1. Wat is het centrale doel van positieve psychologie?
A) Het verminderen van psychologische aandoeningen
B) Het bevorderen van persoonlijke en maatschappelijke groei
C) Het verbeteren van therapeutische behandelingen
D) Het bestuderen van cognitieve processen
2. Welke van de volgende valt onder positieve subjectieve states?
A) Creativiteit
B) Gezinnen
C) Deugden
D) Emoties
3. Welke van de onderstaande eigenschappen beschrijft positieve individuele karaktertrekken?
A) Ze zijn volledig stabiel bij iedereen.
B) Ze fluctueren sterk op korte termijn.
C) Ze zijn stabieler over de lange termijn maar verschillen tussen personen.
D) Ze ontstaan voornamelijk door sociale instituties.
4. Welke domeinen vormen de focus van positieve psychologie?
A) Subjectieve well-being, karaktereigenschappen, instituties
B) Psychische stoornissen, persoonlijke doelen, therapieën
C) Emotionele regulatie, biologische processen, instituties
D) Individuele prestaties, emoties, cognitieve processen
5. Welke van de onderstaande uitspraken sluit het beste aan bij de kenmerken van de humanistische
psychologie?
A). Menselijk gedrag wordt volledig bepaald door genetische factoren en
omgevingsinvloeden.
B). Het gedrag van individuen wordt sterk beïnvloed door hun perceptie van de wereld en hun
persoonlijke zingeving.
C). Mensen reageren voornamelijk instinctief en reflexmatig op externe prikkels.
D). Individuen zijn volledig afhankelijk van hun omgeving om hun doelen te bereiken.
6. Wat is hedonisme volgens de Grieken?
A) Een zoektocht naar betekenis
B) Het vermijden van angst en zoeken van plezier
C) Een balans tussen deugden en fouten
D) Het nastreven van sociaal welzijn
7. Welke deugd wordt beschouwd als een 'golden mean'?
A) Overmoed
B) Moed
C) Angst
D) Woede
8. Wat benadrukte de Renaissance in relatie tot geluk?
A) Sociale structuren
B) Onafhankelijk denken en creativiteit
, C) Religieuze toewijding
D) Pijn vermijden
9. Welke stroming benadrukte menselijke potentie en aspiraties?
A) Psychoanalyse
B) Behaviorisme
C) Humanistische psychologie
D) Cognitieve psychologie
10. Waarom kreeg humanistische psychologie minder aandacht?
A) Te weinig focus op empirisch onderzoek.
B) Te veel nadruk op stoornissen.
C) Gebrek aan relevante theorieën.
D) Weinig praktische toepassingen.
11. Hoe beïnvloeden positieve en negatieve emoties elkaar volgens onderzoek?
A) Ze hebben geen invloed op elkaar.
B) Ze functioneren volledig onafhankelijk.
C) Negatieve emoties versterken positieve emoties.
D) Positieve emoties kunnen negatieve emoties verminderen.
12. Wat is het doel van de positiviteitsratio?
A) De verhouding van positieve en negatieve emoties meten om een gezond leven te
voorspellen.
B) Positieve emoties optimaliseren.
C) De negatieve invloed van stress in kaart brengen.
D) De balans tussen mentale stoornissen en welzijn te evalueren en te balanceren.
13. Wat betekent het dat Watson & Tellegen suggereren dat affectieve onafhankelijkheid mogelijk is?
A) Positieve en negatieve emoties kunnen tegelijkertijd ervaren worden.
B) Positieve en negatieve emoties kunnen nooit samen optreden.
C) Emoties hebben altijd dezelfde impact.
D) Positieve emoties verminderen negatieve emoties altijd.
14. Wat stelt de opwaartse spiraal in de Broaden & Build Theory?
A) Positieve emoties kunnen de ervaring van negatieve emoties volledig neutraliseren.
B) Positieve emoties creëren een vicieuze cirkel van negatieve emoties.
C) Positieve emoties kunnen leiden tot meer emotioneel welbevinden door bredere copingstrategieën.
D) Positieve emoties leiden altijd tot verhoogde stress.
