Inleiding
- Endocrinologie = bestuderen hormonen
- Hormoon = stof die via bloed vervoerd wordt + effect uitoefent op doelwit cel die niet op
zelfde locatie ligt in lichaam als cel die de stof produceert + vrijgeeft
---> bv. insuline
• Aanmaak = in β-cellen pancreas
• Transport = via bloed
• Functie uitoefenen = in lever + spieren + vetweefsel
---> verschillende subcategorieën in effecten =
- Endocrien = via bloed transporteren
- Neurocrien = zenuwcel produceert hormoon
- Paracrien = cel waar effect plaatsvindt is niet heel ver van
producerende cel ---> hormoon doorheen vachten tussen cellen
- Autocrien = hormoon heeft effecten op cel zelf maar wordt nog
steeds buiten cel zelf afgescheiden
---> in praktijk = zaken lopen in elkaar over + kunne op zelfde moment
bezig zijn
Vrijstelling hormonen = meestal cyclisch
- Cortisol = dagcyclus ---> piekt ’s ochtends
- Oestrogeen = maandcyclus
Classificatie = op basis van oplosbaarheid
Wateroplosbaar Vetoplosbaar
Transport Hoofdzakelijk vrij in bloedbaan Gebonden aan (specifieke) eiwitten --->
- Niet specifiek = albumine
- Specifiek = alleen voor hormoon zelf
---> bv. transcortine voor cortisol
---> zowel algemeen en specifiek gebonden
Werking Membraanreceptoren (minuten) Intracellulaire respons (uren/dagen)
- Aanmaak 2e messengers - Modulatie genexpressie
- Enzymatische activiteit
---> kan niet door dubbele laag fosfolipiden ---> ligand bindt + activeert intracellulaire
receptor ---> migreert naar cel + brengt
veranderingen in genetisch materiaal aan
Voorbeelden - Insuline - Schildklierhormoon
- Groeihormoon - Glucocorticoïden
1
, Casus 1 = gigantisme = teveel aan
GH tijdens groeifase = in kindertijd
Groeihormoon (GH)
Anterieure hypofyse maakt hormonen in hersenen aan:
- Groeihormoon = proteïne
- TSH = schildklier aansporen tot aanmaak thyroxine
- ACTH = inwerken op bijnier ---> cortisol aanmaken
- Glycoproteïnen = eiwit met suikergroep = FSH + LH
- β-LPH = samen met ATCH aanmaken ---> gemeenschappelijke precursus ---> functie
niet goed bekend
---> Groeihormoon =
- Werking uitvoeren =
• Rechtstreeks
• Via mediator hormonen ---> GH zorgt dat andere hormonen gevormd worden =
somatomedines door lever
- Structuur = eiwit ---> meer dan 50 AZ aan elkaar met aantal S-bruggen
- Voorkomen =
• Gebonden op plasma eiwitten = 50% ---> =
▪ Heeft bufferend effect = buffer waaruit hormoon kan worden losgelaten
om te beantwoorden aan noden v lichaam
▪ Heeft stabiliserend effect ---> minder vatbaar voor afbraak ---> ½ tijd
verhogen ---> GH = dikke 15 min
• Vrij in cytoplasma = 50% ---> omdat GH wateroplosbaar is
- Vrijstelling = in pieken vrijstellen = spikes ---> frequentie komt overeen met ½ tijd ---> na
15 min is effect uitgewerkt = tijd voor nieuwe piek
• ’s nachts = amplitude + frequentie is hoger
- Werking = GH bindt als ligand op receptor ---> zorgt voor in gang brengen van pathway =
• JAK/STAT
• PLC/Ca signalisatie
---> = canonische pathways ---> = zorgen voor effecten van de cel door GH
Vrijstelling GH --->
Stap 1 = instigatoren = zorgen dat GH wordt vrijgegeven uit hypofyse
---> = releasing hormons/peptides/factors = worden vrijgegeven dr hypothalamus =
GHRP = growth hormone releasing peptide = effecten =
• hypofysiotroop effect = werkt in op hypofyse
• hypofysiotroof effect = activeert hypofyse
= zorgen voor activatie hypofyse ---> = GH loslaten
2
, Stap 2 = GH vrijgegeven in bloed ---> verspreiden naar aantal weefsels =
- Botten ---> bij groeischijven + platen
- Spieren
- Metabole effecten op vetweefsel
- Reproductieve organen
- Lymfoïde cellen GH bindt daar maar fysiologische effecten = niet helemaal duidelijk
---> zorgt ook voor aanmaak somatomedines = werken in op lever ---> bv.
