Hoorcollege 1: Regelsystemen, AZS en intern milieu
Intern milieu (ECF) = het milieu voor meercelligen → interstitiële vloeistof en bloedplasma
Homeostase = behoud van het intern milieu
Regelsystemen
● Open regelsysteem = uitgangsgrootheid heeft geen effect op ingangssignaal (meeste simpele
regelsysteem) → bijv. pupilreflex, licht zorgt voor contractie van oogspiertjes
● Gesloten regelsysteem = uitgangsgrootheid heeft wel effect op ingangssignaal (=feedback)
○ Positieve terugkoppeling→ destabilisatie, komt niet heel vaak voor in de fysiologie
(bevalling). Er moet ergens een stop zijn, anders gaat het proces continu door.
○ Negatieve terugkoppeling → Stabilisatie naar streefwaarde (bijv. temperatuurregulatie)
→ Regeleffect: afhankelijk van looptijd en versterking (hoe sterk is het systeem in staat
om de disbalans te herstellen naar de streefwaarde)
● Feedforward regelsysteem = Er is een verstoring die een effect op de grootheid heeft, deze
verstoring zorgt voor een terugkoppeling naar het proces → bijv. orale inname glucose, in het
maagdarmkanaal wordt de glucose al gedetecteerd maar het wordt nog niet opgenomen, wel
een verstoring → gevolg, alvast stimulatie van incretines die zorgen voor insuline secretie
(afscheiding) zonder verandering concentratie [Glucose] plasma
Reflexen: onwillekeurige activiteit van een effect die het gevolg is van een instroom van impulsen uit
een of meer sensoren
1. Somatische reflex = reflexen met skeletspieren (mono- of poly synaptisch)
2. Autonome reflexen = aansturing van vele verschillende reflexen → altijd polysynaptisch
3. Endocriene reflexen = Reflexen met hormonen
Regelcentra
- Sensor (receptor) = vlaggetjes die op of binnen een celmembraan zitten. Veel belangrijke
receptoren zitten in de hypothalamus (temperatuur, osmolariteit etc.)
- Comporator = Hypothalamus, daar zitten receptoren en daar wordt de boel vergeleken →
activeert effectoren (bijv. zweetklier)
, Neuronaal: het autonome zenuwstelsel
Centraal zenuwstelsel Brein en ruggenmerg
Perifeer zenuwstelsel Bevat alle zenuwen (onder te verdelen in sensorisch
(afferent) en motorisch (efferent))
Somatisch Kun je zelf bewust aansturen (skeletspieren)
Autonoom Reguleert zichzelf onbewust (hartspieren). Is weer
onder te verdelen in parasympatisch en sympatisch
deel.
Sympatisch Fight or flight (katabool)
Parasympatisch Rest and digest (anabool)
Neurotransmitters en receptoren (minuut 39)
Primaire vegetatieve centra OS en PS in hypothalamus (zijn hetzelfde)
Secundaire centra (twee in serie geschakelde neuronen)
- OS: zijhoorns thoracale en lumbale ruggenmerg
- PS: Hersenstam en sacrale ruggenmerg → sneller door meer myelineschede
Tertiaire centra = meestal in grensstreng
- OS: heeft 1 pathway direct naar de bijnier → zorgt voor vrijkoming van noradrenaline en
adrenaline in het bloed.
- PS: liggen dicht bij de effectororganen, dus niet in de grensstreng.
Neurotransmitter van secundaire naar tertiaire centra → acetylcholine
Neurotransmitter van tertiaire centra naar doelorganen → OS = noradrenaline PS = acetylcholine
,Autonome neurotransmitters en receptoren
Preganglionaire neuronen die van secundair naar tertiaire centra gaan, komt bij beide acetylcholine vrij
en binden beiden ook aan een nicotinereceptor. Er is een verschil in receptoren voor de
postganglionaire neuronen die van de tertiaire centra naar de doelorganen gaan. OS: noradrenaline
bindt aan adrenerge receptoren (alfa + bèta). PS: Acetylcholine bindt aan muscarine receptoren.
Bijna alle sporters zeggen dat ze astma hebben. In astma-medicijnen zitten stimulators (agonisten) van
de B2-receptoren, waardoor je dilatatie van de bronchiolen krijgt (meer zuurstof. )
Autonome receptoren
Acetylcholine bindt aan een nicotinereceptor, dit kan verschillende effecten hebben, zoals
1. Ionotroop = openen van een ligand gestuurd ionkanaal → depolarisatie (exciterend)
2. Metabotroop = G-eiwit gekoppeld, second messenger. Er ontstaat een cascade aan reacties,
kunnen zowel inhiberend als exciterend zijn.
