Blok 1.3 – Onderste Extremiteit
,Nummer Vraag Antwoord
1. De M. Biceps femoris is betrokken bij retroflexie in het A
heupgewricht. Deze stelling is:
a. Juist
b. Onjuist
2. De M. Sartorius is een mono-articulaire spier. Deze stelling is: B
a. Juist
b. Onjuist
3. Wat is geen indicatie voor een gedeeltelijke heupprothese? C
a. Een goede botkwaliteit
b. Actieve mensen (< 50 jaar) met artrose
c. Osteoporose
4. Bij welke leeftijdscategorie/geslacht komt de ziekte van Bechterew A
het vaakst voor?
a. Mannen, tussen het 20-40ste levensjaar
b. Mannen, tussen het 40-60ste levensjaar
c. Vrouwen, tussen het 20-40ste levensjaar
5. De meniscus is een schijfje kraakbeen. Wat is juist? C
a. De mediale meniscus is rond en de laterale meniscus heeft
een banaanvorm
b. De mediale en laterale meniscus zijn beide rond
c. De mediale meniscus heeft een banaanvorm en de laterale
meniscus is rond
6. De voorste kruisband kan op verschillende manieren scheuren. B
Welke van de onderstaande antwoorden klopt hierbij niet?
a. Hyperextensie, met endorotatie van de tibia
b. Hyperextensie van de knie, zonder rotatie
c. Valgus, met exorotatie van de tibia
7. Eversie is een combinatiebeweging van: B
a. Pronatie en dorsaalflexie
b. Abductie, pronatie en dorsaalflexie
c. Adductie, supinatie en plantairflexie
8. Welke van de onderstaande ligamenten behoort tot de mediale C
enkelbanden?
a. Het ligamentum talofibulare anterior
b. Het ligamentum calcaneofibulare
c. Het ligamentum deltoideum
9. Het sarcoplasmatisch reticulum: C
a. Is het celmembraan van het dwarsgestreepte spierweefsel
b. Maakt communicatie en transport van stoffen door een
spiervezel mogelijk
c. Is de opslagplaats voor calcium
10. Bij een tennisleg is er sprake van: B
a. Een partiële ruptuur in het bovenste deel van de M.
Gastrocnemius
b. Een partiële ruptuur in het middelste deel van de M.
Gastrocnemius
c. Een partiële ruptuur in het onderste deel van de M.
Gastrocnemius
11. Gegeven: een patiënt heeft een zweepslag in het onderbeen A
opgelopen door gelijktijdig extensie van de knie met dorsaalflexie
van de enkel te maken. Na onderzoek blijkt dat er sprake is van
een overrekking van structuren.
1
, Vraag: er is hier sprake van een graad … spierscheuring.
a. Graad 1
b. Graad 2
c. Graad 3
12. Het gewrichtskraakbeen: B
I. Dient voor de absorptie van stoot- en compressiekrachten
II. Heeft een goede bloedcirculatie
III. Zorgt ervoor dat de afvalstoffen uit de gewrichten worden
afgevoerd
IV. Zorgt voor het reduceren van de wrijvingskrachten van de
verschillende botstukken in een gewricht
Welke stellingen zijn juist?
a. Stelling I en II zijn juist
b. Stelling III en IV zijn juist
c. Stelling I en IV zijn juist
d. Stelling II en III zijn juist
13. Synoviaal vloeistof wordt geproduceerd door: C
a. De botten
b. De spieren
c. Het gewrichtskapsel
d. Het gewrichtskraakbeen
14. De collagene vezels van het gewrichtskraakbeen bestaan vooral B
uit collagene fibrillen van:
a. Type I
b. Type II
c. Type III
d. Er zitten geen collagene vezels in het gewrichtskraakbeen
15. Artrose is een aandoening waarbij primair: A
a. Het kraakbeen in gewrichten is aangedaan
b. De synoviaal vloeistof in gewrichten is aangedaan
c. Het bot in gewrichten is aangedaan
d. Het kapsel om de gewrichten is aangedaan
16. De belangrijkste functie van de M. Iliopsoas in het heupgewricht B
is:
a. Abductie
b. Anteflexie
c. Adductie
d. Exorotatie
17. Een synergist is: C
a. De spier die een bepaalde beweging maakt
b. De spier die de tegengestelde beweging maakt als de
spier die is aangespannen
c. De spier die bij een krachtige beweging de spier, die een
bepaalde beweging maakt, helpt
d. De spier die ontspannen is bij een bepaalde beweging
18. Kraakbeen is goed doorbloed. Deze stelling is: B
a. Juist
b. Onjuist
19. Uitgaande van flexie van de heup zijn de Mm. Gluteus de B
agonisten. Deze stelling is:
a. Juist
b. Onjuist
2