Inleiding bedrijfskunde
Week 1: Evolutie
Organisatiekunde= een interdisciplinaire wetenschap die zich bezighoudt met het
bestuderen van het gedrag van organisaties alsmede de factoren die dit gedrag bepalen en
de wijze waarop organisaties het meest doeltreffend bestuurd kunnen worden.
- Descriptief aspect: gedrag van organisaties, motieven en gevolgen
- Prescriptief aspect: advies over te volgen handelswijze en organisatie-inrichtingen
Ontstaan in periode voor de industriele revolutie (400 BC- 1900 AD)
- Start bij de oude wijsgeren (Plato, Aristoteles)
- Socratus en plato stelden in de 4e eeuw voor christus al theorien op over
leidinggeven, taakverdeling en specialisatie.
Mensen:
- Niccolo Machiavelli (1469-1527): filosoof, diplomaat en schrijver. Hij schreef het
boek II pricipe (de vorst). Dit gaat over behouden en uitbreiden van macht. Het doel
is heilligen de middelen. Gebaseerd op puur eigenbelang.
Tot in de tweede helft van de achttiende eeuw overheerste het mercantilisme als
economische denkrichting (alleen bezit geld en goud). Totdat Adam Smith.
- Adam Smith (1723-1790): grondlegger van de moderne economie. Schreef het boek:
an inquiry into the nature and causes of the wealth of nations. Productieve arbveid is
de bron van welvaart, door arbeidsverdeling kan de productiviteit van arbeid sterk
worden verhoogd.
- Frederick Taylor: scientific management (1900): een systematische benadering van
bedrijfsvoering: wetenschappelijke analyse van werkzaamheden en uitvoeren van
bewegingsstudies, vergaande taakverdeling en training arbeiders, hechte
vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en arbeiders, bedrijfsleiders
verantwoordelijk voor analyseren van en zoeken naar werkmethoden, juiste man op
juiste plaats en het invoeren van prestatiebeloning met als doel lagere
productiekosten.
- Elton Mayo: Human relations (1950). Subjectieve factoren zijn doorslaggevend voor
het resultaat. Subjectieve factoren zijn aandacht, zekerheid, bij de groep horen en
waardering. Gelukkige mensen keveren een maximale arbeidsprestatie. Sociale
vaardigheden zijn dus voor leidinggevenden zeer belangrijk.
- Henry Fayol: General management (1900). General management: theorie legt
verbanden tussen de managementgebieden en de managementtaken. Het managen
of leidinggeven bestaat volgens hem uit 5 taken: plannen, organiseren, bevel voeren,
coördineren en controleren.
, - Douglas McGregor: x-y theorie (1900). De leiderschapsstijl waarvoor een manager
kiest hangt af van het mensbeeld dat de manager heeft.
Theorie x: manager gaat ervan uit dat de medewerker van nature lui is en zijn eigen belang
nastreeft. Dan wordt het een autoritaire stijl van managen (scientific management)
Theorie Y: als het mennsbeeld van de manager positief is ingesteld. De manager zal een
meer mensgerichte vorm van aansturen kiezen (human relations).
Integrale benaderingen:
1. Revionisme (1950)= synthese tussen scientific management en human relations
2. Systeemtheorie (Kenneth Boulding)= organisaties zijn een geheel van
samenhangende delen
3. Contingentietheorie (Jay Lorsch en Paul Lawrence)= there is not one way of
management. De kunst zit hem in ontdekken in welke situatie welke
managementtechniek het best kan worden toegepast. Belangrijk is de omgeving met
consequenties voor de te kiezen strategie, structuren en systemen.
- Abraham Maslow: Hierarchy of needs (1950):
Pas na bevrediging van lagere behoeften, streef een mens naar bevrediging van hogere
behoeften.
- Fredrick Herzberg: the two factor theory (1950). Hygiene factoren vs motivatie
factoren. De redenen waarom medewerkers ontvreden zijn, zijn niet dezekfde
factoren due medewerkers tevreden maken. Fgactoren die mensen
ontvredenmaken= hygiene factoren. Motivatie factoren= factoren die mensen
tevreden maakt.
, - Rensis Likert: Linking- pin theorie (1950): de manager van een managementlaag is lid
van de hiërarchische hogere laag en van de hiërarchische lagere laag. Informatie over
doelen en probliemen top-down en bottomup worden doorgegeven.
Week 2: Omgeving
Meso= partijen waar je invloed op kan uitoefenen en andersom
Macro= heb je weinig/geen invloed op (duurzaamheid etc)
Buitenste ring zijn factoren waar je
geen invloed op hebt
- Partijen (meso)= deze kan de organisatie zelf wel beïnvloeden
- Factoren (macro)= deze kan de organisatie zelf niet of zeer beperkt beïnvloeden
- Micro is eigen omgeving/bedrijf
Meso omgeving (de partijen): analyseren met 5 krachtenmodel van porter:
Week 1: Evolutie
Organisatiekunde= een interdisciplinaire wetenschap die zich bezighoudt met het
bestuderen van het gedrag van organisaties alsmede de factoren die dit gedrag bepalen en
de wijze waarop organisaties het meest doeltreffend bestuurd kunnen worden.
