Ontwikkelingspsychologie –
Samenvatting boek deeltentamen
2
Hoofdstuk 5 – Parritz en Troy (blz. 298-306 en 310-316): Temperament en hechting
Biobehavioral shift = signaleert belangrijke intrapersoonlijke of interpersoonlijke veranderingen
binnen de ontwikkeling van een jong kind.
Dit zijn er 3:
1. 2-3 maanden: na baby’s en verzorgers de verschuiving van intrauterine (in de baarmoeder)
naar extrauterine (buiten de baarmoeder) ervaringen hebben onderhandeld via routines
zoals voeden, aankleden en geruststellen.
2. 7-9 maanden: baby’s leren hun gevoelens en intenties te communiceren via gebaren en
vocalisaties, het spelen met speelgoed en dagelijkse routines.
3. 18-20 maanden: peuters kunnen lopen en praten, waardoor ze meer onafhankelijk de
wereld gaan ontdekken in nieuwe omgevingen.
1). Slapen:
Het slaap-waaksysteem (slaap/wakker worden) ondergaat veel veranderingen in de eerste
maanden/jaren. Het systeem is verbonden aan de maturation (rijping), organisatie en functie van de
hersenen.
- Goede kwaliteit slaap (lang genoeg slapen) is geassocieerd met cognitieve ontwikkeling,
gedrag- en emotieregulatie en het welzijn gedurende de levensloop.
- De ouders spelen een belangrijke rol bij het slapen. Via positieve relaties, slaap omgevingen
en consistentie ontstaat goede slaap. Ook socioculturele factoren zoals overtuigingen over
alleen of samen slapen (bij de ouders) hebben ook invloed op het slaappatroon van het
kind.
- Witte jongeren hebben vaak betere slaap in vergelijking tot zwarte en Hispanic jongeren.
o Hier dragen veel factoren aan bij, vooral nadelige omgevingssituaties.
- Veel voorkomende slaapproblemen bij kinderen zijn moeite met in slaap vallen en moeite
met in slaap blijven.
2). Temperament:
Temperament = temperament kenmerken zijn disposities (open staan voor iets) die vroeg ontstaan
in de domeinen van activiteit, affectiviteit, aandacht en zelfregulatie. Dit is het product van complexe
interactie tussen genetische, biologische en omgevingsfactoren over tijd.
Onderzoek naar temperament focust zich vaak op 2 domeinen:
1. Reactiviteit = bevat de prikkelbaarheid en het reactievermogen
Bv. een baby kan boos worden als het door veel mensen achter elkaar wordt
vastgehouden of een baby vindt dit juist leuk.
2. Regulatie = bevat wat baby’s doen om hun reactiviteit te controleren
Bv. sommige baby’s die stress ervaren kalmeren snel wanneer ze getroost worden door
hun verzorgers, terwijl andere baby’s hier langer voor nodig hebben.
Reactiviteit en regulatie worden beïnvloed door genetische, fysiologische en relationele factoren.
,Dimensies van temperament:
- Surgency: reflecteert de positieve emoties en sociale vaardigheden van een kind.
o Hier scoren jongens hoger op
- Negative affectivity: reflecteert de aanleg om angst en frustratie/boosheid te ervaren.
- Effortful control: reflecteert de pogingen van het kind om stimulatie en reactie te reguleren.
o Hier scoren meisjes hoger op
Naast dimensies van temperament bestaat er ook nog een typologische (categorische) aanpak.
Hierbij worden groepen kinderen met bepaalde kenmerken onderzocht, een temperament profiel.
Gen x omgeving x tijd processen zorgen voor het ontstaan temperament kenmerken. Genen gaan
aan en uit, afhankelijk van de omgeving.
Ouders zorgen ook voor de uiting van temperament via de hoeveelheid warmte en de positieve en
negatieve controle (verband met autonomie en zelfregulatie kind).
Mechanismen die emotieregulatie beïnvloeden:
- Emotie-gerelateerd ouderlijk gedrag: labelling emoties, comforting, problemen oplossen
- Emotionele klimaat van de familie
Er bestaat een goodness of fit tussen de verzorgers en een baby, wat invloed heeft op het
temperament en de opvoeding van het kind. Dit is geen alles of niks situatie.
