Comparing short-term and long-term memory processes
Langetermijngeheugen (LTM) -> het systeem dat verantwoordelijk is voor het
bewaren van informatie over lange tijd
LTM wordt gebruikt als een ‘archief’ van herinneringen van het verleden, maar biedt
ook achtergrondinformatie waar we constant gebruik van maken als het
werkgeheugen wordt gebruikt op een bepaald moment.
Langetermijngeheugen is te verdelen in expliciet en impliciet LTM.
Expliciet / bewust: episodisch (geheugen voor persoonlijke ervaringen) en
semantisch (geheugen voor feiten)
Impliciet / onbewust: procedureel, priming en classical conditioning
Autobiografisch: mix van beide semantisch en episodisch
Klassiek experiment om onderscheid te maken tussen KTM en LTM processen:
serial position curve. Volgens deze curve is geheugen voor woorden aan het begin
en aan het eind van de lijst beter. Hieruit volgt het primacy effect: meer woorden
aan het begin onthouden (omdat deze in KTM worden gehouden en herhaald, en zo
een betere opslag in LTM veroorzaken), en het recency effect: meer woorden aan
het eind onthouden (omdat deze langer ongestoord in KTM zaten).
Andere manier om LTM en KTM te onderscheiden: de manier waarop gecodeerd
wordt. Coderen refereert naar de manier waarop stimuli worden represented.
Voorbeeld: een gezicht kan represented worden aan de hand van het patroon van
het aantal vurende neuronen. Dit is een fysiologische aanpak van coderen. Een
mentale aanpak van coderen is kijken hoe een stimulus wordt represented in the
mind.
Om te kijken naar hoe stimuli in beide KTM en LTM worden represented (mental
approach), wordt gekeken naar visueel coderen (plaatje in je hoofd), auditief coderen
(geluid, dominant in KTM) en semantisch coderen (betekenis, dominant in LTM).
Release from proactive interference: proactive interference ‘effect’ verdwijnt,
waardoor je geheugen beter functioneert.
Locaties KTM en LTM: deels overlapping, deels apart.
Patiënt HM -> onderging procedure tegen z’n epileptische aanvallen, onder andere
hippocampus verwijderd.
Hierdoor kon hij geen nieuwe lange termijn herinneringen meer maken, maar zijn
KTM was wel nog intact.
Schade aan perisylvian cortex, net boven auditieve cortex, zorgt voor defect KTM.
Hippocampus en andere medial temporal lobe structures ook een soort rol bij KTM,
dus LTM en KTM liggen niet zo ver uit elkaar.
,Episodic and semantic memory
Waarom worden episodisch en semantisch geheugen gezien als 2 verschillende
soorten geheugen? Dit heeft te maken met:
1. Het soort ervaring / informatie dat geassocieerd wordt met beide soorten
geheugen
2. Hoe breinschade beide soorten geheugen beïnvloedt.
3. Effecten van ouderdom
4. De fMRI reacties op beide.
Episodisch geheugen: het defining aspect is mental time travel, persoonlijke
ervaringen uit het verleden opnieuw beleven (self-knowing / remembering).
Daarnaast heeft episodisch geheugen ook te maken met het bewust recallen van
informatie (zoals bijvoorbeeld bij een taak waarin woorden onthouden moeten
worden: teruggaan naar het moment waarop je de woorden voor het eerst zag). Bij
ouderdom verslechtert episodisch geheugen snel vanaf 60 jaar, na eerst stabiel te
zijn. Dit wordt geassocieerd met structurele en functionele veranderingen in je brein,
bij de prefrontale cortex en medial temporal lobe (hippocampus).
Semantisch geheugen: het defining aspect is toegang hebben tot kennis waar geen
persoonlijke ervaring aan verbonden hoeft te zijn. Hier reis je niet terug naar een
moment. Bij ouderdom neemt semantisch geheugen toe tot je 60ste, en verslechtert
daarna (maar minder snel).
Ook bij deze 2 heeft neuropsychologisch onderzoek aangetoond dat er wel degelijk
een verschil in zit.
In de praktijk zijn episodische en semantische herinneringen vaak verworven. Het
semantische geheugen beïnvloedt vaak ervaring en daarbij het episodisch
geheugen.
Autobiografisch geheugen: geheugen voor specifieke ervaringen in je leven, wat
zowel episodische als semantische aspecten heeft. Personal semantic memories
zijn feiten die geassocieerd zijn met persoonlijke ervaringen.
Remember / know procedure -> familiarity en recollection. Familiarity is
geassocieerd met semantisch geheugen, omdat het niet wordt geassocieerd met de
omstandigheden waarin de kennis is opgedaan. Er zit dus niks persoonlijks aan.
