Week 2
Beck; The Theory of Reflexive Modernization
Reflexieve moderniteit verwijst naar een nieuwe fase, de modernisering van de samenleving. Wanneer de
modernisering een bepaald stadium bereikt, gaat het zichzelf radicaliseren. Hierbij komt een nieuwe
verandering tot stand, waarbij ook de principes en de instituties van de moderne samenleving worden
getransformeerd. De basisprincipes van de moderniteit zijn onder andere: het “nucleaire gezin”, met een
man die werkt, en een vrouw die thuisblijft voor de kinderen; levenslange carrières bij hetzelfde bedrijf;
industriele regulatie, etc. In de reflexieve moderniteit worden deze basisprincipes verworpen.
Meta-change = de veranderingen die in de reflexieve moderniteit plaatsvinden veranderen dus niet
alleen de sociale structuren, maar brengen een revolutie aan in de beginselen, de concepten van de
veranderingen zelf – mensen gaan op een hele andere manier naar de wereld kijken. Dit is het gevolg
van onbedoelde neveneffecten (effecten die bedoeld waren mindere brede werking te hebben dan ze
uiteindelijk hadden). Hieronder vallen de effecten van het volledig uitbreiden van de markt, “legal
universalism” en de technische revolutie.
De reflexieve moderniteit brengt een nieuwe vorm van kapitalisme teweeg (hierbij worden ook arbeid, een
“global order”, een natuur, subjectiviteit, dagelijks leven, en een nieuwe staat genoemd).
Het verschil tussen reflexieve moderniteit en postmoderniteit = in de postmoderniteit gaat het om
de-structurering van de samenleving, en om de-conceptualisatie van de sociale wetenschappen, en bij de
reflexieve moderniteit gaat het om re-structurering en re-conceptualisatie.
De premissen van de eerste moderniteit zijn:
1. Een natiestaat, gedefinieerd door de duidelijk territoriale grenzen
2. Individualisatie
3. Het zijn werk-samenlevingen, “gainful employment societies”
4. Een concept van de natuur gebaseerd op de uitbuiting ervan
5. Rationalisatie
6. Functionele differentiatie
Er zijn neveneffecten, “3 vulkanische breuklijnen” waar de moderniteit scheurt in zijn eigen idealen
1. Financiële verstrikking – financialisering. De financiële wereld is de drijfkracht achter ontzettend
veel processen, de omvang van de financiële sector is veel groter dan de omvang van de reële
economie. Alles wordt hierdoor (aan)gedreven
2. Ecologische uitputting
3. Dehumanisering – zoals de winst die techbedrijven maken op ons, we worden een of een
omgezet in data
,
Beck; The Theory of Reflexive Modernization
Reflexieve moderniteit verwijst naar een nieuwe fase, de modernisering van de samenleving. Wanneer de
modernisering een bepaald stadium bereikt, gaat het zichzelf radicaliseren. Hierbij komt een nieuwe
verandering tot stand, waarbij ook de principes en de instituties van de moderne samenleving worden
getransformeerd. De basisprincipes van de moderniteit zijn onder andere: het “nucleaire gezin”, met een
man die werkt, en een vrouw die thuisblijft voor de kinderen; levenslange carrières bij hetzelfde bedrijf;
industriele regulatie, etc. In de reflexieve moderniteit worden deze basisprincipes verworpen.
Meta-change = de veranderingen die in de reflexieve moderniteit plaatsvinden veranderen dus niet
alleen de sociale structuren, maar brengen een revolutie aan in de beginselen, de concepten van de
veranderingen zelf – mensen gaan op een hele andere manier naar de wereld kijken. Dit is het gevolg
van onbedoelde neveneffecten (effecten die bedoeld waren mindere brede werking te hebben dan ze
uiteindelijk hadden). Hieronder vallen de effecten van het volledig uitbreiden van de markt, “legal
universalism” en de technische revolutie.
De reflexieve moderniteit brengt een nieuwe vorm van kapitalisme teweeg (hierbij worden ook arbeid, een
“global order”, een natuur, subjectiviteit, dagelijks leven, en een nieuwe staat genoemd).
Het verschil tussen reflexieve moderniteit en postmoderniteit = in de postmoderniteit gaat het om
de-structurering van de samenleving, en om de-conceptualisatie van de sociale wetenschappen, en bij de
reflexieve moderniteit gaat het om re-structurering en re-conceptualisatie.
De premissen van de eerste moderniteit zijn:
1. Een natiestaat, gedefinieerd door de duidelijk territoriale grenzen
2. Individualisatie
3. Het zijn werk-samenlevingen, “gainful employment societies”
4. Een concept van de natuur gebaseerd op de uitbuiting ervan
5. Rationalisatie
6. Functionele differentiatie
Er zijn neveneffecten, “3 vulkanische breuklijnen” waar de moderniteit scheurt in zijn eigen idealen
1. Financiële verstrikking – financialisering. De financiële wereld is de drijfkracht achter ontzettend
veel processen, de omvang van de financiële sector is veel groter dan de omvang van de reële
economie. Alles wordt hierdoor (aan)gedreven
2. Ecologische uitputting
3. Dehumanisering – zoals de winst die techbedrijven maken op ons, we worden een of een
omgezet in data
,