- Bv. makkelijk kind en makkelijke ouders is een goede combinatie, maar makkelijk kind en
controlerende ouders minder.
Differential susceptibility (verschil in vatbaarheid) = kinderen met ‘risky temperament’ hebben meer
kans op een negatief effect van problematisch ouderschap en andere nadelige externe contexten te
ervaren, maar ook hebben ze meer kans om positief te worden beïnvloed via repsonsive ouderschap
en positieve externe contexten.
3). Attachment/hechting:
Rond de 1 jaar hebben een baby en zijn verzorger al belangrijke taken vervuld:
- De ontwikkeling van een hechtingsrelatie
o Reflecteert de mate van veiligheid, comfort en affectie die de baby ervaart
- (Rudimentaire) sense of self
o Reflecteert de eerste cognities en emoties over het zijn van een individu
- Basisbegrip over anderen en de wereld
o Overtuigingen over onbekenden en nieuwe situaties die de baby in het dagelijks leven
tegen kan komen
Baby’s gedijen het beste in een omgeving die voorziet in hun behoeften op een sensitieve,
consistente en warme manier.
Wanneer baby’s gaan begrijpen dat ze verzorgd zullen worden, dat ze het waard zijn om verzorgd te
worden en dat de wereld om hen heen een interessante plek met mensen, activiteiten en objecten
is, wordt de basis van hechting gevormd.
De ontwikkeling van een hechtingsrelatie is de significante psychologische prestatie van de late
babytijd.
Het belangrijkste onderdeel van hechting, op evolutionair niveau, is het zorgen voor veiligheid en de
overleving van de baby. Om dit te realiseren moet de verzorger bepaalde kenmerken hebben:
1. Veilige haven:
Een persoon waar de baby naar kan komen voor comfort en steun.
2. Nabijheid onderhouden:
, Een persoon waar de baby naar kan komen wanneer de baby nabijheid zoekt en geen
separatie wil.
3. Stabiele basis:
Aanwezigheid persoon zorgt voor veiligheid, van waaruit de baby de wereld kan gaan
ontdekken en erop kan vertrouwen dat het naar de persoon kan terugkeren.
De sensitiviteit, beschikbaarheid en reactiviteit van de verzorger draagt bij aan de emotionele
overtuigingen en verwachtingen gerelateerd aan ‘the self’ (ik ben het waard/geliefd), aan anderen
(ik kan je vertrouwen) en aan de wereld (dit is een veilige plek).
De patronen van hechting kunnen worden onderverdeeld in ‘secure’ en ‘insecure’. Deze patronen
zijn relatie specifiek, wat betekent dat het kind verschillende patronen van hechting bij verschillende
mensen kan laten zien.
Resistant attachment (anxious/ambivalent attachment):
Gerelateerd aan inconsistentie en onvoorspelbaarheid.
- Verzorger reageert soms lief en soms zonder steun
o On-again/off-again vorm van verzorging
- Verwarrend en frustererend
- Kind is onzeker en anxious over zichzelf, de verzorgers en hun situatie
- Kind is vigilant over aanwezigheid ouders en durft niet goed de wereld te ontdekken
- Kan wel/niet goed voelen bij de oppas en wel/niet goed opnieuw hechten aan ouders
Avoidant attachment (anxious/avoidant attachment):
Gerelateerd aan inadequate verzorging.
- Verzorgers zijn overweldigd, haatdragend en niet competent
o Hierdoor falen om het kind te beschermen en verzorgen
- Kind is afstandelijk en emotioneel vernauwd
- Kind voelt zich minderwaardig voor steun en verzorging
- Individuen in de directe omgeving worden sneller als onvriendelijk of responsief gezien
- Kind gaat meer onafhankelijk de wereld onderzoeken en is hier minder voorzichtig in
Gerelateerd aan intrusieve en excessief controlerende verzorging.
- Kind vermijdt over stimulerende interacties
- Kind heeft botte emotionele vertoningen, zorgt voor zichzelf en zoekt comfort bij andere
personen dan hun verzorgers
Disorganized attachment:
Gerelateerd aan patroon waarbij de verzorger als angstaanjagend, bang, kwaadaardig of een bron
van alarm wordt gezien.
