Hoofdstuk 4: Staande houden................................................................................................................1
Hoofdstuk 5: De (hulp)officier van justitie..............................................................................................8
Hoofdstuk 6: Aanhouden......................................................................................................................10
Hoofdstuk 7: Onderzoek aan lichaam en kleding..................................................................................13
Hoofdstuk 8: Ophouden voor onderzoek en ophouden ter identificatie..............................................17
Hoofdstuk 4: Staande houden
Staande houden wil zeggen dat de opsporingsambtenaar de verdachte kort ophoudt om hem naar
zijn naam en andere identiteitsgegevens te vragen. Omdat dit dwangmiddel maar een geringe
inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, wordt staande houden over het
algemeen gezien als het lichtste dwangmiddel van de wet.
4.2 Staande houden
Staande houden is verdachte kort ophouden om naar identiteitsgegevens te vragen.
In de wettekst van ieder dwangmiddel wordt nauwkeurig aangegeven wie het mag toepassen, in
welke gevallen dat mag en met welk doel. De verdachte moet worden medegedeeld op grond van
artikel 27c WvSv voor welk feit hij als verdachte wordt staande gehouden.
Het doel van de Wet identiteitsvaststelling verdachten is het zorgen voor een juiste, betrouwbare en
zorgvuldige vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden, ook wel Integer
Persoonsbeeld genoemd. In deze wet staat een nieuw artikel. Deze schrijft voor dat ten behoeve van
het vaststellen van de identiteit van de verdachte, aan de verdachte zijn naam, voornamen,
geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de Basisregistratie personen is
ingeschreven en zijn feitelijke verblijfplaats wordt gevraagd. De identiteit moet worden gecontroleerd
aan de hand van een voorgeschreven identiteitsbewijs dan wel door het vergelijken van
vingerafdrukken. Deze verplichting is de opsporingsambtenaar opgelegd in artikel 55c WvSv. Artikel 8
Politiewet geeft de bevoegdheid tot het vorderen van het ID-bewijs.
Artikel 52 WvSv bepaalt dat iedere opsporingsambtenaar bevoegd is de identiteit van de verdachte
vast te stellen zoals vermeld in artikel 27a lid 1, eerste volzin en hem daartoe staande te houden. Als
wij artikel 52 nauwkeurig lezen dan zien wij:
- Ad 1: Iedere opsporingsambtenaar
Iedere opsporingsambtenaar bevoegd dit dwangmiddel toe te passen.
- Ad 2: Verdachte
Daarnaast wordt duidelijk dat het dwangmiddel niet op iedere burger mag worden
toegepast maar alleen op verdachten. Er moet dus op grond van feiten en
omstandigheden een redelijk vermoeden zijn dat degene die aangesproken wordt
zich schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit.
- Ad 3: Identiteitsgegevens
, Doel van het dwangmiddel is de opsporingsambtenaar in de gelegenheid te stellen
om de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze als bedoeld in artikel 27a
lid 1 WvSv.
- Ad 4: Daartoe staande houden
Het woord ‘daartoe’ maakt duidelijk dat de opsporingsambtenaar – om de identiteit
vast te stellen – de verdachte staande mag houden.
Het staande houden staat dus in dienst van deze identiteitsvaststelling. Dit betekent
dat het dwangmiddel staande houden alleen mag worden gebruikt om de identiteit
van de verdachte vast te stellen. De opsporingsambtenaar mag dit dwangmiddel dus
niet gebruiken voor andere doelen.
Staande houden is een strafvorderlijke bevoegdheid, die alleen kan worden toegepast bij een
persoon (52 WvSv). Gebruik dan ook alleen de term staande houden als dit is gebeurd op grond van
dit artikel.
Let op! Dwangmiddelen mogen in principe maar één keer worden gebruikt. Een tweede gebruik is
alleen toegestaan als het doel van het dwangmiddel door omstandigheden de eerste keer niet is
bereikt of als de verdenking ontstaat dat de verdachte ook nog betrokken is bij een ander strafbaar
feit.
Artikel 55b WvSv geeft de opsporingsambtenaren de bevoegdheid om een staande gehouden of
aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken dan wel de voorwerpen die hij bij zich
draagt of met zich voert te onderzoeken indien dit noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn
identiteit. Het tweede lid van dit artikel zegt dat dit onderzoek alleen in het openbaar mag worden
uitgevoerd als dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen
waaruit de identiteit van de verdachte zou kunnen blijken te voorkomen. In lid 3 is vervolgens aan de
ambtenaar de verplichting opgelegd dat indien hij van deze bevoegdheid gebruikmaakt hij hiervan PV
dient op te maken dat aan de OvJ ter beschikking wordt gesteld.