15. Wat zegt de Dynamic Integration Theory over ouder worden en emoties?
A) Ouder worden leidt tot meer negatieve emoties
B) Er is een verschuiving van differentiatie naar optimalisatie van emoties
C) De emoties worden meer instabiel naarmate men ouder wordt
D) Emotieregulatie neemt af op oudere leeftijd
A) Het verminderen van psychologische aandoeningen
B) Het bevorderen van persoonlijke en maatschappelijke groei
C) Het verbeteren van therapeutische behandelingen
D) Het bestuderen van cognitieve processen
2. Welke van de volgende valt onder positieve subjectieve states?
A) Creativiteit
B) Gezinnen
C) Deugden
D) Emoties
3. Welke van de onderstaande eigenschappen beschrijft positieve individuele karaktertrekken?
A) Ze zijn volledig stabiel bij iedereen.
B) Ze fluctueren sterk op korte termijn.
C) Ze zijn stabieler over de lange termijn maar verschillen tussen personen.
D) Ze ontstaan voornamelijk door sociale instituties.
4. Welke domeinen vormen de focus van positieve psychologie?
A) Subjectieve well-being, karaktereigenschappen, instituties
B) Psychische stoornissen, persoonlijke doelen, therapieën
C) Emotionele regulatie, biologische processen, instituties
D) Individuele prestaties, emoties, cognitieve processen
5. Welke van de onderstaande uitspraken sluit het beste aan bij de kenmerken van de humanistische
psychologie?
A). Menselijk gedrag wordt volledig bepaald door genetische factoren en
omgevingsinvloeden.
B). Het gedrag van individuen wordt sterk beïnvloed door hun perceptie van de wereld en hun
persoonlijke zingeving.
C). Mensen reageren voornamelijk instinctief en reflexmatig op externe prikkels.
D). Individuen zijn volledig afhankelijk van hun omgeving om hun doelen te bereiken.
6. Wat is hedonisme volgens de Grieken?
A) Een zoektocht naar betekenis
B) Het vermijden van angst en zoeken van plezier
C) Een balans tussen deugden en fouten
D) Het nastreven van sociaal welzijn
7. Welke deugd wordt beschouwd als een 'golden mean'?
A) Overmoed
B) Moed
C) Angst
D) Woede
8. Wat benadrukte de Renaissance in relatie tot geluk?
A) Sociale structuren
B) Onafhankelijk denken en creativiteit
, C) Religieuze toewijding
D) Pijn vermijden
9. Welke stroming benadrukte menselijke potentie en aspiraties?
A) Psychoanalyse
B) Behaviorisme
C) Humanistische psychologie
D) Cognitieve psychologie
10. Waarom kreeg humanistische psychologie minder aandacht?
A) Te weinig focus op empirisch onderzoek.
B) Te veel nadruk op stoornissen.
C) Gebrek aan relevante theorieën.
D) Weinig praktische toepassingen.
11. Hoe beïnvloeden positieve en negatieve emoties elkaar volgens onderzoek?
A) Ze hebben geen invloed op elkaar.
B) Ze functioneren volledig onafhankelijk.
C) Negatieve emoties versterken positieve emoties.
D) Positieve emoties kunnen negatieve emoties verminderen.
12. Wat is het doel van de positiviteitsratio?
A) De verhouding van positieve en negatieve emoties meten om een gezond leven te
voorspellen.
B) Positieve emoties optimaliseren.
C) De negatieve invloed van stress in kaart brengen.
D) De balans tussen mentale stoornissen en welzijn te evalueren en te balanceren.
13. Wat betekent het dat Watson & Tellegen suggereren dat affectieve onafhankelijkheid mogelijk is?
A) Positieve en negatieve emoties kunnen tegelijkertijd ervaren worden.
B) Positieve en negatieve emoties kunnen nooit samen optreden.
C) Emoties hebben altijd dezelfde impact.
D) Positieve emoties verminderen negatieve emoties altijd.
14. Wat stelt de opwaartse spiraal in de Broaden & Build Theory?
A) Positieve emoties kunnen de ervaring van negatieve emoties volledig neutraliseren.
B) Positieve emoties creëren een vicieuze cirkel van negatieve emoties.
C) Positieve emoties kunnen leiden tot meer emotioneel welbevinden door bredere copingstrategieën.
D) Positieve emoties leiden altijd tot verhoogde stress.
15. Wat zegt de Dynamic Integration Theory over ouder worden en emoties?
A) Ouder worden leidt tot meer negatieve emoties
B) Er is een verschuiving van differentiatie naar optimalisatie van emoties
C) De emoties worden meer instabiel naarmate men ouder wordt
D) Emotieregulatie neemt af op oudere leeftijd