Rothfusz – 2017 – hoofdstuk 1: moraal en ethiek
Belangrijk om kritisch na te denken hoe waarden en normen professioneel handelen
beïnvloeden omdat:
1. Machtsverschil tussen professional en hulpvrager.
2. Er wordt vertrouwelijke info gedeeld waarmee voorzichtig om moet worden gegaan.
3. Spanningsveld tussen belangen cliënt, omgeving, instelling waar werkzaam en de
instanties die het werk financieren.
Technisch-instrumentele professionaliteit: betrekking op de deskundigheid + beschikking
juiste competenties.
Normatieve professionaliteit: betrekking op het kritisch nadenken over waarden in het
handelen. Respect staat centraal. Bewust van morele vragen en hoe je daarmee omgaat.
Drie niveaus van waarden en normen in sociaal werk:
1. Wetgeving + contractuele afspraken van organisaties om bepaalde doelen te behalen.
2. Deskundigheidsnormen (kennis, kunde en vaardigheden).
3. Waarden en normen die in de cultuur zijn verankerd. Deugden waarover de sociaal
werker moet beschikken.
Waarden en deugden geven zin aan het werk.
Morele vragen:
- Gaan over goed en kwaad.
- Gaan over de manier waarop mensen zouden moeten leven.
- Essentiele voorwaarden:
o Mensen moeten keuzevrijheid ervaren.
o Verantwoordelijk voor de keuzes die zij maken.
- Mensen kunnen hier rationeel over nadenken maar ook moreel handelen op basis van
gevoel of intuïtie (past denk ik ook bij morele opvattingen).
Morele opvattingen:
- Een antwoord op de vraag hoe men zich als mens goed en verantwoordelijk kan
gedragen.
- Gaat over normen en waarden.
- Verbonden aan levensvisie of ideaal.
Verplaetse (2008) onderscheidt 4 intuïtieve moralen:
1. Hechtingsmoraal: regelt hoe mensen omgaan met mensen met wie zij verbonden zijn.
2. Geweldmoraal: een moraal systeem dat regelt hoe mensen met bedreigende situaties
omgaan.
3. Reinigingsmoraal: mensen koppelen reinheid aan het goede en besmetting aan het
kwaad.
4. Samenwerkingsmoraal: speelt een rol in de manier waarop mensen met elkaar
samenwerken en omgaan met mensen die deze samenwerking bedreigen.
Deze moralen zijn instinctief, bepalen het gedrag en opvattingen over goed en kwaad.
Moraal is niet statisch, afhankelijk van plaats en tijd.
1
,Morele kwesties spelen op micro-, macro- en mesoniveau.
Maar staan niet los van elkaar, werken samen.
Microniveau:
- Menselijke relaties.
- Morele vragen over de manier waarop mensen met elkaar om moeten gaan.
Mesoniveau:
- Morele keuzes van organisaties.
- Komen voort uit de visie van de instelling.
Macroniveau:
- Morele opvattingen over hoe de samenleving moet worden ingericht.
- Politieke keuzes.
- VB: Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
- Verschil waarde en recht (waarde streef je na, is een ideaal).
Waarden:
- (abstracte) begrippen die omschrijven wat mensen waardevol vinden.
- Streef je na.
- Kan worden vertaald in een norm.
- VB: respect, zelfbeschikking, autonomie, vertrouwelijkheid.
Normen:
- Handelingsvoorschriften.
- Ligt een waarde aan ten grondslag.
- Morele norm: hoe je moet handelen, gedrag meten.
- Fatsoensnorm: ongeschreven regels die gelden binnen bepaalde contexten of groepen.
Ander woord: kleine ethiek of etiquette.
- Juridische normen: sluit aan bij de moraliteit op macroniveau (opvatting over een
goede maatschappij). Bepaalt de kaders van sociaal werk. Soms kan een handeling
tegen de wet ingaan, maar wordt deze toch als moreel juist gezien (VB: opvatting van
illegale vluchtelingen).
Ander woord: juridische regels.
4 criteria bij het overtreden van normen:
1. Ernst: een morele normovertreding is erger dan een fatsoensnormovertreding.
2. Straf: de straf voor een morele normovertreding is dus zwaarder.
3. Regelcontigentie: morele normen zijn niet/minder afhankelijk van ‘toevallige’ regels.
4. Autoriteit: morele normen zijn niet/minder afhankelijk van de goedkeuring door een
autoriteit.
Deugd:
- Een min of meer vaste, goede eigenschap van een persoon die ervoor zorgt dat hij
moreel juist handelt.
- VB: moed, hoop, respect, zorgzaamheid.
- Gekoppeld aan een persoon, terwijl waarden abstracte begrippen zijn.
Ethiek: systematische reflectie op morele vragen op basis van rationele argumenten.
Descriptieve ethiek: beschrijft de moraal in een gemeenschap. Gaat om feiten; hoe gedragen
mensen zich in morele kwesties en welke argumenten gebruiken zij daarbij.
Prescriptieve/normatieve ethiek: schrijft voor hoe je moet handelen.