- IGF1 = insulin-like-growfactor --->
• Structuur lijkt op die van insuline
• Veel effecten lijken op die van insuline
• Aanmaken in levercellen + bij kraakbeencellen
- IGF2 = belangrijk voor groei in utero = groeiproces voor de geboorte
Stap 3 = feedbacksysteem = terugkoppelingssysteem
Effecten van GH =
Overzicht =
effect op: Werking
Groei - Stimulatie lichaamsgroei = somatische groei
- Stimulatie lengtegroei = lineaire groei
---> = door bot elongatie vanuit epifysiare groeischijven (= op uiteindes van bot) =
epifysaire groei
Eiwit = anabool effect = stimulatie eiwitsynthese bij spierweefsel
metabolisatie ---> positieve stikstof balans
Koolhydraten - Stimulatie hepatische glucose output dr glycogenolyse + gluconeogenese
metabolisme ---> = meer suiker in bloedbaan = meer energie = kunnen groeien
- Anti-insuline effect thv spieren (<---> IGF-I )
---> IGF-1 heeft omgekeerd effect van GH ---> zorgen voor fijn regulatie van
verschillende processen
Vet metabolisme = stimuleren lipolyse ---> = vetzuurketens afsplitsen van glycerol = vrije vetzuren
metabolisatie =
- Vetweefsel zakt
- Spierweefsel stijgt
---> lean body mass stijgt = spiermassa stijgt
Ionen huishouding Stimuleren van:
- Renale Na + K retentie
- Intstinale Ca absorptie ---> Ca nr bot
---> = zorgen voor meer opname van Ca vanuit darm naar bloedbaan
3
, BMI =
- In groeifase = stijgen door toename in spiermassa ---> anabole effecten GH
- = indicator voor obesitas MAAR:
• Enkel bij volwassenen
• Na uitsluiting v toename door training of anabole effecten
Effecten GH en mediator (IGF1) =
- Gelijkenissen
• Zorgen voor epifysiaire groei ---> lineaire groei
• Bevorderen eiwitsynthese
- Verschillen
GH IGF1
Insuline effect Effect van insuline tegenwerken = Insuline-like activiteit ---> zorgen dat er meer
zorgen voor meer suiker in de glucose wordt opgenomen door cellen
bloedbaan
Reden Er moet genoeg glucose in Voor meer groei is er meer energie nodig --->
bloedbaan blijven zodat alle IGF = stimuleren opname = meer energie
weefsels genoeg energie hebben
GH IGF1
Reactie op Lipolytisch effect = afsplitsen van Anti-lipolytische activiteit ---> zorgen voor
vetten vetten minder afsplitsen van vetten
Reden Er moeten genoeg vetten in Vetweefsel moet ook meegroeien met botten
circulatie zijn voor andere weefsels + spieren
Effecten bespreken
1. Longitudinale groei thv epifysen
Verschillende soorten botvorming =
- Endochondrale botvorming = botvorming binnenin chondrale zone = effect van GH
- Intramembraneuze botgroei ---> bot verandert constant + herstelt bij bv. breuk = geen
GH-effect
---> werking GH =
Werkt in op epifysaire groeiplaten = bevatten chondrocyten ---> bevordert aantal processen
4