Van de verdachte die is aangehouden voor een VH-feit (art. 67 lid 1 feiten) of van de verdachte die
voor een VH-feit wordt gehoord moeten vingerafdrukken worden afgenomen en een of meer foto’s
worden gemaakt. Dit is geregeld in het artikel 55c WvSv. Het artikel vermeldt verder dat bij overige
verdachten de OvJ of de HOvJ kan bevelen dat bij twijfel over de identiteit van de verdachte
vingerafdrukken of foto’s worden genomen.
Artikel 27b WvSv vermeldt de regelgeving betreffende de invoer van het Strafrechtsketennummer
(SKN) en de verplichting om dit nummer te gebruiken. Het SKN is een persoonsnummer dat men
gedurende de gehele strafrechtsprocedure bij zich houdt en dat door iedereen in de strafrechtsketen
wordt gebruikt.
4.3 Gebruik van geweld
Geweld: redelijk en gematigd
Een politiefunctionaris die ‘in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is’ (dus correct met zijn
werk bezig is) is op grond van artikel 7 van de Politiewet 2012 bevoegd geweld te gebruiken. Het
gebruik van geweld is toegestaan als het doel dat de politie wil bereiken het gebruik van geweld
rechtvaardigt en als dit doel niet op een andere, geweldloze manier kan worden bereikt. Geweld is
dus het allerlaatste middel en het moet in redelijke verhouding staan tot het doel van het
dwangmiddel. Hiervoor worden de begrippen subsidiariteit en proportionaliteit gebruikt.
, Proportionaliteit = de verhouding tussen de mate van geweld en het doel dat de politie wil bereiken.
De bevoegdheid om geweld te gebruiken als het doel van het geweld (bescherming personen of
goederen) zwaarder weegt dan het belang dat door het geweld wordt geschonden (schade of letsel
dat door het geweld wordt veroorzaakt).
Subsidiariteit = dat er geen ander, voor de burger lichter, middel was om hetzelfde doel te bereiken.
Het geweld dat de politie bij het toepassen van een dwangmiddel gebruikt, wordt achteraf door de
rechter getoetst aan de hand van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Artikel 7 van de Politiewet 2012 eist van politiemensen dat ze iedere keer dat ze geweld gebruiken
een afweging maken aan de hand van twee vragen: Is het doel dat ik wil bereiken wel geweld waard?
Is er geen lichter middel waarmee ik hetzelfde doel kan bereiken?
In verband met het gebruik van geweld door de politie wijzen we op de volgende regelingen:
- Artikel 7 lid 1 Politiewet 2012 bepaalt dat een politiefunctionaris, als het ook maar
enigszins mogelijk is, eerst een waarschuwing moet geven voordat hij geweld gaat
gebruiken.
- In de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon
opsporingsambtenaar worden nadere voorschriften gegeven over het gebruik van geweld
door de politie.
- Artikel 17 van de Ambtsinstructie legt de politiefunctionaris die geweld heeft gebruikt de
plicht op dit geweldgebruik te melden aan zijn chef. Is door het geweld lichamelijk letsel
ontstaan of is er een vuurwapen gebruikt, dan moet daarvan, door de chef, melding worden
gedaan aan de officier van justitie.
- Het toepassen van geweld door de opsporingsambtenaar moet in het proces-verbaal worden
vermeld als dit redelijkerwijs van belang is voor de beslissing van de rechter.
Nieuwe wetgeving met betrekking tot het gebruik van geweld door de politieambtenaar
- Gewijzigd in verband met het opnemen van een specifieke strafuitsluitingsgrond voor
opsporingsambtenaren die geweld hebben gebruikt in de rechtmatige uitoefening van hun
taak (art. 42 lid 2 WvSr) en een strafbaarstelling van schending van de geweldsinstructie (art.
372 WvSr). (In het nieuwe artikel 90novies WvSr wordt vermeld wat onder geweldsinstructie
moet worden verstaan).
- Het Wetboek van Strafvordering is gewijzigd in verband met het opnemen van nadere
regelgeving voor het strafrechtelijk onderzoek naar het geweldgebruik door de
opsporingsambtenaar. Allereerst wordt in artikel 2 lid 3 WvSv de bepaling opgenomen dat de
rechtbank Midden-Nederland belast is met de vervolging van de ambtenaar die zich schuldig
heeft gemaakt aan artikel 372 WvSr
- Om de ambtenaar dezelfde rechten te geven als de verdachte tegen wie een onderzoek
wordt ingesteld is lid 3 van artikel 27 aangepast. Toegevoegd is dat de aan de verdachte
toekomende rechten ook van toepassing zijn op de ambtenaar die in zijn functie geweld heeft
gebruikt en tegen wie een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 511a wordt ingesteld.
- Artikel 372 WvSr is toegevoegd aan de misdrijven genoemd in artikel 67 WvSv en daarmee zal
dus inverzekeringstelling voor dit feit mogelijk zijn. Voor wat betreft de dagvaarding is in het
nieuwe artikel 261a WvSv bepaalt dat indien de ambtenaar ter zake van artikel 372 WvSr
wordt gedagvaard er niet nog een verwijzing naar een ander misdrijf mag worden gedaan.