Woensdag 9-04-25 om 8:30 uur
Psychosociale achtergronden van gedrag – samenvatting
Week 1 – inleiding sociale psychologie
H1 Psychologie → de wetenschap van gedrag en geestelijke interne processen van een individu. De gedachtendriehoek
speelt hier een rol bij:
Ruwweg vallen psychologen in drie grote groepen uiteen:
▪ Experimenteel psychologen → de kleinste groep. Veel onderzoek dat nieuwe psychologische kennis creëert.
Meestal werkzaam aan universiteiten, bedrijven of onderzoeksinstellingen.
▪ Docenten psychologie → werken binnen een grote diversiteit aan opleidingen: lesgeven aan studenten en
universiteiten. Op universiteiten soms ook onderzoek.
▪ Toegepast psychologen → gebruiken de kennis die door experimenteel psychologen is vergaard om
problemen van mensen op te lossen door middel van trainingen, diagnostische testen, etc. Werken op scholen,
klinieken, bij bedrijven, welzijnsorganisaties, luchthavens en in ziekenhuizen. Ongeveer 2/3 van de
psychologen.
Wat doen toegepast psychologen? Specialisaties:
▪ Arbeids- en organisatiepsychologen → hebben zich gespecialiseerd in aanpassingen aan de werkplek die de
productiviteit en de arbeidsmoraal van de werknemers moeten maximaliseren.
▪ Sportpsychologen → helpen atleten hun prestaties en motivatie te verbeteren.
▪ Schoolpsychologen → zijn deskundig op het gebied van lesgeven en leren.
▪ Gezondheidspsychologen → werken in alle sectoren van de gezondheidszorg. Hun patiënten hebben zowel
psychische als lichamelijke problemen.
▪ Klinisch psychologen en counselors → helpen mensen zich aan te passen op sociaal of emotioneel gebied,
of om moeilijke keuzes in relaties, hun carrière of opleiding te maken.
▪ Forensisch psychologen → leveren hun psychologische expertise aan het wets- en rechtssysteem.
▪ Omgevingspsychologen → proberen de interactie met onze omgeving en het milieu te verbeteren.
▪ Gerontoppsychologen → vormen een van de nieuwste vakgroepen in de psychologie. Ze beoordelen het
functioneren van ouderen en verstrekken begeleiding. Zo proberen ze ouderen te helpen hun potentieel
maximaal te benutten in de latere fasen van hun leven.
,Psychologie is geen psychiatrie:
Psychiaters behandelen geestelijke stoornissen. Psychiatrie is een medisch specialisme en maakt geen deel uit van de
psychologie. Zij hebben een medische opleiding gevolgd en een gespecialiseerde opleiding in de behandeling van
geestelijke en gedragsmatige problemen. Ze kijken naar hun cliënten vanuit een medische invalshoek. De psychologie is
een breder vakgebied waarbij meestal de nadruk ligt op onderzoeksmethoden. Pseudopsychologie → niet-
onderbouwde psychologische aannamen die als wetenschappelijke waarheden worden gepresenteerd, zoals
horoscopen.
Psychosociale factoren → factoren die gedrag beïnvloeden. Het is een veelomvattend aspect van de wijze waarop je
het leven leeft en hoe je het beleeft.
Psychosociaal → een term die verwijst naar situaties en relaties waarin psychische en maatschappelijke aspecten een
belangrijke rol spelen.
Deze theorieën stellen dat gedrag bepaald wordt door een specifiek aspect:
1. Biologisch perspectief (genen, zenuwstelsel)
Theorie van: René Decartes, neurowetenschappers en evolutiepsychologen
Het lichaam kan apart van de geest worden bestudeerd. Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald door de
hersenen, het zenuwstelsel, het endocriene stelsel (hormoonstelsel) en genen.
2. Cognitief perspectief (mentale processen)
Theorie van: Wilhelm Wundt, William James, gestaltpsychologen en cognivitisten
De wetenschappelijke methode kan worden gebruikt om de geest te bestuderen. Volgens deze theorie wordt
gedrag bepaald door iemand unieke patroon van waarnemingen, interpretaties, verwachtingen, overtuigingen
en herinneringen.
3. Behavioristisch perspectief (omgeving & consequenties van gedrag)
Theorie van: John Watson en B.F. Skinner
Psychologie moet de wetenschap van observeerbaar gedrag zijn, niet van mentale processen. Volgens deze
theorie wordt gedrag bepaald door de prikkels in onze omgeving en de consequenties van ons gedrag.