- Dit patroon kan ook bij jonge kinderen voorkomen wanneer ze lange separaties met hun
verzorger hebben meegemaakt
- Het hechtingsconflict is gefocust op de verzorger, omdat deze zowel als bron van comfort
als bron van anxiety wordt gezien
- Kinderen laten op momenten van stress gedrag en emoties zien die gedesorganiseerd zijn
op gebied van het onderhouden van een gevoel van veiligheid
- De afwezigheid van aandachts-, emotie- en gedragsstrategieen wordt gereflecteerd in de
ongerichte en verkeerde gedragingen en expressie van angst
- De consistentie en intensiteit van conflicterende gedragingen, desoriëntatie en angst, leidt
tor de classificatie van disorganisatie
, De belangrijkste factor voor het ontwikkelen van een hechtingsstijl wordt vaak gezien als de
ouderlijke sensitiviteit, oftewel het juist kunnen aanvoelen en interpreteren van de behoeften van
het kind en hier gepast op kunnen reageren.
Andere belangrijke factoren zijn emotionele beschikbaarheid, hechtingsstijlen van de verzorgers,
verlies- en traumaervaringen en het psychologisch welzijn van de verzorger(s).
Echter is een belangrijkere factor het verzorgen van een veilige basis.
Invloeden van de sociale processen van de verzorger op het kind:
- Affiniteit en hechting met kind
- Sociale communicatie met het kind
- Waarneming en begrip voor de self als verzorger
- Waarneming en begrip voor het kind
Risico voor psychopathologie kan ontstaan wanneer er sprake is van negatieve invloed.
Hechting is belangrijk omdat:
1. Vroege hechtingsprocessen verbonden zijn aan neurologische en fysiologische
ontwikkelingen (met name verband hechting en de reactie van het kind op stress).
2. De hechting invloed heeft op het ontstaan en de organisatie van de emotionele regulatie
(emotie heeft een centrale rol bij de vroege persoonlijke ontwikkeling).
3. De hechting invloed heeft op het prototype van een relatie en het model over hoe je je moet
gedragen binnen relaties.
4. Vroege hechting gelinkt is aan latere positieve socio-emotionele uitkomsten en gezondheid,
zoals empathie en compassie
Hechtingsstijlen kunnen nog veranderen, zelfs nog tijdens de adolescentie wanneer er cognitieve,
emotionele en gedragsontwikkelingen plaatsvinden en zo mogelijkheden voor reflecteren en
veranderingen ontstaan.
4). Temperament, hechting en psychopathologie:
Voor sommige kinderen kunnen de temperamentkenmerken en hechtingsstijl voorspellers zijn voor
latere psychopathologie.
- Zo hangen risico en temperament samen en kunnen deze kenmerken psychopathologie
voorspellen.
- Hoog niveau van angst bij beide lage bedreiging en hoge bedreiging situaties zijn
geassocieerd met verhoogde risico voor moeilijkheden bij internaliseren.
- Inhibitie van gedrag is niet altijd een voorspeller (kinderen met temperament inhibitie laten
zowel positieve als negatieve uitkomsten zien). Deze kinderen hebben wel een hoger risico
voor internaliserende problemen, maar juist een lager risico voor externaliserende
problemen.
- Goede uitkomsten kunnen worden gerealiseerd met sensitiviteit voor omgeving cues en
voorzichtigheid en oplettendheid.
- Slechtere uitkomsten (extremere angst inhibitie) komen voor bij kinderen met ouders die te
betrokken, controlerend en intrusief zijn.
- Hoge niveaus van negatieve affectiviteit (vooral boosheid/frustratie en disregulatie) zijn
geassocieerd met verhoogd risico voor beide internaliserende en externaliserende
problemen.
Irratability (prikkelbaarheid) is een temperament construct wat het ontstaan van een stoornis kan
verklaren. Dit is het hebben van een lage drempel voor agitatie, frustratie en boosheid als reactie
voor een geblokkeerd doel of beloning.
Er zijn twee componenten aanwezig:
1. Aanhoudende chagrijnige of boze stemming