- Descriptief aspect: gedrag van organisaties, motieven en gevolgen
- Prescriptief aspect: advies over te volgen handelswijze en organisatie-inrichtingen
Ontstaan in periode voor de industriele revolutie (400 BC- 1900 AD)
- Start bij de oude wijsgeren (Plato, Aristoteles)
- Socratus en plato stelden in de 4e eeuw voor christus al theorien op over
leidinggeven, taakverdeling en specialisatie.
Mensen:
- Niccolo Machiavelli (1469-1527): filosoof, diplomaat en schrijver. Hij schreef het
boek II pricipe (de vorst). Dit gaat over behouden en uitbreiden van macht. Het doel
is heilligen de middelen. Gebaseerd op puur eigenbelang.
Tot in de tweede helft van de achttiende eeuw overheerste het mercantilisme als
economische denkrichting (alleen bezit geld en goud). Totdat Adam Smith.
- Adam Smith (1723-1790): grondlegger van de moderne economie. Schreef het boek:
an inquiry into the nature and causes of the wealth of nations. Productieve arbveid is
de bron van welvaart, door arbeidsverdeling kan de productiviteit van arbeid sterk
worden verhoogd.
- Frederick Taylor: scientific management (1900): een systematische benadering van
bedrijfsvoering: wetenschappelijke analyse van werkzaamheden en uitvoeren van
bewegingsstudies, vergaande taakverdeling en training arbeiders, hechte
vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en arbeiders, bedrijfsleiders
verantwoordelijk voor analyseren van en zoeken naar werkmethoden, juiste man op
juiste plaats en het invoeren van prestatiebeloning met als doel lagere
productiekosten.
- Elton Mayo: Human relations (1950). Subjectieve factoren zijn doorslaggevend voor
het resultaat. Subjectieve factoren zijn aandacht, zekerheid, bij de groep horen en
waardering. Gelukkige mensen keveren een maximale arbeidsprestatie. Sociale
vaardigheden zijn dus voor leidinggevenden zeer belangrijk.
- Henry Fayol: General management (1900). General management: theorie legt
verbanden tussen de managementgebieden en de managementtaken. Het managen
of leidinggeven bestaat volgens hem uit 5 taken: plannen, organiseren, bevel voeren,
coördineren en controleren.
, - Douglas McGregor: x-y theorie (1900). De leiderschapsstijl waarvoor een manager
kiest hangt af van het mensbeeld dat de manager heeft.
Theorie x: manager gaat ervan uit dat de medewerker van nature lui is en zijn eigen belang
nastreeft. Dan wordt het een autoritaire stijl van managen (scientific management)
Theorie Y: als het mennsbeeld van de manager positief is ingesteld. De manager zal een
meer mensgerichte vorm van aansturen kiezen (human relations).
Integrale benaderingen:
1. Revionisme (1950)= synthese tussen scientific management en human relations
2. Systeemtheorie (Kenneth Boulding)= organisaties zijn een geheel van
samenhangende delen
3. Contingentietheorie (Jay Lorsch en Paul Lawrence)= there is not one way of
management. De kunst zit hem in ontdekken in welke situatie welke
managementtechniek het best kan worden toegepast. Belangrijk is de omgeving met
consequenties voor de te kiezen strategie, structuren en systemen.
- Abraham Maslow: Hierarchy of needs (1950):
Pas na bevrediging van lagere behoeften, streef een mens naar bevrediging van hogere
behoeften.
- Fredrick Herzberg: the two factor theory (1950). Hygiene factoren vs motivatie
factoren. De redenen waarom medewerkers ontvreden zijn, zijn niet dezekfde
factoren due medewerkers tevreden maken. Fgactoren die mensen
ontvredenmaken= hygiene factoren. Motivatie factoren= factoren die mensen
tevreden maakt.
, - Rensis Likert: Linking- pin theorie (1950): de manager van een managementlaag is lid
van de hiërarchische hogere laag en van de hiërarchische lagere laag. Informatie over
doelen en probliemen top-down en bottomup worden doorgegeven.
Week 2: Omgeving
Meso= partijen waar je invloed op kan uitoefenen en andersom
Macro= heb je weinig/geen invloed op (duurzaamheid etc)
Buitenste ring zijn factoren waar je
geen invloed op hebt
- Partijen (meso)= deze kan de organisatie zelf wel beïnvloeden
- Factoren (macro)= deze kan de organisatie zelf niet of zeer beperkt beïnvloeden
- Micro is eigen omgeving/bedrijf
Meso omgeving (de partijen): analyseren met 5 krachtenmodel van porter: