Samenvatting: een inleiding in de psychologie
Hoofdstuk 1
In de psychologie kennen we 6 perspectieven.
1. Het biologisch perspectief: dit perspectief zoekt de oorzaak van gedrag in de genen,
zenuwstelsel, hersenen en het endocrien stelsel (hormoonstelsel). Rene Descartes.
2. Cognitief perspectief: bij dit perspectief ligt de nadruk vooral op de mentale processen zoals;
leren, ons geheugen, perceptie (waarnemen), verwachtingen, overtuigingen en
herinneringen. Vanuit dit standpunt bekeken zijn iemands gedachten en handelingen het
resultaat van een uniek cognitief patroon van waarnemingen en interpretaties van
ervaringen. Wilhelm Wundt en William James.
3. Behavioristisch perspectief: vanuit dit perspectief wordt er vooral gekeken naar de omgeving.
En vraagt aandacht voor de manier waarop ons doen en laten wordt gevormd door de
consequenties ervan. Hieronder valt het leren en beheersing van gedrag door omgeving. John
Watson en B.F. Skinner
4. Whole-personperspectief: deze bestaat uit drie onderdelen.
a. Psychodynamische psychologie: dit richt zich op de persoonlijkheid en psychische
stoornissen die voortkomen uit onbewuste processen. Sigmund Freud
, b. Humanistische psychologie: deze psychologie legt de nadruk op menselijke groei en
potentieel. Carl Rogers en Abraham Maslow.
c. Psychologie van karaktertrekken en temperament: vanuit dit opzicht wordt er
gekeken naar individuen via hun temperament en blijvende karaktertrekken. De oude
Grieken
5. Ontwikkelingsperspectief: dit perspectief richt zich op psychologische veranderingen tijdens
het leven. Legt de nadruk ook op erfelijkheid en omgeving. (voorspelbare veranderingen
tijdens het levensloop). Mary Ainsworth, Jean Piaget en vele anderen
6. Socioculturele perspectief: dit perspectief wordt bekeken vanuit de omgeving waarin iemand
leeft, cultuur waarin iemand opgroeit. Sociale invloed is hierbij aanwezig en hoe individuen
functioneren in groepen.
Kritisch denken:
Er zijn zes kritische denkvaardigheden die je na moet gaan als iemand met nieuwe ideeën o.i.d. komt:
1. Wat is de bron
2. Is de bewering redelijk of extreem
3. Wat is het bewijsmateriaal
4. Kan de conclusie zijn beïnvloed door bias (een vooroordeel, vervorming of vertekening van
een situatie)
5. Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden
6. Zijn voor het oplossen van het probleem verschillende invalshoeken nodig
De vier stappen van de wetenschappelijke onderzoek methode:
1. Een hypothese ontwikkelen: het formuleren van een specifiek idee of een vermoeden over
een onderdeel van een bredere theorie. Om toetsbaar te zijn moet een hypothese
falsificeerbeer zijn. Dit houdt in dat de hypothese zo moeten worden opgesteld dat kan
worden bewezen of deze juist of onjuist is. Bij deze stap moet de onderzoeker ook bedenken
hoe de hypothese zal worden onderzocht; alle aspecten (variabelen) moeten in concrete
termen worden gedefinieerd (operationele definities).
2. Objectieve data verzamelen (empirisch onderzoek = op basis van ervaring): zorgvuldig en
systematisch bewijs verzamelen, aan de hand van verschillende methoden die zich bewezen
hebben. Bladzijden 25 – 26 hierbij leren.
3. De resultaten analyseren: de onderzoeker bekijkt of de hypothese de test heeft doorstaan of
dat deze verworpen moet worden. Hier wordt bepaald of de resultaten van het experiment
veroorzaakt zijn door de onafhankelijke variabele (significant) of dat het gevolg van toeval is.
4. De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren: in deze laatste stap moeten
wetenschappers uitzoeken of hun onderzoek bestand is tegen de kritische blik en het
commentaar van de wetenschappelijke wereld. Een onderdeel hiervan kan repliceren zijn. Dit
houdt in dat onderzoekers het onderzoek opnieuw gaan doen, om te zien of het dezelfde
uitkomst heeft.
