Par 1 Ongeslachtelijke voortplanting
Celdeling: Manier hoe cellen zich kunnen voortplanten. Uit een moedercel (basiscel)
ontstaan twee identieke dochtercellen (nieuwe basiscel). Ze bevatten dezelfde genetische
eigenschappen.
Ongeslachtelijke voortplanting: Door celdeling ontstaan nakomelingen die genetisch
identiek zijn aan de ouder. Bacteriën en andere eencellige organismen planten zich voort
door celdeling.
Weefselkweek: Een speciale manier van stekken. Stukjes van een gezonde, goed
groeiende plant worden op een geschikte voedingsbodem met groeistoffen gebracht. De
cellen delen zich en na enkele weken is een hoeveelheid weefsel ontstaan. Dit weefsel
wordt verdeeld en verplaatst naar andere voedingsbodems, daar groeien kleinere plantjes
uit het weefsel.
Kloon: Een organisme dat door
ongeslachtelijke voortplanting uit één
organisme is ontstaan. Het kweken van
deze individuen heet klonen.
Mitose: Kerndeling bij planten, dieren
en schimmels. Begin van de celdeling.
Celcyclus: Tijdens de M-fase (mitotische fase) deelt de cel. De periode tussen twee
celdelingen noem je de interfase. Ongeveer halverwege de interfase wordt van elk DNA-
molecuul een kopie gemaakt, dit is de DNA-replicatie of DNA-synthese. Deze fase heet de
S-fase (synthesefase). De kopie blijft tijdelijk vastzitten aan
het DNA waarvan de kopie is gemaakt. Zolang de DNA-
moleculen nog aan elkaar vastzitten, worden ze
chromatiden genoemd. Na de S-fase bestaat een
chromosoom dus uit twee chromatiden. Cellen kunnen ook
in rust zijn. Er treden dan geen delingen op.
, Par 2 Geslachtelijke voortplanting
Geslachtelijke voortplanting: Kenmerk is versmelting van twee cellen. De versmelting van
twee cellen heet celfusie. Door celfusie komt de inhoud van twee cellen samen, dus ook
beide kernen. Dit is het begin van de levenscyclus, de stadia die een individu doorloopt
vanaf de bevruchting tot volwassenheid.
Geslachtscellen: Haploïde cellen, van elk chromosoom bevat een geslachtscel er één.
Lichaamscellen: Alle andere cellen in het lichaam, die niet tot de geslachtscellen behoren.
Bevruchting: Het versmelten van de kern van een eicel met de kern van een zaadcel.
Haploïde: Elke geslachtscel bevat één volledige set chromosomen. Het aantal;
chromosomen in een haploïde cel wordt weergeven met de letter ‘n’. Een bevruchte eicel
ofwel zygote bevat twee volledige sets chromosomen; het zijn diploïde (=tweevoudige)
cellen. Elk chromosoom komt twee keer voor. Dit wordt aangegeven met ‘2n’. Alle
lichaamscellen zijn diploïde cellen.
Reductiedeling of Meiose: Het proces waarbij het aantal chromosomen van een cel wordt
gereduceerd.
Meiose l en meiose ll: De meiose bestaat uit
twee opeenvolgende delingen: meiose I en
meiose II. Tijdens meiose I deelt één diploïde cel
zich in twee haploïde cellen. Door meiose II
ontstaan uit deze twee haploïde cellen vier
haploïde dochtercellen. Deze kunnen zich
ontwikkelen tot geslachtscellen.
Meeldraden en stamper(s): zijn respectievelijk de mannelijk en
vrouwelijke voortplantingsorganen. In de helmknoppen van de meeldraden vindt meiose
plaats. De haploïde cellen die hierbij ontstaan, ontwikkelen zich tot stuifmeelkorrels. In de
Vruchtbeginsel van een stamper bevinden zich een of meer zaadbeginsels. In elk
zaadbeginsel ontstaan één eicel na meiose.
Zaad: Bestaat uit kiem en een voorraad voedsel. De kiem is het embryo van het nieuwe
plantje. Als het zaad op een geschikte plek in de bodem terechtkomt, kan het ontkiemen en
uitgroeien tot een plant.
Zelfbestuiving: Stuifmeel komt terecht op een stempel van dezelfde plant
Kruisbestuiving: Stuifmeel komt terecht op een stempel van een andere plant van dezelfde
soort.