Biologie 2.1 ‘cellen leven samen’
MOLECULEN zijn de kleinste deeltjes van een stof met de eigenschappen van de
stof.
GLUCOSE is een brandstof en zit in je bloed, bij lage suiker wordt het uit je bloed
met hulp van insuline.
Je bloed vervoert de insuline uit de alvleesklier samen met de glucose uit
je darmen naar cellen.
Als de glucose in je bloed daalt kunnen de cellen doorwerken.
Cellen zijn basiseenheden van je lichaam, elk organisme (levend wezen) bestaat
uit een of meer cellen.
ORGANISATIENIVEAUS :
Begrensde biologische structuren, met een duidelijke samenhang tussen
de onderdelen waarbij elk niveau voortbouwt op de onderliggende niveaus.
Lees blz. 47
EMERGENTE EIGENSCHAP:
o Een eigenschap zichtbaar op hoger niveau, die het lagere niveau
niet zichtbaar is.
Verschillende niveaus:
2) Molecuul: structuur die bestaat uit verschillende atomen.
3) Organel: onderdeel van de cel met een bepaalde taak.
4) Cel: functionele basiseenheid van elk organisme.
5) Weefsel: groep cellen met dezelfde bouw en functie.
6) Orgaan: verschillende weefsels die samenwerken aan een bepaalde taak.
7) Orgaanstelsel: diverse organen die samen een bepaalde taak hebben.
8) Organisme: een levend wezen.
9) Populatie: groep organismen van dezelfde soort in bep. gebied.
o Horen tot dezelfde soort.
10) Levensgemeenschap: alle organismen (die onderlinge relatie) in
bep. gebied.
11) Ecosystemen: begrenst gebied waar organismen relaties hebben???
12) Systeem aarde: een dynamisch systeem.
LEVENSKENMERKEN (eigenschappen en processen die typisch zijn voor leven):
1) Opgebouwd uit een of meer cellen.
2) Groei.
3) Voortplanting.
4) Stofwisseling (opnemen, omzetten en afgeven van stoffen)
5) Waarnemen van en reageren op veranderingen in de omgeving.
6) Organisatie van erfelijk materiaal.
Diabetes:
Type 1 (alvleesklier beschadigd)
Hypo: te laag glucosegehalte, zweten, trillen, duizelig en honger.
Hyper: te hoog glucosegehalte, plassen, dorst en vermoeidheid.
, Oplossingen:
1) Transplantatie:
a. Van alvleesklier of de eilandjes van Langerhans??
b. Grote kans op afstoting.
2) Stamcellen:
a. Cellen hebben zich nog niet gespecialiseerd dus dokters kunnen het
nog aanpassen.
b. Kans op afstoting klein.
Celdifferentiatie: cellen met verschillende vorm, functie en grootte.
Gedifferentieerde cellen onderscheiden zich door de verschillende eiwitten
die ze maken.
Verhouding oppervlak/inhoud:
Bij kleine oppervlak (bijv. koe) hebben meer moeite stoffen op te nemen.
Groot oppervlak (kleine dieren), darmcellen met uitstekende
celmembranen, snel stoffen opnemen.
In je lichaam is er om de cellen in de weefsels veel ruimte, gevuld met
WEEFSELVLOEISTOF .
2.2 ‘cellen’
Cel:
Omgeven door
celmembraan, inhoud van
cytoplasma (bestaat uit
grondplasma, waterige
inhoud van een cel)
Bevatten celorganellen die
allemaal een eigen
specifieke taak hebben;
Dierlijke cel (soorten organellen):
CELKERN, ruimte omgeven
door kernmembraan met
poriën.
o Bevat DNA met
bouwinstructies
voor het maken van
eiwitten.
RIBOSOOM , kleine
korreltjes losliggend / op
het ruwe ER
o Bestaan uit eiwitten
en rRNA
o Koppelen
aminozuren tot
eiwitten.
MOLECULEN zijn de kleinste deeltjes van een stof met de eigenschappen van de
stof.
GLUCOSE is een brandstof en zit in je bloed, bij lage suiker wordt het uit je bloed
met hulp van insuline.
Je bloed vervoert de insuline uit de alvleesklier samen met de glucose uit
je darmen naar cellen.
Als de glucose in je bloed daalt kunnen de cellen doorwerken.
Cellen zijn basiseenheden van je lichaam, elk organisme (levend wezen) bestaat
uit een of meer cellen.
ORGANISATIENIVEAUS :
Begrensde biologische structuren, met een duidelijke samenhang tussen
de onderdelen waarbij elk niveau voortbouwt op de onderliggende niveaus.
Lees blz. 47
EMERGENTE EIGENSCHAP:
o Een eigenschap zichtbaar op hoger niveau, die het lagere niveau
niet zichtbaar is.
Verschillende niveaus:
2) Molecuul: structuur die bestaat uit verschillende atomen.
3) Organel: onderdeel van de cel met een bepaalde taak.
4) Cel: functionele basiseenheid van elk organisme.
5) Weefsel: groep cellen met dezelfde bouw en functie.
6) Orgaan: verschillende weefsels die samenwerken aan een bepaalde taak.
7) Orgaanstelsel: diverse organen die samen een bepaalde taak hebben.
8) Organisme: een levend wezen.
9) Populatie: groep organismen van dezelfde soort in bep. gebied.
o Horen tot dezelfde soort.
10) Levensgemeenschap: alle organismen (die onderlinge relatie) in
bep. gebied.
11) Ecosystemen: begrenst gebied waar organismen relaties hebben???
12) Systeem aarde: een dynamisch systeem.
LEVENSKENMERKEN (eigenschappen en processen die typisch zijn voor leven):
1) Opgebouwd uit een of meer cellen.
2) Groei.
3) Voortplanting.
4) Stofwisseling (opnemen, omzetten en afgeven van stoffen)
5) Waarnemen van en reageren op veranderingen in de omgeving.
6) Organisatie van erfelijk materiaal.
Diabetes:
Type 1 (alvleesklier beschadigd)
Hypo: te laag glucosegehalte, zweten, trillen, duizelig en honger.
Hyper: te hoog glucosegehalte, plassen, dorst en vermoeidheid.
, Oplossingen:
1) Transplantatie:
a. Van alvleesklier of de eilandjes van Langerhans??
b. Grote kans op afstoting.
2) Stamcellen:
a. Cellen hebben zich nog niet gespecialiseerd dus dokters kunnen het
nog aanpassen.
b. Kans op afstoting klein.
Celdifferentiatie: cellen met verschillende vorm, functie en grootte.
Gedifferentieerde cellen onderscheiden zich door de verschillende eiwitten
die ze maken.
Verhouding oppervlak/inhoud:
Bij kleine oppervlak (bijv. koe) hebben meer moeite stoffen op te nemen.
Groot oppervlak (kleine dieren), darmcellen met uitstekende
celmembranen, snel stoffen opnemen.
In je lichaam is er om de cellen in de weefsels veel ruimte, gevuld met
WEEFSELVLOEISTOF .
2.2 ‘cellen’
Cel:
Omgeven door
celmembraan, inhoud van
cytoplasma (bestaat uit
grondplasma, waterige
inhoud van een cel)
Bevatten celorganellen die
allemaal een eigen
specifieke taak hebben;
Dierlijke cel (soorten organellen):
CELKERN, ruimte omgeven
door kernmembraan met
poriën.
o Bevat DNA met
bouwinstructies
voor het maken van
eiwitten.
RIBOSOOM , kleine
korreltjes losliggend / op
het ruwe ER
o Bestaan uit eiwitten
en rRNA
o Koppelen
aminozuren tot
eiwitten.