,Vijf soorten psychologisch onderzoek
Experimenteren: type onderzoek waarbij de onderzoeker gebruik maakt van vergelijkbare groepen en
alle omstandigheden controleert en rechtstreeks manipuleert, inclusief de onafhankelijke variabele.
In een experiment vergelijkt men twee groepen en hiermee kan een betrouwbare oorzaak-gevolg
(causaliteit) mee worden vastgesteld.
Correlatieonderzoek: bij dit onderzoek ga je op zoek naar een ‘experiment’ dat al toevallig,
onopzettelijk, heeft plaatsgevonden in de wereld buiten het laboratorium. Je gaat op zoek naar een
groep die bijvoorbeeld aan iets is blootgesteld (verf) en een groep die dit niet is. Je zorgt ervoor dat
beide groepen zo gelijk mogelijk zijn.
Surveys: je kan dit zien als een enquête. Wanneer je opzoek bent naar standpunten, voorkeuren of
meningen kan je hier gebruik van maken. Je kan hierbij alleen niet 100% zeker zijn van de uitkomst
omdat je niet weet of mensen eerlijk antwoord geven.
Natuurlijke observaties: hierbij wordt gedrag van mensen of dieren geobserveerd in hun eigen
omgeving.
Gevalstudie: bij dit onderzoek wordt er onderzoek gedaan naar een enkel object (of persoon). Dit
soort onderzoek wordt doorgaans alleen gebruikt voor diepgaand onderzoek naar individuen met
zeldzame stoornissen of ongewone talenten.
Hoofdstuk 2
Neuronen en transmitters
Elk neuron heeft een verschillend doel/taak/mening. Het neuron is een cel die gespecialiseerd is om
informatie te ontvangen, te verwerken en aan andere cellen door te geven.
Er zijn drie groepen neuronen:
1. Sensorisch neuron: deze werken met een éénrichtingsverkeer en geleiden signalen van de
zintuigen naar de hersenen. (warmte van de douche op je hand komen geleid dit naar de
hersenen om te beslissen of het water te warm of te koud is)
, 2. Motorisch neuron: deze neuronen werken ook weer met een éénrichtingsverkeer, maar dan
vanuit de hersenen en het ruggenmerg versturen ze signalen naar de spieren, organen en
klieren. (Zo kan je bijvoorbeeld de kraan warmer of kouder zetten)
3. Schakelcellen: het grootste deel in de hersenen en ruggenmerg bestaat uit schakelcellen.
Deze schakelcellen geven boodschappen door van sensorische neuronen naar andere
schakelcellen of naar motorische neuronen.
Hoe neuronen werken:
Dendrieten geven hun berichten (signalen van ogen, oren of huid) door aan het centrale deel van het
neuron (cellichaam / soma). Het cellichaam bevat chromosomen, maar het bundelt ook de impulsen
die het ontvangt. Sommige signalen die binnen komen kunnen het cellichaam exciteren (aanzetten
van signalen tot vuren) of inhiberen (afremmen van signaal). Als neuron ‘vuurt’ gebeurt dit via de
axon (verzendende vezel) er ontstaat dan een elektrische prikkel in het axon, geladen met chemische
stoffen (ionen). In het rustpotentiaal geven de ionen het axon aan de binnenkant een negatieve
elektrische lading en aan de buitenkant positief. Het verschil tussen de binnen -en buitenkant is 70
millivolt. Door de ongelijke verdeling van de ladingen zorgt dit ervoor dat de positieve lading
aangetrokken wordt door de negatieve. Als het cellichaam wordt gestimuleerd, veroorzaakt dit een
reeks gebeurtenissen die samen het actiepotentiaal wordt genoemd. De lading wordt hierbij tijdelijk
omgekeerd. (dan loopt het signaal langs de axon, vuurt hij dus). Als de drempelwaarde niet wordt
overtreden vindt depolarisatie plaats; de axon vuurt niet. Als de impuls wel is doorgegeven, sluiten de
kanalen die die ionen binnenlieten, kort na het vuren beginnen de positie geladen ionen ook weer
naar buiten te stromen (repolarisatie). Dan is het neuron weer in rustpotentiaal. De uitstroom van
positieve ionen is iets trager en zakt de elektrische lading van het axon tijdens repolarisatie door tot
iets onder het niveau van rustpotentiaal (doorschieten). De cel is zo negatief geladen dat gelijk vuren
niet mogelijk is.