Afgifte van hormonen
1. Veranderingen in het bloed: Bijv pancreas → bloed komt naar de pancreas waar alfa- en
bètacellen zitten, die detecteren hoeveel glucose er in het bloed zit. Is het teveel, dan wordt er
insuline aangemaakt, is het te weinig, dan wordt er glucagon aangemaakt.
2. Neurale input: via autonome zenuwstelsel gaat een neuron naar de medulla van je bijnier, waar
noradrenaline en adrenaline vrijkomt.
3. Hormonale input (via hypofyse) → aansturing van verschillende hormoonklieren om uiteindelijk
te reageren op de stimulus die bij de eerste hormoonklier aankwam.
Hoorcollege 2: Bioenergetica
Snelle spiervezels Langzame spiervezels
Vooral anaeroob Vooral aeroob
Wit van kleur Rode kleur door myoglobine
Brandstoffen
- Eiwitten: aminozuren opgeslagen in elke cel
- Koolhydraten: glycogeen ligt vooral opgeslagen in de lever,
maar ook een klein gedeelte in de spier
- Vetten: triglyceriden (glycerol + vrije vetzuren) opgeslagen in
vetweefsel
Koolhydraten: polysaccharide
Verbindingen van koolstof, waterstof en zuurstof die bestaan uit monosachariden en uit grotere
moleculen die uit twee of meer monosachariden zijn opgebouwd (disachariden/polysachariden).
, Koolhydraten functioneren als energiebron, als basis voor vetzuursplitsing en voor eiwitsparing.
Neuronen zijn bijna volledig afhankelijk van glucose.
- Monosachariden = glucose, fructose, galactose (lijkt heel erg op glucose en wordt daardoor op
dezelfde manier opgenomen → door glucosekanalen)
- Disachariden = sucrose (glucose + fructose), maltose (glucose + glucose) en lactose (glucose +
galactose)
- Mensen met lactose intolerantie hebben weinig lactase, waardoor melkeiwitten moeilijk
afgebroken kunnen worden.
- Polysachariden = zetmeel (plantaardig), glycogeen (dierlijk)
Intern milieu (ECF) = het milieu voor meercelligen → interstitiële vloeistof en bloedplasma
Homeostase = behoud van het intern milieu
Regelsystemen
● Open regelsysteem = uitgangsgrootheid heeft geen effect op ingangssignaal (meeste simpele
regelsysteem) → bijv. pupilreflex, licht zorgt voor contractie van oogspiertjes
● Gesloten regelsysteem = uitgangsgrootheid heeft wel effect op ingangssignaal (=feedback)
○ Positieve terugkoppeling→ destabilisatie, komt niet heel vaak voor in de fysiologie
(bevalling). Er moet ergens een stop zijn, anders gaat het proces continu door.
○ Negatieve terugkoppeling → Stabilisatie naar streefwaarde (bijv. temperatuurregulatie)
→ Regeleffect: afhankelijk van looptijd en versterking (hoe sterk is het systeem in staat
om de disbalans te herstellen naar de streefwaarde)
● Feedforward regelsysteem = Er is een verstoring die een effect op de grootheid heeft, deze
verstoring zorgt voor een terugkoppeling naar het proces → bijv. orale inname glucose, in het
maagdarmkanaal wordt de glucose al gedetecteerd maar het wordt nog niet opgenomen, wel
een verstoring → gevolg, alvast stimulatie van incretines die zorgen voor insuline secretie
(afscheiding) zonder verandering concentratie [Glucose] plasma
Reflexen: onwillekeurige activiteit van een effect die het gevolg is van een instroom van impulsen uit
een of meer sensoren
1. Somatische reflex = reflexen met skeletspieren (mono- of poly synaptisch)
2. Autonome reflexen = aansturing van vele verschillende reflexen → altijd polysynaptisch
3. Endocriene reflexen = Reflexen met hormonen
Regelcentra
- Sensor (receptor) = vlaggetjes die op of binnen een celmembraan zitten. Veel belangrijke
receptoren zitten in de hypothalamus (temperatuur, osmolariteit etc.)
