1 Sturen in de economie
1.1 De conjunctuur
Schommelingen in de economie
Feitelijke groei bbp: de groei van het bbp (gemeten in procenten ten opzichte van een vorige periode).
Potentiële groei bbp: de potentiële groei geeft aan hoeveel de economie kan groeien gegeven de groei
van de productiecapaciteit.
De groei van die productiecapaciteit wordt bepaald door arbeid, kapitaal en de totale
factorproductiviteit.
Output gap: het verschil tussen de potentiële groei en de feitelijke groei van het bbp.
Waaraan herken je een laagconjunctuur?
Trend (matige ontwikkeling): verwachte
gemiddelde economische groei, op basis van
historische trend en economische vooruitzichten.
Conjunctuurbeweging of conjunctuurgolf: de
veranderingen in de productiegroei van een
economie.
Het reëel bbp wordt met de golflijn
weergegeven en schommelt als een golf om
de trend heen.
De trend geeft de gemiddelde groei van bbp
op lange termijn weer.
De feitelijke productie wordt bepaald door de effectieve vraag: de totale vraag van consumenten,
producenten, overheid en het buitenland in een economie.
Door schommelingen in de effectieve vraag ontstaat de conjunctuurbeweging.
De trendlijn wordt voor een belangrijk deel bepaald door de structuur van een economie.
De structuur is afhankelijk van de ontwikkeling van de productiefactoren en de ontwikkeling van de
potentiële groei.
Laagconjunctuur: periode waarin de economische groei lager is dan je op basis van de trend mag
verwachten.
Recessie: wanneer het volume van het bruto binnenlands product (na correctie voor
seizoensinvloeden) twee opeenvolgende kwartalen krimpt.
Als er sprake is van laagconjunctuur dan heeft dat gevolgen voor de economie:
1. De bestedingen (consumptie en investeringen) schieten tekort om de hele productiecapaciteit te
benutten. De bezettingsgraad daalt (waardoor omzetten en winsten dalen).
Bezettingsgraad: de mate waarin de productiecapaciteit bezet wordt.
2. Het vertrouwen van consumenten en producenten in de economie is laag, waardoor bestedingen en
investeringen nog verder afnemen. Er is sprake van onderbesteding.
Onderbesteding: de bestedingen zijn te laag om alle productiemiddelen volledig te benutten.
3. Doordat bedrijven minder produceren, zijn er minder arbeidskrachten nodig. Er is sprake van
natuurlijke werkloosheid. Als door het tekortschieten van de bestedingen extra werkloosheid ontstaat
dan heet deze conjuncturele werkloosheid.
Natuurlijke werkloosheid: de werkloosheid die altijd aanwezig is als gevolg van potentiële groei.
Conjuncturele werkloosheid: werkloosheid die ontstaat door terugvallende bestedingen.
4. Doordat er een beperkte vraag naar de producten is, zullen de prijzen weinig oplopen (beperkte
inflatie).
5. Doordat de productiecapaciteit maar beperkt benut wordt zal er sprake zijn van een negatieve output
gap.
Waaraan herken je een hoogconjunctuur?
Hoogconjunctuur: periode waarin economische groei hoger is dan je op basis van de trend mag
verwachten.
Als er sprake is van hoogconjunctuur dan heeft dat gevolgen voor de economie:
1. De bestedingen (consumptie en investeringen) liggen erg hoog ten opzichte van de
productiecapaciteit. De bezettingsgraad bij bedrijven stijgt (omzet en winsten stijgen).
1
, 2. Het vertrouwen van consumenten en producenten in de economie is hoog, waardoor bestedingen en
investeringen nog verder toenemen. De bestedingen overtreffen de productiecapaciteit: er is sprake
van overbesteding.
Overbesteding: de (voorgenomen) bestedingen zijn hoger dan de productiecapaciteit.
3. Doordat bedrijven meer produceren, zijn er meer arbeidskrachten nodig. Door de stijging van de vraag
naar arbeid ontstaat een krappe arbeidsmarkt en dus een tekort aan personeel. De werkloosheid zal
dalen en lager liggen dan de structurele werkloosheid.
4. Doordat er veel vraag naar producten is en het aanbod maar beperkt kan stijgen, zullen de prijzen
sterk oplopen: er is sprake van bestedingsinflatie.
Bestedingsinflatie: stijging van het prijspeil veroorzaakt door overbesteding.
5. Doordat de productiecapaciteit volledig benut wordt zal er sprake zijn van een positieve output gap.
Koopkrachtpraatjes?
Geldillusie: de neiging van mensen om over geld in nominale en niet in reële (voor inflatie gecorrigeerde)
termen te denken.
1.2 Conjunctuurbeleid van de overheid
Vanzelf minder schommelen
Ingebouwde stabilisatoren: dit zijn in het verleden genomen overheidsmaatregelen (die in wetten zijn
vastgelegd) die zorgen voor een demping van de conjunctuur.
Zoals het sociale zekerheidsstelsel, een progressief belastingstelsel en het minimumloon.
De overheid stuurt
Conjunctuurbeleid: de overheid zet maatregelen in om met conjuncturele schommelingen om te gaan.
Anticyclisch conjunctuurbeleid: overheidsbeleid waarbij de conjunctuurbeweging wordt afgevlakt. De
overheid zal tijdens een laagconjunctuur bestedingen stimuleren en tijdens een hoogconjunctuur
afremmen.
Het is moeilijk voor de overheid om anticyclisch beleid toe te passen:
1. Stand van de conjunctuur (niet altijd goed vast te stellen).
2. Politieke besluitvorming kost tijd.
3. Goede timing is moeilijk. Als maatregelen ter stimulering van de economie te laat worden ingezet,
kunnen ze procyclisch gaan werken.
Procyclisch: overheidsbeleid waarbij de conjunctuurbeweging wordt versterkt. Bijvoorbeeld
bezuinigen in een laagconjunctuur.
4. Het overheidssaldo (in laagconjunctuur verslechteren overheidsfinanciën).
5. Politieke motieven.
Bestedingen verdienen zichzelf terug
Inverdieneffect: overheidsmaatregelen die zich gedeeltelijk
terugverdienen.
Bijvoorbeeld: de overheid ontvangt een deel van de extra uitgaven
via extra belastingontvangsten weer terug.
Uitverdieneffect: overheidsmaatregelen die leiden tot minder
opbrengsten elders dan de maatregel zelf.
Bijvoorbeeld: als de overheid bezuinigt zal door een daling van de
bestedingen en de belastingontvangsten daarvan het tekort minder
afnemen dan verwacht.
1.3 De centrale bank
Zorgen dat de koopkracht behouden blijft
Prijsstabiliteit: prijzen moeten niet te snel stijgen of dalen.
Monetair beleid: beleid van de centrale bank gericht op prijsstabiliteit of wisselkoers.
Duaal mandaat: naast het reguleren van prijsstabiliteit heeft een centrale bank soms ook de taak om de
economische groei te stimuleren.
Geld genoeg?
Bij het monetair beleid let de centrale bank op de grootte van de geldhoeveelheid.
De totale geldhoeveelheid bestaat uit contant geld (munten en bankbiljetten) in handen van het publiek
en giraal geld (saldi van klanten op betaalrekeningen bij private banken).
2