4. Perspectief van de gehele persoon (“whole person”)
▪ Psychodynamisch perspectief (onbewuste)
Theorie van: Sigmund Freud en zijn volgelingen
Psychodynamische psychologie → persoonlijkheid en psychische stoornissen komen voort uit processen
in het onbewuste. Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald processen in de onbewuste geest.
▪ Humanistisch perspectief (zelfbeeld en persoonlijke groei)
Theorie van: Carl Rogers, Abraham Maslow, Seligman en Csikszentmihalyi
Humanistische psychologie → psychologie moet de nadruk leggen op menselijke groei en potentieel in
plaats van op psychische stoornissen.
Positieve psychologie → psychologie moet bijdragen tot geluk en welzijn van individuen en groepen.
Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald door onze aangeboren behoefte om te groeien en ons
potentieel zo goed mogelijk te verwezenlijken. De innerlijke processen zijn minstens even belangrijk als
prikkels uit de omgeving.
, ▪ Karaktertrekken/temperament (persoonlijkheid)
Theorie van: De oude Grieken en moderne persoonlijkheidspsychologen
Psychologie van karaktertrekken en temperament → individuen kunnen worden begrepen in termen van
hun temperament en blijvende karaktertrekken.
Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald door de unieke persoonlijkheidskenmerken die in de tijd en in
alle situaties consistent zijn.
5. Ontwikkelingsperspectief (nature/nurture)
Theorie van: Jean Plaget en vele andere
Mensen veranderen als gevolg van een interactie tussen erfelijke eigenschappen en de omgeving. Volgens deze
theorie wordt gedrag bepaald de interactie tussen erfelijkheid en omgeving die zich in het hele leven lang uit in
voorspelbare patronen.
6. Sociocultureel perspectief (situatie)
Theorie van: Stanley Milgram, Philip Zimbardo en vele andere
Sociale en culture invloeden kunnen de invloed overstemmen van alle andere factoren die gedrag beïnvloeden.
Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald door de kracht van de situatie.
H9 Sociale psychologie → het vakgebied waarin onderzocht wordt op welke wijze individuen elkaar beïnvloeden. De
sociale psychologie onderzoekt ook welke factoren mensen samenbrengen in vriendschappen en liefdesrelaties en hoe
mensen samenwerken en conflicten oplossen.
We passen ons gedrag gewoonlijk aan de eisen van de sociale situatie aan en in een nieuwe of ambigue situaties
regeren we op de cues (signalen) die we afleiden uit het gedrag van anderen.
Situationisme → gaat ervan uit dat de externe omgeving, of de gedragsmatige context, onze gedachten, gevoelens, en
gedragingen op een subtiele, maar krachtige manier beïnvloeden.
Het situationisme staat tegenover het dispositionalisme → de neiging om gedrag aan interne individuele factoren toe
te schrijven, zoals genen en persoonlijkheidstrekken.
Deze interactie tussen persoonlijke en situationele factoren (ook wel persoon-situatie-interactie genoemd) vormt de
kern van zowel de persoonlijkheidspsychologie als de sociale psychologie.
Responsen in situaties worden bepaald door 2 factoren:
▪ Sociale rollen die een persoon op dat moment heeft → sociaal gedefinieerd gedragspatroon die mensen in
een bepaalde omstandigheid of binnen een bepaalde groep denken te moeten vertonen.
▪ Sociale normen van de groep waarin ze zich bevinden → je past je aan aan de sociale normen die op dat
moment gelden. Het uitzoeken van wat de sociale normen van die groep zijn, gebeurt door te letten op:
- Uniformiteit/samenhang
- Frequentie van bepaalde gedragingen
- Negatieve consequenties van overtreding van de sociale norm
, Conformisme → Solomon Asch
Conformisme → neiging van mensen om gedrag en meningen van andere groepsleden over te nemen
Kameleoneffect → neiging om andere mensen te imiteren
Asch-effect →een sterke invloed van een groep op het oordeel van een individu.
Bij het experiment van Asch werd sociale druk onderzocht. De feitelijke (en onwetende) deelnemer aan het
experiment werd omgeven door zogenaamde andere deelnemers, die bij het onderzoek hoorden. Deze zogenaamde
deelnemers waren geïnstrueerd om foutieve antwoorden te geven bij het beoordelen van de lengtes van verschillende
lijnstukken op verschillende gepresenteerde kaarten. Het foutief beoordelen van de lijnen door de andere deelnemers,
verwart de onwetende deelnemer over het juiste antwoord.