Meta-ethiek: gaat over morele vraagstukken op een hoger abstractie niveau. Kijkt naar de
betekenis, geldigheid en herkomst van visies op goed en kwaad.
2
, Fundamentele meta-ethische vraagstukken:
- Zijn waarden universeel of cultuur gebonden?
- Zijn mensen vrij en dus verantwoordelijk voor hun daden? Hoe vrij moet een staat de
burgers laten?
- Zijn mensen gelijk?
- Hoe ziet een rechtvaardige samenleving eruit?
Beroepsethiek: zowel prescriptief als descriptief.
Beroepscode schrijft handelen voor.
Beschrijving van morele keuzes en opvattingen binnen een beroepsgroep gaat over feitelijk
gedrag.
Kritiekpunten op cultureel relativisme (= waarden en normen van de ene cultuur zijn niet
beter dan die van de andere):
1. Leidt tot morele apathie/verlamming.
2. Maakt hervorming verwerpelijk.
3. Tolerantie vindt men belangrijk, maar dat staat haaks op het idee dat er geen
universele waarden zouden zijn.
Universalisme: universeel geldende morele principes die toepasbaar zijn op vergelijkbare
mensen in vergelijkbare situaties.
Beschrijvend universalisme vs normatief universalisme.
Gray – 2020 – hoofdstuk 3: Kattenethiek
Moraal:
- Een speciaal soort waarde.
- Meest kostbaar.
- Het hoogste goed.
- Mensen spreken over hun emoties, omdat ze niet weten wat de moraal is. Hierdoor
kan er geen overeenstemming zijn in de moraal.
Menselijke waarden zijn emotioneel en subjectief.
Moraal in oude Griekenland en China:
- Goede leven: men leeft met zichzelf met de natuur die men heeft gekregen.
Hier zijn deugden (= eigenschappen en vaardigheden die het mogelijk maken om in
welstand te overleven) voor nodig.
- Dus anders dan denken dat God aan iedereen één soort leven dicteert.
- Aristoteles:
o Stond achter idee.
o Alles in het universum heeft een telos (= doel). Die telos is het realiseren van
zijn natuur zoals deze is.
o Een goed leven is een leven realiseren zoals deze is.
o Als je als deugd niet moedig bent, zul je niet slagen in het leven. Welke andere
deugden je ook bezit.
o Antropocentrisch: het goede leven wordt het meest volledig gerealiseerd door
mensen.
o Hiërarchisch: hij zelf was het beste soort mens (man, slavenbezitter, Grieks,
intellectueel).
3
Belangrijk om kritisch na te denken hoe waarden en normen professioneel handelen
beïnvloeden omdat:
1. Machtsverschil tussen professional en hulpvrager.
2. Er wordt vertrouwelijke info gedeeld waarmee voorzichtig om moet worden gegaan.
3. Spanningsveld tussen belangen cliënt, omgeving, instelling waar werkzaam en de
instanties die het werk financieren.
Technisch-instrumentele professionaliteit: betrekking op de deskundigheid + beschikking
juiste competenties.
Normatieve professionaliteit: betrekking op het kritisch nadenken over waarden in het
handelen. Respect staat centraal. Bewust van morele vragen en hoe je daarmee omgaat.
Drie niveaus van waarden en normen in sociaal werk:
1. Wetgeving + contractuele afspraken van organisaties om bepaalde doelen te behalen.
2. Deskundigheidsnormen (kennis, kunde en vaardigheden).
3. Waarden en normen die in de cultuur zijn verankerd. Deugden waarover de sociaal
werker moet beschikken.
Waarden en deugden geven zin aan het werk.
Morele vragen:
- Gaan over goed en kwaad.
- Gaan over de manier waarop mensen zouden moeten leven.
- Essentiele voorwaarden:
o Mensen moeten keuzevrijheid ervaren.
o Verantwoordelijk voor de keuzes die zij maken.
- Mensen kunnen hier rationeel over nadenken maar ook moreel handelen op basis van
gevoel of intuïtie (past denk ik ook bij morele opvattingen).
Morele opvattingen:
- Een antwoord op de vraag hoe men zich als mens goed en verantwoordelijk kan
gedragen.
- Gaat over normen en waarden.
- Verbonden aan levensvisie of ideaal.
Verplaetse (2008) onderscheidt 4 intuïtieve moralen:
1. Hechtingsmoraal: regelt hoe mensen omgaan met mensen met wie zij verbonden zijn.
2. Geweldmoraal: een moraal systeem dat regelt hoe mensen met bedreigende situaties
omgaan.
3. Reinigingsmoraal: mensen koppelen reinheid aan het goede en besmetting aan het
kwaad.
4. Samenwerkingsmoraal: speelt een rol in de manier waarop mensen met elkaar
samenwerken en omgaan met mensen die deze samenwerking bedreigen.
Deze moralen zijn instinctief, bepalen het gedrag en opvattingen over goed en kwaad.
Moraal is niet statisch, afhankelijk van plaats en tijd.