De synapsspleet zorgt ervoor dat de lading niet direct van het axon naar de volgende cel springt. Wil
een signaal wel hierdoor heen komen, moet dit eerst de eindknop stimuleren. Deze bevindt zich aan
het uiteinde van de axon. Bij een reeks gebeurtenissen (synaptische transmissie), zorgt het elektrische
signaal van het actiepotentiaal ervoor dat via neurotransmitters een chemisch signaal de synaptische
spleet tussen neuronen over kan steken naar de volgende zenuw.
Depolarisatie = van negatief naar positief
Repolarisatie = positief naar negatief
Neurotransmitters:
Als de elektrische impuls bij de eindknop in de axon aankomt, worden de kleine kanaaltjes die zich
vlakbij de synaps bevinden doorlaatbaar. Daardoor komt de inhoud uit de blaasjes,
neurotransmitters, in de synaps vrij. Door de vrijgekomen neurotransmitters wordt het signaal van de
zenuw over de synaptische spleet overgebracht naar het volgende neuron in de keten. Elk blaasje
geeft circa vijfduizend moleculen van neurotransmitters een de synaps af. Als de neurotransmitters de
juist vorm hebben, passen ze in speciale receptoren van het ontvangend neuron. Als de
neurotransmitter past, wordt het ontvangende neuron gestimuleerd en het signaal wordt verder
geleid. Verstoring in de neurotransmitters liggen ten grondslag voor bepaalde stoornissen. Bepaalde
geneesmiddelen zoals prozac, verstoren het proces van heropname van neurotransmitters. Drugs
kunnen neurotransmitters nabootsen.
Hoofdstuk 1
In de psychologie kennen we 6 perspectieven.
1. Het biologisch perspectief: dit perspectief zoekt de oorzaak van gedrag in de genen,
zenuwstelsel, hersenen en het endocrien stelsel (hormoonstelsel). Rene Descartes.
2. Cognitief perspectief: bij dit perspectief ligt de nadruk vooral op de mentale processen zoals;
leren, ons geheugen, perceptie (waarnemen), verwachtingen, overtuigingen en
herinneringen. Vanuit dit standpunt bekeken zijn iemands gedachten en handelingen het
resultaat van een uniek cognitief patroon van waarnemingen en interpretaties van
ervaringen. Wilhelm Wundt en William James.
3. Behavioristisch perspectief: vanuit dit perspectief wordt er vooral gekeken naar de omgeving.
En vraagt aandacht voor de manier waarop ons doen en laten wordt gevormd door de
consequenties ervan. Hieronder valt het leren en beheersing van gedrag door omgeving. John
Watson en B.F. Skinner
4. Whole-personperspectief: deze bestaat uit drie onderdelen.
a. Psychodynamische psychologie: dit richt zich op de persoonlijkheid en psychische
stoornissen die voortkomen uit onbewuste processen. Sigmund Freud
, b. Humanistische psychologie: deze psychologie legt de nadruk op menselijke groei en
potentieel. Carl Rogers en Abraham Maslow.
c. Psychologie van karaktertrekken en temperament: vanuit dit opzicht wordt er
gekeken naar individuen via hun temperament en blijvende karaktertrekken. De oude
Grieken
5. Ontwikkelingsperspectief: dit perspectief richt zich op psychologische veranderingen tijdens
het leven. Legt de nadruk ook op erfelijkheid en omgeving. (voorspelbare veranderingen
tijdens het levensloop). Mary Ainsworth, Jean Piaget en vele anderen
6. Socioculturele perspectief: dit perspectief wordt bekeken vanuit de omgeving waarin iemand
leeft, cultuur waarin iemand opgroeit. Sociale invloed is hierbij aanwezig en hoe individuen
functioneren in groepen.
