College 1: Recht – de basisprincipes en grondrechten
Te leren stof:
- Aantekeningen uit de colleges
- Het boek “Recht in de creatieve industrie”
- De reader voor ethiek
Hoofdstuk 1 van het boek
Trias politica: de scheiding van de machten in 3 onderdelen:
- Wetgevende macht: zij maken de wetten.
- Uitvoerende macht: de regering die de wetten uitvoert.
- Rechterlijke macht: rechters die de wetten toetsen en nagaan of de weten nageleefd
worden.
Tegenwoordig wordt er wel is gesproken over een 4e macht, namelijk de controlerende
macht, oftewel de media.
4 functies van het recht:
- Normatieve functie: regels zijn vastgelegd/opgeschreven en daardoor weet je waar
je aan toe bent. In het recht liggen normen vast die aangeven wat wenselijk en wat
onwenselijk gedrag is.
- Instrumentele functie: het recht is een instrument om ervoor te zorgen dat mensen
de opgelegde regels naleven. Als je dit niet doet, volgen er namelijk “straffen”.
Bv. in de wet van maximaal 100 km/h op de snelweg is ook vastgelegd, dat je een
bekeuring krijgt als je je er niet aan houdt.
- Aanvullende functie: als mensen vergeten goede afspraken te maken met elkaar,
kunnen ze altijd nog teruggrijpen op de wet.
Bv. wanneer iemand geen testament heeft ingevuld, staat altijd nog in de wet wie
recht heeft op de erfenis.
- Geschil oplossende functie: als je problemen met iemand hebt, stap je naar de
rechter. Hier wordt de situatie bekeken door een onafhankelijke/onpartijdige
rechter.
3 rechtsgebieden:
- Straf- en sanctierecht: alles op het gebied van het strafrecht.
- Staats- en bestuursrecht: alles op het gebied van de relatie tussen burgers en de
overheid. Bv. je gaat in bezwaar bij de belastingdienst.
- Privaatrecht: alles op het gebied van de relatie tussen burgers onderling. Bv.
trouwen, scheiden, erfenis, auteursrecht, etc.
Codificeren: het vastleggen van een regel in de codex/het wetboek.
De regels zijn duidelijk voor iedereen en hierdoor weten mensen waar ze aan toe zijn
rechtszekerheid.
Beslissingen worden niet meer genomen op basis van willekeur.
,Wetten kunnen niet constant aangepast worden, dan bieden ze namelijk geen zekerheid
meer.
Om er toch voor te zorgen dat wetten niet verouderd raken, worden er open normen
gebruikt: de wetten zijn zo ruim opgeschreven dat zij in de tijdsgeest geïnterpreteerd
kunnen worden.
We runnen onze samenleving niet alleen op wetten, er zijn namelijk 4 soorten
rechtsbronnen:
- De wet: geschreven rechtsregels die in de wetboeken staan.
- De jurisprudentie: het recht dat rechters zelf maken. Dit gebeurt wanneer een wet in
een bepaalde situatie niet helemaal duidelijk is en de rechter vult dan zogezegd de
leegte in.
- Een verdrag: in verdragen worden bepaalde regels afgesproken. Er zijn 2 manieren
om regels uit verdragen officieel toe te passen op je land:
Transformatie: de regels gelden niet direct na het ondertekenen van het verdrag,
ze moeten eerst in het wetboek van dat land zijn opgenomen.
Incorporeren: vanaf het moment dat een land een verdrag ondertekent, gelden
de regels direct.
Voorbeeld van een verdragsregel: in heel Europa geldt 14 dagen bedenktijd bij een
online aankoop.
- Het gewoonterecht (de ongeschreven regels)
Bilateraal verdrag: een verdrag tussen 2 landen.
Multilateraal verdrag: een verdrag tussen meer dan 2 landen.
Wetten in formele zin: de wetten die gemaakt worden door de formele wetgever.
De regering (koning en ministers) en de Staten-Generaal (Eerste en Tweede kamer) vormen
samen de formele wetgever.
Sommige wetten worden gemaakt door lagere overheden, zoals de gemeente.
Bv. in Staphorst zijn op zondag alle winkels dicht.
Materiele wet: regels waar wij ons allemaal aan moeten houden. Bv. als je een kast van
iemand koopt, moet je die ook betalen.
Formele wet: de “spelregels”. Bv. het stappenplan over hoe/wanneer de politie jou mag
aanhouden. De wet is gemaakt door de formele wetgever.
Vaak is een wet zowel materieel als formeel.
Bv. artikel 1 van de grondwet is formeel, omdat hij is vastgelegd door de wetgever. Ook is
het de wet materieel, omdat hij algemeen verbindende voorschriften bevat voor alle
Nederlanders.
Een wet die niet materieel, maar wel formeel is, komt niet vaak voor.
Bv. artikel 28 van de grondwet: de toestemmingswet voor een huwelijk van een lid van het
Koninklijk Huis.
Een wet die wel materieel, maar niet formeel is, komt vaker voor.
Bv. gemeentelijke verordeningen.
, Een wet (in formele zin) komt als volgt tot stand:
Bron: rijksoverheid.nl
Een wet geldt pas na publicatie in het staatsblad.
Via de website van de burgerconsultatie kunnen de burgers hun mening geven over wetten.
De grondwet wordt ook wel de wet boven de wet genoemd. Dit zijn de meest fundamentele
rechten die we hebben.
Echter kunnen grondrechten met elkaar botsen. In dit geval kan alleen de rechter de
uitkomst bepalen.
Klassieke grondrechten: de rechten die de burgers beschermen tegen de overheid.
In de grondwet zijn dit de artikelen 1 t/m 18.
Bv. kiesrecht, vrijheid van meningsuiting, recht op privacy, discriminatieverbod, etc.
Sociale grondrechten: de overheid moet ingrijpen. Er moeten bepaalde voorzieningen zijn,
zodat iedereen in de samenleving dezelfde rechten heeft. Dit zijn de economische, sociale en
culturele rechten.
In de grondwet zijn dit de artikelen 19 t/m 23.
Bv. het recht op huisvesting, sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs, etc.
Het volkenrecht: het recht dat geldt tussen staten onderling en tussen staten en
volkenrechtelijke organisaties. Dit zijn internationale rechten.
Verordening: een bindend besluit dat geldt voor de hele EU.