-door: klein verzoek -> groot verzoek
o Low-balling: kleine dingen toevoegen
Obedience: gehoorzamen aan iemand met autoriteit
- Experiment:
o Milgram experiment: elektrische schok. Invloeden:
Surveillanten
Buffers
Aanwezigheid van rolmodellen
Altruïsme: helpen van anderen zonder persoonlijke winst
Bystander effect: minder geneigd hulp te bieden als anderen ook niet helpen:
- De situatie definiëren als niet-noodsituatie (pluralistic ignorance)
- Verspreiden van verantwoordelijkheid om te handelen (diffusion of responsibility)
- Kitty-Genovese
Social facilitation (coactie): individueel handelen wordt beïnvloed door de aanwezigheid van anderen
Social loafing: werken in een groep vermindert de individuele prestatie
Deindividuation: gedrag verschilt in de aanwezigheid van een groep
Group polarization: meningen worden nog sterker na een discussie
Groupthink: foute groepskeuzes vanwege het afwijzen van andere meningen
Probleem 3 – ontwikkelingspsychologie
Schema’s:
- Assimilatie -> verwerken in bestaande schema’s
- Accommodatie -> uitbreiding / aanpassing van schema’s