Er zijn 8 omstandigheden die conformisme bevorderen:
1. Unanimiteit van de meerderheid
Als iedereen in een groep het ergens over eens is, kunnen ze grote sociale druk uitoefenen
2. Omvang van de groep
Vanaf een groep van 3 neemt de sociale druk toe. Er is vrijwel geen verschil voor het conformiteitseffect tussen
een groep van 3 en een groep van 15
3. Openbaarheid
Kunnen anderen het horen? → de kans is kleiner dat mensen mee gaan met de anderen als anderen hun
antwoord niet kunnen horen
4. Ambiguïteit (minder duidelijk: meer twijfel)
Als de lijnen bijna even lang zijn, gaan mensen aan zichzelf twijfelen en laten ze zich eerder conformeren
5. Samenstelling van de meerderheid
Hoe hoger de status van de groep of individu, hoe meer conformiteit.
6. Gevoel van eigenwaarde (zelfbeeld)
7. Macht van een bondgenoot
8. Maar: onafhankelijken
Ondanks de sterke druk kunnen sommige individuen volharden en hun onafhankelijkheid bewaren. Ze staan
erop te kunnen “zeggen hoe zij de dingen zien”.
Groepsdenken → leden van een groep conformeren hun mening aan wat volgens ieder van hen de consensus van de
groep is. Door bias in de richting van conformiteit gaat de groep acties ondernemen die elk lid afzonderlijk onder
normale omstandigheden als onverstandig zou beschouwen. Er zijn 5 factoren die groepsdenken bevorderen.
1. Directief leiderschap, een dominante leider
2. Sterke cohesie (samenhang) in een groep, er zijn geen afwijkingen
3. Gebrek aan normen waarin een zorgvuldige procedure is vastgelegd om bewijsmateriaal te verzamelen en te
beoordelen
4. Homogeniteit van de sociale achtergrond en van de ideologie van de leden
5. Sterke druk met als gevolg externe dreiging, met weinig hoop op een betere oplossing dan die van de
groepsleider
Psychosociale achtergronden van gedrag – samenvatting
Week 1 – inleiding sociale psychologie
H1 Psychologie → de wetenschap van gedrag en geestelijke interne processen van een individu. De gedachtendriehoek
speelt hier een rol bij:
Ruwweg vallen psychologen in drie grote groepen uiteen:
▪ Experimenteel psychologen → de kleinste groep. Veel onderzoek dat nieuwe psychologische kennis creëert.
Meestal werkzaam aan universiteiten, bedrijven of onderzoeksinstellingen.
▪ Docenten psychologie → werken binnen een grote diversiteit aan opleidingen: lesgeven aan studenten en
universiteiten. Op universiteiten soms ook onderzoek.
▪ Toegepast psychologen → gebruiken de kennis die door experimenteel psychologen is vergaard om
problemen van mensen op te lossen door middel van trainingen, diagnostische testen, etc. Werken op scholen,
klinieken, bij bedrijven, welzijnsorganisaties, luchthavens en in ziekenhuizen. Ongeveer 2/3 van de
psychologen.
Wat doen toegepast psychologen? Specialisaties:
▪ Arbeids- en organisatiepsychologen → hebben zich gespecialiseerd in aanpassingen aan de werkplek die de
productiviteit en de arbeidsmoraal van de werknemers moeten maximaliseren.
▪ Sportpsychologen → helpen atleten hun prestaties en motivatie te verbeteren.
▪ Schoolpsychologen → zijn deskundig op het gebied van lesgeven en leren.
▪ Gezondheidspsychologen → werken in alle sectoren van de gezondheidszorg. Hun patiënten hebben zowel
psychische als lichamelijke problemen.
▪ Klinisch psychologen en counselors → helpen mensen zich aan te passen op sociaal of emotioneel gebied,
of om moeilijke keuzes in relaties, hun carrière of opleiding te maken.
▪ Forensisch psychologen → leveren hun psychologische expertise aan het wets- en rechtssysteem.
▪ Omgevingspsychologen → proberen de interactie met onze omgeving en het milieu te verbeteren.
