Methoden en technieken van onderzoek in de sociale wetenschappen
COLLEGE 1
11-11-24
Praktijkgericht (=toegepast) wetenschappelijk onderzoek: voor
praktijkproblemen met als doel kennis voor besluitvorming bij
praktijkproblemen
Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek: voor kennisproblemen met
als doel ontwikkeling of
toetsing theorieën
empirische cyclus
(de groot, 1961)
Theorie: een
samenhangend stelsel van
uitspraken waarmee
ampirische wetmatigheden
beschreven, verklaard of
voorspeld kunnen worden
Deductie van hypothesen
Deductief-Nomologisch model (Hempel, 1965): specifieke uitspraken
afleiden uit algemene uitspraken over de
empirische werkelijkheid.
Theorie & aannamens
Struisvogel vb:
- Theorie: alle vogels kunnen vliegen
- Aanname: dit is een vogel
- Hypothese: deze vogel kan vliegen
- Empirische waarneming: dit is een vogel,
maar hij vliegt niet
- Toetsing: hypothese is gefalsificeerd
- Evaluatie: Conclusie: ‘geen vogel’ of ‘in
tegenspraak met theorie’
Empirisch-analytische benadering
- Nomothetische kennis: kennis waarin wetten geformuleerd
worden
- Komen tot generale uitspraken
- 3e persoon perspectief: onderzoeker observeert van buitenaf
- Kwantitatief onderzoek
Empirsch-interpretatieve benadering
- 1e persoon perspectief: onderzoeker kijken ‘door de ogen van’ hun
proefpersoon
- Kwalitatief onderzoek
Probleemstelling in onderzoek
Wat wil je weten?: vraagstelling
, - Praktijkgericht of fundamenteel
Waarom wil je dit weten?: doelstelling
COLLEGE 2
15-11-24
Kwantitatief onderzoek typen
Beschrijvend (descriptief) onderzoek:
- Doel: Beschrijven van bepaald fenomeen
- Frequentievragen
Explorerend onderzoek:
- Doel: Ontwikkelen en formuleren van theorieën
- Verschil- of samenhangonderzoeksvragen
- Fishing expedition: op zoek gaan naar verbanden
Toetsend onderzoek
- Doel: Toetsen van theorieën
Evaluatieonderzoek: (vorm van toetsend)
- Doel: waarde/effectiviteit van (beleids)maatregel,
methode of interventie bepalen
Conceptueel model
Kwantitatieve onderzoek ontwerpen
Experimenteel onderzoek
- Verklarende/voorspellende vraagstellingen (causaliteit
(oorzaak-gevolg verband))
- Onderzoeker grijpt zelf actief in en manipuleert “X” en meet dan “Y”
Surveyonderzoek
- Samenhangs- en verschilvragen (correlationeel)
- Onderzoeker staat langs de zijlijn en meet alleen “X&Y”
Onderzoeksontwerpen
Pre-experimenteel ontwerp 1 of One-group pretest-posttest
design
› 1 groep, alleen meten of er effect is (niet random)
Quasi-experimenteel ontwerp of non-equivalent group design
› 2 groepen, 1 test groep en 1 controle groep (niet random)
› Varianten: Pre-experimenteel ontwerp 2 geen begin metingen
Untreated control group design controle groep
niks geven
COLLEGE 1
11-11-24
Praktijkgericht (=toegepast) wetenschappelijk onderzoek: voor
praktijkproblemen met als doel kennis voor besluitvorming bij
praktijkproblemen
Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek: voor kennisproblemen met
als doel ontwikkeling of
toetsing theorieën
empirische cyclus
(de groot, 1961)
Theorie: een
samenhangend stelsel van
uitspraken waarmee
ampirische wetmatigheden
beschreven, verklaard of
voorspeld kunnen worden
Deductie van hypothesen
Deductief-Nomologisch model (Hempel, 1965): specifieke uitspraken
afleiden uit algemene uitspraken over de
empirische werkelijkheid.
Theorie & aannamens
Struisvogel vb:
- Theorie: alle vogels kunnen vliegen
- Aanname: dit is een vogel
- Hypothese: deze vogel kan vliegen
- Empirische waarneming: dit is een vogel,
maar hij vliegt niet
- Toetsing: hypothese is gefalsificeerd
- Evaluatie: Conclusie: ‘geen vogel’ of ‘in
tegenspraak met theorie’
Empirisch-analytische benadering
- Nomothetische kennis: kennis waarin wetten geformuleerd
worden
- Komen tot generale uitspraken
- 3e persoon perspectief: onderzoeker observeert van buitenaf
- Kwantitatief onderzoek
Empirsch-interpretatieve benadering
- 1e persoon perspectief: onderzoeker kijken ‘door de ogen van’ hun
proefpersoon
- Kwalitatief onderzoek
Probleemstelling in onderzoek
Wat wil je weten?: vraagstelling
, - Praktijkgericht of fundamenteel
Waarom wil je dit weten?: doelstelling
COLLEGE 2
15-11-24
Kwantitatief onderzoek typen
Beschrijvend (descriptief) onderzoek:
- Doel: Beschrijven van bepaald fenomeen
- Frequentievragen
Explorerend onderzoek:
- Doel: Ontwikkelen en formuleren van theorieën
- Verschil- of samenhangonderzoeksvragen
- Fishing expedition: op zoek gaan naar verbanden
Toetsend onderzoek
- Doel: Toetsen van theorieën
Evaluatieonderzoek: (vorm van toetsend)
- Doel: waarde/effectiviteit van (beleids)maatregel,
methode of interventie bepalen
Conceptueel model
Kwantitatieve onderzoek ontwerpen
Experimenteel onderzoek
- Verklarende/voorspellende vraagstellingen (causaliteit
(oorzaak-gevolg verband))
- Onderzoeker grijpt zelf actief in en manipuleert “X” en meet dan “Y”
Surveyonderzoek
- Samenhangs- en verschilvragen (correlationeel)
- Onderzoeker staat langs de zijlijn en meet alleen “X&Y”
Onderzoeksontwerpen
Pre-experimenteel ontwerp 1 of One-group pretest-posttest
design
› 1 groep, alleen meten of er effect is (niet random)
Quasi-experimenteel ontwerp of non-equivalent group design
› 2 groepen, 1 test groep en 1 controle groep (niet random)
› Varianten: Pre-experimenteel ontwerp 2 geen begin metingen
Untreated control group design controle groep
niks geven