Kritisch denken:
Er zijn zes kritische denkvaardigheden die je na moet gaan als iemand met nieuwe ideeën o.i.d. komt:
1. Wat is de bron
2. Is de bewering redelijk of extreem
3. Wat is het bewijsmateriaal
4. Kan de conclusie zijn beïnvloed door bias (een vooroordeel, vervorming of vertekening van
een situatie)
5. Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden
6. Zijn voor het oplossen van het probleem verschillende invalshoeken nodig
De vier stappen van de wetenschappelijke onderzoek methode:
1. Een hypothese ontwikkelen: het formuleren van een specifiek idee of een vermoeden over
een onderdeel van een bredere theorie. Om toetsbaar te zijn moet een hypothese
falsificeerbeer zijn. Dit houdt in dat de hypothese zo moeten worden opgesteld dat kan
worden bewezen of deze juist of onjuist is. Bij deze stap moet de onderzoeker ook bedenken
hoe de hypothese zal worden onderzocht; alle aspecten (variabelen) moeten in concrete
termen worden gedefinieerd (operationele definities).
2. Objectieve data verzamelen (empirisch onderzoek = op basis van ervaring): zorgvuldig en
systematisch bewijs verzamelen, aan de hand van verschillende methoden die zich bewezen
hebben. Bladzijden 25 – 26 hierbij leren.
3. De resultaten analyseren: de onderzoeker bekijkt of de hypothese de test heeft doorstaan of
dat deze verworpen moet worden. Hier wordt bepaald of de resultaten van het experiment
veroorzaakt zijn door de onafhankelijke variabele (significant) of dat het gevolg van toeval is.
4. De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren: in deze laatste stap moeten
wetenschappers uitzoeken of hun onderzoek bestand is tegen de kritische blik en het
commentaar van de wetenschappelijke wereld. Een onderdeel hiervan kan repliceren zijn. Dit
houdt in dat onderzoekers het onderzoek opnieuw gaan doen, om te zien of het dezelfde
uitkomst heeft.
,Vijf soorten psychologisch onderzoek
Experimenteren: type onderzoek waarbij de onderzoeker gebruik maakt van vergelijkbare groepen en
alle omstandigheden controleert en rechtstreeks manipuleert, inclusief de onafhankelijke variabele.
In een experiment vergelijkt men twee groepen en hiermee kan een betrouwbare oorzaak-gevolg
(causaliteit) mee worden vastgesteld.
Correlatieonderzoek: bij dit onderzoek ga je op zoek naar een ‘experiment’ dat al toevallig,
onopzettelijk, heeft plaatsgevonden in de wereld buiten het laboratorium. Je gaat op zoek naar een
groep die bijvoorbeeld aan iets is blootgesteld (verf) en een groep die dit niet is. Je zorgt ervoor dat
beide groepen zo gelijk mogelijk zijn.
Surveys: je kan dit zien als een enquête. Wanneer je opzoek bent naar standpunten, voorkeuren of
meningen kan je hier gebruik van maken. Je kan hierbij alleen niet 100% zeker zijn van de uitkomst
omdat je niet weet of mensen eerlijk antwoord geven.
Natuurlijke observaties: hierbij wordt gedrag van mensen of dieren geobserveerd in hun eigen
omgeving.
Gevalstudie: bij dit onderzoek wordt er onderzoek gedaan naar een enkel object (of persoon). Dit
soort onderzoek wordt doorgaans alleen gebruikt voor diepgaand onderzoek naar individuen met
zeldzame stoornissen of ongewone talenten.
Hoofdstuk 2
Neuronen en transmitters
Elk neuron heeft een verschillend doel/taak/mening. Het neuron is een cel die gespecialiseerd is om
informatie te ontvangen, te verwerken en aan andere cellen door te geven.