1
,Morele kwesties spelen op micro-, macro- en mesoniveau.
Maar staan niet los van elkaar, werken samen.
Microniveau:
- Menselijke relaties.
- Morele vragen over de manier waarop mensen met elkaar om moeten gaan.
Mesoniveau:
- Morele keuzes van organisaties.
- Komen voort uit de visie van de instelling.
Macroniveau:
- Morele opvattingen over hoe de samenleving moet worden ingericht.
- Politieke keuzes.
- VB: Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
- Verschil waarde en recht (waarde streef je na, is een ideaal).
Waarden:
- (abstracte) begrippen die omschrijven wat mensen waardevol vinden.
- Streef je na.
- Kan worden vertaald in een norm.
- VB: respect, zelfbeschikking, autonomie, vertrouwelijkheid.
Normen:
- Handelingsvoorschriften.
- Ligt een waarde aan ten grondslag.
- Morele norm: hoe je moet handelen, gedrag meten.
- Fatsoensnorm: ongeschreven regels die gelden binnen bepaalde contexten of groepen.
Ander woord: kleine ethiek of etiquette.
- Juridische normen: sluit aan bij de moraliteit op macroniveau (opvatting over een
goede maatschappij). Bepaalt de kaders van sociaal werk. Soms kan een handeling
tegen de wet ingaan, maar wordt deze toch als moreel juist gezien (VB: opvatting van
illegale vluchtelingen).
Ander woord: juridische regels.
4 criteria bij het overtreden van normen:
1. Ernst: een morele normovertreding is erger dan een fatsoensnormovertreding.
2. Straf: de straf voor een morele normovertreding is dus zwaarder.
3. Regelcontigentie: morele normen zijn niet/minder afhankelijk van ‘toevallige’ regels.
4. Autoriteit: morele normen zijn niet/minder afhankelijk van de goedkeuring door een
autoriteit.
Deugd:
- Een min of meer vaste, goede eigenschap van een persoon die ervoor zorgt dat hij
moreel juist handelt.
- VB: moed, hoop, respect, zorgzaamheid.
- Gekoppeld aan een persoon, terwijl waarden abstracte begrippen zijn.
Ethiek: systematische reflectie op morele vragen op basis van rationele argumenten.
Descriptieve ethiek: beschrijft de moraal in een gemeenschap. Gaat om feiten; hoe gedragen
mensen zich in morele kwesties en welke argumenten gebruiken zij daarbij.
Prescriptieve/normatieve ethiek: schrijft voor hoe je moet handelen.
Meta-ethiek: gaat over morele vraagstukken op een hoger abstractie niveau. Kijkt naar de
betekenis, geldigheid en herkomst van visies op goed en kwaad.
2
, Fundamentele meta-ethische vraagstukken:
- Zijn waarden universeel of cultuur gebonden?
- Zijn mensen vrij en dus verantwoordelijk voor hun daden? Hoe vrij moet een staat de
burgers laten?
- Zijn mensen gelijk?
- Hoe ziet een rechtvaardige samenleving eruit?
Beroepsethiek: zowel prescriptief als descriptief.
Beroepscode schrijft handelen voor.
Beschrijving van morele keuzes en opvattingen binnen een beroepsgroep gaat over feitelijk
gedrag.
Kritiekpunten op cultureel relativisme (= waarden en normen van de ene cultuur zijn niet
beter dan die van de andere):
1. Leidt tot morele apathie/verlamming.
2. Maakt hervorming verwerpelijk.
3. Tolerantie vindt men belangrijk, maar dat staat haaks op het idee dat er geen
universele waarden zouden zijn.
Universalisme: universeel geldende morele principes die toepasbaar zijn op vergelijkbare
mensen in vergelijkbare situaties.
Beschrijvend universalisme vs normatief universalisme.
Gray – 2020 – hoofdstuk 3: Kattenethiek
Moraal:
- Een speciaal soort waarde.
- Meest kostbaar.
- Het hoogste goed.
- Mensen spreken over hun emoties, omdat ze niet weten wat de moraal is. Hierdoor
kan er geen overeenstemming zijn in de moraal.
Menselijke waarden zijn emotioneel en subjectief.
Moraal in oude Griekenland en China:
- Goede leven: men leeft met zichzelf met de natuur die men heeft gekregen.
Hier zijn deugden (= eigenschappen en vaardigheden die het mogelijk maken om in
welstand te overleven) voor nodig.
- Dus anders dan denken dat God aan iedereen één soort leven dicteert.
- Aristoteles:
o Stond achter idee.
o Alles in het universum heeft een telos (= doel). Die telos is het realiseren van
zijn natuur zoals deze is.
o Een goed leven is een leven realiseren zoals deze is.
o Als je als deugd niet moedig bent, zul je niet slagen in het leven. Welke andere
deugden je ook bezit.
o Antropocentrisch: het goede leven wordt het meest volledig gerealiseerd door
mensen.
o Hiërarchisch: hij zelf was het beste soort mens (man, slavenbezitter, Grieks,
intellectueel).
3