- Comporator = Hypothalamus, daar zitten receptoren en daar wordt de boel vergeleken →
activeert effectoren (bijv. zweetklier)
, Neuronaal: het autonome zenuwstelsel
Centraal zenuwstelsel Brein en ruggenmerg
Perifeer zenuwstelsel Bevat alle zenuwen (onder te verdelen in sensorisch
(afferent) en motorisch (efferent))
Somatisch Kun je zelf bewust aansturen (skeletspieren)
Autonoom Reguleert zichzelf onbewust (hartspieren). Is weer
onder te verdelen in parasympatisch en sympatisch
deel.
Sympatisch Fight or flight (katabool)
Parasympatisch Rest and digest (anabool)
Neurotransmitters en receptoren (minuut 39)
Primaire vegetatieve centra OS en PS in hypothalamus (zijn hetzelfde)
Secundaire centra (twee in serie geschakelde neuronen)
- OS: zijhoorns thoracale en lumbale ruggenmerg
- PS: Hersenstam en sacrale ruggenmerg → sneller door meer myelineschede
Tertiaire centra = meestal in grensstreng
- OS: heeft 1 pathway direct naar de bijnier → zorgt voor vrijkoming van noradrenaline en
adrenaline in het bloed.
- PS: liggen dicht bij de effectororganen, dus niet in de grensstreng.
Neurotransmitter van secundaire naar tertiaire centra → acetylcholine
Neurotransmitter van tertiaire centra naar doelorganen → OS = noradrenaline PS = acetylcholine
,Autonome neurotransmitters en receptoren
Preganglionaire neuronen die van secundair naar tertiaire centra gaan, komt bij beide acetylcholine vrij
en binden beiden ook aan een nicotinereceptor. Er is een verschil in receptoren voor de
postganglionaire neuronen die van de tertiaire centra naar de doelorganen gaan. OS: noradrenaline
bindt aan adrenerge receptoren (alfa + bèta). PS: Acetylcholine bindt aan muscarine receptoren.
Bijna alle sporters zeggen dat ze astma hebben. In astma-medicijnen zitten stimulators (agonisten) van
de B2-receptoren, waardoor je dilatatie van de bronchiolen krijgt (meer zuurstof. )
Autonome receptoren
Acetylcholine bindt aan een nicotinereceptor, dit kan verschillende effecten hebben, zoals
1. Ionotroop = openen van een ligand gestuurd ionkanaal → depolarisatie (exciterend)
2. Metabotroop = G-eiwit gekoppeld, second messenger. Er ontstaat een cascade aan reacties,
kunnen zowel inhiberend als exciterend zijn.
Afgifte van hormonen
1. Veranderingen in het bloed: Bijv pancreas → bloed komt naar de pancreas waar alfa- en
bètacellen zitten, die detecteren hoeveel glucose er in het bloed zit. Is het teveel, dan wordt er
insuline aangemaakt, is het te weinig, dan wordt er glucagon aangemaakt.
2. Neurale input: via autonome zenuwstelsel gaat een neuron naar de medulla van je bijnier, waar
noradrenaline en adrenaline vrijkomt.
3. Hormonale input (via hypofyse) → aansturing van verschillende hormoonklieren om uiteindelijk
te reageren op de stimulus die bij de eerste hormoonklier aankwam.
Hoorcollege 2: Bioenergetica
Snelle spiervezels Langzame spiervezels
Vooral anaeroob Vooral aeroob
Wit van kleur Rode kleur door myoglobine
Brandstoffen
- Eiwitten: aminozuren opgeslagen in elke cel
- Koolhydraten: glycogeen ligt vooral opgeslagen in de lever,
maar ook een klein gedeelte in de spier
- Vetten: triglyceriden (glycerol + vrije vetzuren) opgeslagen in
vetweefsel
Koolhydraten: polysaccharide
Verbindingen van koolstof, waterstof en zuurstof die bestaan uit monosachariden en uit grotere
moleculen die uit twee of meer monosachariden zijn opgebouwd (disachariden/polysachariden).
, Koolhydraten functioneren als energiebron, als basis voor vetzuursplitsing en voor eiwitsparing.
Neuronen zijn bijna volledig afhankelijk van glucose.
- Monosachariden = glucose, fructose, galactose (lijkt heel erg op glucose en wordt daardoor op
dezelfde manier opgenomen → door glucosekanalen)
- Disachariden = sucrose (glucose + fructose), maltose (glucose + glucose) en lactose (glucose +
galactose)
- Mensen met lactose intolerantie hebben weinig lactase, waardoor melkeiwitten moeilijk
afgebroken kunnen worden.
- Polysachariden = zetmeel (plantaardig), glycogeen (dierlijk)