Er zijn drie groepen neuronen:
1. Sensorisch neuron: deze werken met een éénrichtingsverkeer en geleiden signalen van de
zintuigen naar de hersenen. (warmte van de douche op je hand komen geleid dit naar de
hersenen om te beslissen of het water te warm of te koud is)
, 2. Motorisch neuron: deze neuronen werken ook weer met een éénrichtingsverkeer, maar dan
vanuit de hersenen en het ruggenmerg versturen ze signalen naar de spieren, organen en
klieren. (Zo kan je bijvoorbeeld de kraan warmer of kouder zetten)
3. Schakelcellen: het grootste deel in de hersenen en ruggenmerg bestaat uit schakelcellen.
Deze schakelcellen geven boodschappen door van sensorische neuronen naar andere
schakelcellen of naar motorische neuronen.
Hoe neuronen werken:
Dendrieten geven hun berichten (signalen van ogen, oren of huid) door aan het centrale deel van het
neuron (cellichaam / soma). Het cellichaam bevat chromosomen, maar het bundelt ook de impulsen
die het ontvangt. Sommige signalen die binnen komen kunnen het cellichaam exciteren (aanzetten
van signalen tot vuren) of inhiberen (afremmen van signaal). Als neuron ‘vuurt’ gebeurt dit via de
axon (verzendende vezel) er ontstaat dan een elektrische prikkel in het axon, geladen met chemische
stoffen (ionen). In het rustpotentiaal geven de ionen het axon aan de binnenkant een negatieve
elektrische lading en aan de buitenkant positief. Het verschil tussen de binnen -en buitenkant is 70
millivolt. Door de ongelijke verdeling van de ladingen zorgt dit ervoor dat de positieve lading
aangetrokken wordt door de negatieve. Als het cellichaam wordt gestimuleerd, veroorzaakt dit een
reeks gebeurtenissen die samen het actiepotentiaal wordt genoemd. De lading wordt hierbij tijdelijk
omgekeerd. (dan loopt het signaal langs de axon, vuurt hij dus). Als de drempelwaarde niet wordt
overtreden vindt depolarisatie plaats; de axon vuurt niet. Als de impuls wel is doorgegeven, sluiten de
kanalen die die ionen binnenlieten, kort na het vuren beginnen de positie geladen ionen ook weer
naar buiten te stromen (repolarisatie). Dan is het neuron weer in rustpotentiaal. De uitstroom van
positieve ionen is iets trager en zakt de elektrische lading van het axon tijdens repolarisatie door tot
iets onder het niveau van rustpotentiaal (doorschieten). De cel is zo negatief geladen dat gelijk vuren
niet mogelijk is.
De synapsspleet zorgt ervoor dat de lading niet direct van het axon naar de volgende cel springt. Wil
een signaal wel hierdoor heen komen, moet dit eerst de eindknop stimuleren. Deze bevindt zich aan
het uiteinde van de axon. Bij een reeks gebeurtenissen (synaptische transmissie), zorgt het elektrische
signaal van het actiepotentiaal ervoor dat via neurotransmitters een chemisch signaal de synaptische
spleet tussen neuronen over kan steken naar de volgende zenuw.
Depolarisatie = van negatief naar positief
Repolarisatie = positief naar negatief
Neurotransmitters:
Als de elektrische impuls bij de eindknop in de axon aankomt, worden de kleine kanaaltjes die zich
vlakbij de synaps bevinden doorlaatbaar. Daardoor komt de inhoud uit de blaasjes,
neurotransmitters, in de synaps vrij. Door de vrijgekomen neurotransmitters wordt het signaal van de
zenuw over de synaptische spleet overgebracht naar het volgende neuron in de keten. Elk blaasje
geeft circa vijfduizend moleculen van neurotransmitters een de synaps af. Als de neurotransmitters de
juist vorm hebben, passen ze in speciale receptoren van het ontvangend neuron. Als de
neurotransmitter past, wordt het ontvangende neuron gestimuleerd en het signaal wordt verder
geleid. Verstoring in de neurotransmitters liggen ten grondslag voor bepaalde stoornissen. Bepaalde
geneesmiddelen zoals prozac, verstoren het proces van heropname van neurotransmitters. Drugs
kunnen neurotransmitters nabootsen.