▪ Gerontoppsychologen → vormen een van de nieuwste vakgroepen in de psychologie. Ze beoordelen het
functioneren van ouderen en verstrekken begeleiding. Zo proberen ze ouderen te helpen hun potentieel
maximaal te benutten in de latere fasen van hun leven.
,Psychologie is geen psychiatrie:
Psychiaters behandelen geestelijke stoornissen. Psychiatrie is een medisch specialisme en maakt geen deel uit van de
psychologie. Zij hebben een medische opleiding gevolgd en een gespecialiseerde opleiding in de behandeling van
geestelijke en gedragsmatige problemen. Ze kijken naar hun cliënten vanuit een medische invalshoek. De psychologie is
een breder vakgebied waarbij meestal de nadruk ligt op onderzoeksmethoden. Pseudopsychologie → niet-
onderbouwde psychologische aannamen die als wetenschappelijke waarheden worden gepresenteerd, zoals
horoscopen.
Psychosociale factoren → factoren die gedrag beïnvloeden. Het is een veelomvattend aspect van de wijze waarop je
het leven leeft en hoe je het beleeft.
Psychosociaal → een term die verwijst naar situaties en relaties waarin psychische en maatschappelijke aspecten een
belangrijke rol spelen.
Deze theorieën stellen dat gedrag bepaald wordt door een specifiek aspect:
1. Biologisch perspectief (genen, zenuwstelsel)
Theorie van: René Decartes, neurowetenschappers en evolutiepsychologen
Het lichaam kan apart van de geest worden bestudeerd. Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald door de
hersenen, het zenuwstelsel, het endocriene stelsel (hormoonstelsel) en genen.
2. Cognitief perspectief (mentale processen)
Theorie van: Wilhelm Wundt, William James, gestaltpsychologen en cognivitisten
De wetenschappelijke methode kan worden gebruikt om de geest te bestuderen. Volgens deze theorie wordt
gedrag bepaald door iemand unieke patroon van waarnemingen, interpretaties, verwachtingen, overtuigingen
en herinneringen.
3. Behavioristisch perspectief (omgeving & consequenties van gedrag)
Theorie van: John Watson en B.F. Skinner
Psychologie moet de wetenschap van observeerbaar gedrag zijn, niet van mentale processen. Volgens deze
theorie wordt gedrag bepaald door de prikkels in onze omgeving en de consequenties van ons gedrag.
4. Perspectief van de gehele persoon (“whole person”)
▪ Psychodynamisch perspectief (onbewuste)
Theorie van: Sigmund Freud en zijn volgelingen
Psychodynamische psychologie → persoonlijkheid en psychische stoornissen komen voort uit processen
in het onbewuste. Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald processen in de onbewuste geest.
▪ Humanistisch perspectief (zelfbeeld en persoonlijke groei)
Theorie van: Carl Rogers, Abraham Maslow, Seligman en Csikszentmihalyi
Humanistische psychologie → psychologie moet de nadruk leggen op menselijke groei en potentieel in
plaats van op psychische stoornissen.
Positieve psychologie → psychologie moet bijdragen tot geluk en welzijn van individuen en groepen.
Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald door onze aangeboren behoefte om te groeien en ons
potentieel zo goed mogelijk te verwezenlijken. De innerlijke processen zijn minstens even belangrijk als
prikkels uit de omgeving.
, ▪ Karaktertrekken/temperament (persoonlijkheid)
Theorie van: De oude Grieken en moderne persoonlijkheidspsychologen
Psychologie van karaktertrekken en temperament → individuen kunnen worden begrepen in termen van
hun temperament en blijvende karaktertrekken.
Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald door de unieke persoonlijkheidskenmerken die in de tijd en in
alle situaties consistent zijn.
5. Ontwikkelingsperspectief (nature/nurture)
Theorie van: Jean Plaget en vele andere
Mensen veranderen als gevolg van een interactie tussen erfelijke eigenschappen en de omgeving. Volgens deze
theorie wordt gedrag bepaald de interactie tussen erfelijkheid en omgeving die zich in het hele leven lang uit in
voorspelbare patronen.
6. Sociocultureel perspectief (situatie)
Theorie van: Stanley Milgram, Philip Zimbardo en vele andere
Sociale en culture invloeden kunnen de invloed overstemmen van alle andere factoren die gedrag beïnvloeden.
Volgens deze theorie wordt gedrag bepaald door de kracht van de situatie.
