Scheikunde samenvatting H5
5.2 Neerslagreacties
= 2 of meer zoutoplossingen bij elkaar.
Om te weten wat voor reactie er is verlopen, maak je een oplosbaarheid tabelletje met
behulp van tabel 45A in je binas.
Voorbeeld:
NO3- I-
Pb2+ g s
K+ g g
I- + Pb2+ → zullen met elkaar reageren. De gevormde vaste stof noem je neerslag.
Neerslagvergelijking:
Pb2+ (aq) + 2 I- (aq) → PbI2 (s)
Dynamisch evenwicht = een bewegend evenwicht. Hierbij is de reactiesnelheid van de
heengaande reactie gelijk aan de teruggaande reactie.
Chemisch evenwicht = toestand waar 2 omkeerbare reacties tegelijkertijd verlopen.
CaSO4 (s) ⇆ Ca Ca2+ (aq) + SO42- (aq)
Bij de vergelijking van een evenwicht is de pijl vervangen naar een dubbele pijl.
Heterogeen evenwicht = stoffen die niet allemaal in dezelfde toestand bevinden.
Homogeen evenwicht = stoffen die in dezelfde toestand bevinden. ← bijvoorbeeld allemaal
oplossen in water.
5.3 Rekenen aan reacties
Stoichiometrische verhouding= verhouding waarin beginstoffen reageren en
reactieproducten ontstaan.
Voorbeeld:
N2 (g) + 3 H2 (g) → 2 NH3 (g)
1 mol N2 reageert met 3 mol H2
Molverhouding → 1:3:2
Overmaat = als een van de beginstoffen na een reactie nog aanwezig is.
5.2 Neerslagreacties
= 2 of meer zoutoplossingen bij elkaar.
Om te weten wat voor reactie er is verlopen, maak je een oplosbaarheid tabelletje met
behulp van tabel 45A in je binas.
Voorbeeld:
NO3- I-
Pb2+ g s
K+ g g
I- + Pb2+ → zullen met elkaar reageren. De gevormde vaste stof noem je neerslag.
Neerslagvergelijking:
Pb2+ (aq) + 2 I- (aq) → PbI2 (s)
Dynamisch evenwicht = een bewegend evenwicht. Hierbij is de reactiesnelheid van de
heengaande reactie gelijk aan de teruggaande reactie.
Chemisch evenwicht = toestand waar 2 omkeerbare reacties tegelijkertijd verlopen.
CaSO4 (s) ⇆ Ca Ca2+ (aq) + SO42- (aq)
Bij de vergelijking van een evenwicht is de pijl vervangen naar een dubbele pijl.
Heterogeen evenwicht = stoffen die niet allemaal in dezelfde toestand bevinden.
Homogeen evenwicht = stoffen die in dezelfde toestand bevinden. ← bijvoorbeeld allemaal
oplossen in water.
5.3 Rekenen aan reacties
Stoichiometrische verhouding= verhouding waarin beginstoffen reageren en
reactieproducten ontstaan.
Voorbeeld:
N2 (g) + 3 H2 (g) → 2 NH3 (g)
1 mol N2 reageert met 3 mol H2
Molverhouding → 1:3:2
Overmaat = als een van de beginstoffen na een reactie nog aanwezig is.