1. Inleiding tot de scheikunde (chemie)
Chemie houdt zich bezig met stoffen en is overal om ons heen aanwezig, van ziekenhuizen
tot voeding en diëtetiek.
Stoffen bestaan uit moleculen, die elkaar aantrekken door VanderWaalskrachten.
2. Atomen en moleculen
Stoffen zijn opgebouwd uit atomen.
Moleculen bestaan uit meerdere atomen die verbonden zijn door chemische bindingen.
Voorbeelden:
o Water (H₂O): Bestaat uit één zuurstofatoom en twee waterstofatomen.
o Zuurstofgas (O₂): Bestaat uit twee zuurstofatomen.
o Stikstofgas (N₂): Bestaat uit twee stikstofatomen.
3. Zuivere stoffen en mengsels
Zuivere stof: Bestaat uit één soort molecuul (bijv. water, goud).
Mengsels: Bevatten meerdere stoffen en moleculen (bijv. keukenzoutoplossing:
natriumchloride opgelost in water).
4. Chemische bindingen
Atoombinding: Bindt atomen binnen een molecuul.
VanderWaalsbinding: Trekt moleculen onderling aan.
Waterstofbruggen: Speciale aantrekkingskracht tussen bepaalde moleculen, zoals
watermoleculen.
5. Aggregatietoestanden (Fasen van stoffen)
Vast (s): Moleculen zitten dicht op elkaar en bewegen nauwelijks (bijv. ijs).
Vloeibaar (l): Moleculen bewegen vrijer (bijv. water).
Gas (g): Moleculen bewegen los van elkaar (bijv. waterdamp).
6. Bouw van een atoom
Atomen bestaan uit protonen (+), neutronen (0) in de kern en elektronen (-) die rond de
kern draaien.
Atoomnummer: Aantal protonen in de kern.
Massagetal: Aantal protonen + neutronen.
7. Koolwaterstoffen – Alkanen
Koolwaterstoffen zijn moleculen opgebouwd uit koolstof- en waterstofatomen.