Recollection is geassocieerd met episodisch geheugen omdat het details betreft over
de omstandigheden waarin de kennis is opgedaan.
Semanticization of remote memories -> het verlies van episodische details voor
herinneringen van evenementen van lang geleden.
,Procedural memory, priming and conditioning
Impliciet geheugen -> procedureel geheugen -> iets doen, maar niet kunnen
uitleggen hoe je iets doet
Procedureel geheugen / skill memory -> geheugen voor dingen doen waar
aangeleerde vaardigheid voor nodig is
Nog een vorm van impliciet geheugen: priming. Dit is wanneer de presentatie van
een stimulus (priming stimulus) de reactie van iemand op een andere stimulus (test
stimulus) verandert.
Lexical decision task: een taak waarbij participanten zo snel mogelijk moeten
vertellen of een letterreeks een bestaand woord is of een niet-bestaand woord.
Participanten herinneren zich misschien niet de eerste presentatie van een stimulus,
daarom is dit ook impliciet geheugen.
Korsakoff's syndrome: te maken met alcoholmisbruik en geen nieuwe LTM
herinneringen kunnen maken
Word completion task: je krijgt de eerste paar letters van woorden, en je wordt
gevraagd om deze af te maken met het eerste woord wat in je opkomt (nadat je een
woordenlijst hebt gezien). Dit zijn deels letters van woorden van de woordenlijst,
maar ook deels letters van woorden die er niet opstonden.
Incidental coding tasks: de priming stimulus presenteren in een taak die niet op
een geheugentaak lijkt, zodat participanten zich niet focussen op het onthouden.
Propaganda effect: de neiging hebben om sneller statements als ‘waar’ te zien,
puur omdat je deze eerder hebt gehoord / gezien. (Ook voorbeeld van impliciet
geheugen).
Classical conditioning: komt voor wanneer (a) een neutrale stimulus die niet een
reactie veroorzaakt en (b) een conditioning stimulus die wel een reactie veroorzaakt
worden gecombineerd. Ook impliciet.
Prospective memory -> de ability om dingen te onthouden die je in de toekomst
moet doen verbeteren.
Hoe zijn episodisch en semantisch geheugen verbonden?
1. Kennis (semantisch) beïnvloedt ervaring (episodisch)
2. Autobiografische herinneringen hebben beide episodische en semantische
kenmerken
Er bestaat een link tussen geheugen en de toekomst voorspellen. Episodisch
geheugen zou kunnen helpen toekomstige behoeftes te anticiperen.
, Hoofdstuk 7 Goldstein: langetermijngeheugen: encoding, retrieval and
consolidation
Encoding -> het proces van informatie overbrengen naar LTM
Retrieval -> het proces van informatie ophalen en terugbrengen naar het
werkgeheugen
Encoding: Getting information into long-term memory
Manier van encoding: herhalen
Maintenance rehearsal: iets constant herhalen zonder dat er betekenis achter zit,
zorgt op den duur voor slecht geheugen
Elaborative rehearsal: iets herhalen waar je wel betekenis aan geeft / wat je wel
verbindt met andere informatie
Vroeg idee over encoding: levels of processing theory.
Volgens deze theorie is geheugen afhankelijk van de mate van verwerking die een
item krijgt, dus hoe diep iets wordt verwerkt.
Dit kan je onderscheiden in shallow processing en deep processing.
Shallow processing: weinig aandacht aan betekenis (beetje als maintenance
rehearsal).
Deep processing: wel aandacht voor betekenis en het relateren aan andere
informatie. Deze zorgt voor beter geheugen.
Deze theorie werd minder populair over tijd omdat het moeilijker was om de mate
van verwerking te definiëren.
Bower & Winzenz wilden testen of visual imagery connecties kan maken die
geheugen verbeteren. Dit deden ze aan de hand van paired-associate learning.
Participanten kregen woordparen te zien bij encoderen, en daarna alleen 1 woord
van het paar en moesten het aanvullen. Hieruit bleek dat de groep participanten die
een visueel beeld erbij moesten maken, zich meer konden herinneren.
Het ligt er wel aan hoe goed een woord ingebeeld kan worden en hoe gedetailleerd
dit is. Foto’s zijn vaak beter te herinneren dan woorden, dit is het picture-
superiority effect (omdat foto’s betrekking hebben op visuele codering en verbale
labels).
Een andere manier van effectief encoderen is aan de hand van het self-reference
effect. Hierbij moet je een woord relateren aan jezelf.
Daarnaast werkt ook het generation effect. Zelf materiaal genereren verbetert ook
leren.
Retrieval cue -> een woord of andere stimulus die mensen helpt herinneren.
Bijvoorbeeld woorden in een categorie. (Organisatie).