H9 Sociale psychologie → het vakgebied waarin onderzocht wordt op welke wijze individuen elkaar beïnvloeden. De
sociale psychologie onderzoekt ook welke factoren mensen samenbrengen in vriendschappen en liefdesrelaties en hoe
mensen samenwerken en conflicten oplossen.
We passen ons gedrag gewoonlijk aan de eisen van de sociale situatie aan en in een nieuwe of ambigue situaties
regeren we op de cues (signalen) die we afleiden uit het gedrag van anderen.
Situationisme → gaat ervan uit dat de externe omgeving, of de gedragsmatige context, onze gedachten, gevoelens, en
gedragingen op een subtiele, maar krachtige manier beïnvloeden.
Het situationisme staat tegenover het dispositionalisme → de neiging om gedrag aan interne individuele factoren toe
te schrijven, zoals genen en persoonlijkheidstrekken.
Deze interactie tussen persoonlijke en situationele factoren (ook wel persoon-situatie-interactie genoemd) vormt de
kern van zowel de persoonlijkheidspsychologie als de sociale psychologie.
Responsen in situaties worden bepaald door 2 factoren:
▪ Sociale rollen die een persoon op dat moment heeft → sociaal gedefinieerd gedragspatroon die mensen in
een bepaalde omstandigheid of binnen een bepaalde groep denken te moeten vertonen.
▪ Sociale normen van de groep waarin ze zich bevinden → je past je aan aan de sociale normen die op dat
moment gelden. Het uitzoeken van wat de sociale normen van die groep zijn, gebeurt door te letten op:
- Uniformiteit/samenhang
- Frequentie van bepaalde gedragingen
- Negatieve consequenties van overtreding van de sociale norm
, Conformisme → Solomon Asch
Conformisme → neiging van mensen om gedrag en meningen van andere groepsleden over te nemen
Kameleoneffect → neiging om andere mensen te imiteren
Asch-effect →een sterke invloed van een groep op het oordeel van een individu.
Bij het experiment van Asch werd sociale druk onderzocht. De feitelijke (en onwetende) deelnemer aan het
experiment werd omgeven door zogenaamde andere deelnemers, die bij het onderzoek hoorden. Deze zogenaamde
deelnemers waren geïnstrueerd om foutieve antwoorden te geven bij het beoordelen van de lengtes van verschillende
lijnstukken op verschillende gepresenteerde kaarten. Het foutief beoordelen van de lijnen door de andere deelnemers,
verwart de onwetende deelnemer over het juiste antwoord.
Er zijn 8 omstandigheden die conformisme bevorderen:
1. Unanimiteit van de meerderheid
Als iedereen in een groep het ergens over eens is, kunnen ze grote sociale druk uitoefenen
2. Omvang van de groep
Vanaf een groep van 3 neemt de sociale druk toe. Er is vrijwel geen verschil voor het conformiteitseffect tussen
een groep van 3 en een groep van 15
3. Openbaarheid
Kunnen anderen het horen? → de kans is kleiner dat mensen mee gaan met de anderen als anderen hun
antwoord niet kunnen horen
4. Ambiguïteit (minder duidelijk: meer twijfel)
Als de lijnen bijna even lang zijn, gaan mensen aan zichzelf twijfelen en laten ze zich eerder conformeren
5. Samenstelling van de meerderheid
Hoe hoger de status van de groep of individu, hoe meer conformiteit.
6. Gevoel van eigenwaarde (zelfbeeld)
7. Macht van een bondgenoot
8. Maar: onafhankelijken
Ondanks de sterke druk kunnen sommige individuen volharden en hun onafhankelijkheid bewaren. Ze staan
erop te kunnen “zeggen hoe zij de dingen zien”.
Groepsdenken → leden van een groep conformeren hun mening aan wat volgens ieder van hen de consensus van de
groep is. Door bias in de richting van conformiteit gaat de groep acties ondernemen die elk lid afzonderlijk onder
normale omstandigheden als onverstandig zou beschouwen. Er zijn 5 factoren die groepsdenken bevorderen.
1. Directief leiderschap, een dominante leider
2. Sterke cohesie (samenhang) in een groep, er zijn geen afwijkingen
3. Gebrek aan normen waarin een zorgvuldige procedure is vastgelegd om bewijsmateriaal te verzamelen en te
beoordelen
4. Homogeniteit van de sociale achtergrond en van de ideologie van de leden
5. Sterke druk met als gevolg externe dreiging, met weinig hoop op een betere oplossing dan die van de
groepsleider