Thema 1 – Zwellingen van de buik
ZSO 1 – Zwellingen van de buik en genitalia
Casus 1 – ovariumcarcinoom
1.1 – ze heeft een diffuus opgezette buik en snelle gewichtstoename -> waarschijnlijk ascites (=
ophoping vocht in de buikholte).
- DD = portale hypertensie, maligniteit (peritonitis carcinomatosa). Infectie (geen koorts) en
cardiale oorzaak zijn minder waarschijnlijk.
- Vragen:
o Aanwijzingen voor chronisch leverlijden (bekend met leverziekten? Eerder gehad?
Icterus gehad?).
o Aanwijzingen voor portale hypertensie,
o Stollingsstoornissen,
o Koorts,
o Veranderd defectatiepatroon,
o Vaginaal/rectaal bloedverlies,
o Overige tekenen passend bij maligniteit,
o Familieanamnese?
- Lichamelijk onderzoek:
o Tekenen van decompensatio cordis (verhoogde centraal veneuze druk, perifeer
oedeem, pleuravocht).
o Lymfomen.
o Bevestigen of er inderdaad sprake is van ascites (shifting dullness, flankdemping).
o Palpabele weerstanden.
o Rectaal en vaginaal toucher.
o Stigmata chronisch leverlijden en/of portale hypertensie (spider naevi,
gynaecomastie en testisatrofie bij mannen, erythema palpame, caput medusae,
splenomegalie).
1.2 – Nu wordt minder waarschijnlijk: cardiale oorzaak (ze heeft geen perifeer oedeem, CVD niet
verhoogd, geen afwijkingen bij onderzoek van hart/longen), infectie (geen koorts, geen overige
tekenen van infectie) en portale hypertensie (geen caput medusae, geen tekenen van
cirrose/portale hypertensie).
- AO = bloedonderzoek, echo van de buik en ascitespunctie.
1.3 – Ascites punctaat: troebel, hemorrhagisch, dus verdacht maligniteit (DD: tuberculeuze
peritonitis). Bij een traumatische punctie (= als er bloed in de ascites komt door het prikken zelf)
zie je helderrood bloed in de ascites, geen bruin vocht.
- Analyse van het punctaat = cytologie, kweek (oa op TBC), eiwitbepaling, analyse op
tumormarkers (bv. CA-125 voor ovariumcarcinoom).
Ovariumcarcinoom:
110 vrouwen per jaar krijgen ovariumcarcinoom. Hoge mortaliteit.
Meest voorkomende type = hooggradige sereuze carcinomen.
Een borderline ovariumtumor is een epitheliale tumor uitgaande van het ovarium ZONDER
invasie, terwijl een ovariumcarcinoom invasieve groei toont. Borderline ovariumtumoren
tonen een meer indolent beloop dan invasieve carcinomen en hebben een goede prognose.
De prognose wordt sterk bepaald door het stadium van de ziekte, maar 5-jaars overleving
bedraagt voor borderline tumoren >90%.
Soms is er een erfelijke basis voor het ontstaan van ovariumcarcinoom (BRCA1/2).
Bij een defect BRCA-machinery worden dubbelstrengsbreuken in het DNA minder goed
gerepareerd, waardoor meer mutaties en genetische instabiliteit optreedt. Dit kan leiden tot
tumorgroei.
De prognose is afhankelijk van het stadium:
, o Stadium 1: 5-jaarsoverleving is 85%.
o Stadium 4: 5%.
Overall 5-jaarsoverleving is 30%.
Casus 2 – ovariumcyste
2.1 – Vragen:
- Hoe lang bestaan klachten, pijn?
- Bijkomende mictie/defecatieproblemen?
- Eetlust?
- Gewichtsverandering?
- Menstruatie?
- Vaginaal bloedverlies?
2.2 – DD: uterus myomatosus, ovariumpathologie (benigne/maligne).
- Echo differentieert tussen een proces in de onderbuik uitgaande van de uterus (uterus
myomatosus) en ovariumpathologie (benigne/maligne).
2.3 – De zwelling is gebaseerd op een ovariumcyste.
- Op basis van RMI = 88 (CA-125) * 1 (solide partij) * 1 (premenopausaal) = 88, is de verdenking
op een kwaadaardig proces laag.
-
- De volgende stap is een laparoscopische adnexextirpatie. De ingreep is een combinatie van
therapie en diagnostiek. Soms wordt al tijdens een operatie ‘vriescoupe’ onderzoek verricht,
met name wanneer het ovarium een verdacht aspect heeft. Bij een vriescoupe onderzoek
wordt het weggenomen weefsel met spoed aan de patholoog aangeboden voor een snelle
beoordeling, om de verdere operatie beter te kunnen plannen. Bij maligniteit wordt een
uitgebreidere (debulking-) operatie uitgevoerd.
Ovariumcyste:
Onbekende oorzaak.
6000-7000 vrouwen per jaar worden geopereerd i.v.m. ovariumcyste, maar het komt veel
vaker voor. Operatie is niet altijd nodig (grootte, aspect).
Verschillende soorten ovariumcysten:
o Functionele cyste.
o Cyste adenoom.
o Endometriose cyste.
o Dermoidcyste. Kan alle weefsels worden (tand, haren).
Wanneer op jongere leeftijd het noodzakelijk is een adnex te verwijderen, neemt de andere
eierstok de functie geheel over. De kans om zwanger te worden is door de ingreep niet
duidelijk verminderd.
Casus 3 – testistumor
3.1 Vragen bij vergrote bal:
- 7 dimensies van hoofdklacht.
- Overage relevante vragen = voorgeschiedenis, operaties in verleden, familie anamneses,
seksueel actief, medicatie?
, - Begeleidende verschijnselen = pijn, koorts, misselijkheid/braken, verandering mictiepatroon,
algehele conditie, gewichtsverlies?
3.2 Lichamelijk onderzoek scrotum:
- Inspectie scrotum -> symmetrie, aspect huid.
- Palpatie scrotum -> vergroting van testikel en epididymis, zijn testikel/epididymis nog
separaat te voelen, relatie van zwelling tot andere structuren, pijn bij palpatie, verschil liggen-
staan, consistentie, diafanie.
Vergrote bal:
Diafanie = doorlichting van het scrotum met een lichtbron. Door met een scherpe lichtbron
vanaf achter door het scrotum te schijnen kan gedifferentieerd worden tussen solide
structuren die het licht tegenhouden (tumor, hernia, bloed) en aandoeningen die doorlichting
doorlaten (hydrocèle en spermatocèle).
DD:
o Testistumor.
o Epididymo-orchitis.
o Hydrocele.
o Spermatocele.
LO/anamnese:
o Testistumor => symptoom-arme anamnese en vergrote/verharde/niet gevoelige
zwelling.
o Epididymo-orchitis => anamnese met pijn en ontstekingsklachten en bij palpatie
gevoelig/pijnlijk.
o Hydrocèle = diafanie positief (= wel lichtdoorschijnend).
o Spermatocèle = diafanie positief, normale testikel separaat van zwelling te voelen.
Bij testistumor -> voel naar vergrote retroperitoneale klieren bij palpatie abdomen.
Aanvullend onderzoek bij testistumor:
o Beeldvorming = echo scrotum (massa?), X-thorax (metastasen?).
o Bloed = tumormarkers (alfa foetoproteine (AFP), beta-HCG, LDH). Je verwacht dat
deze verhoogd zijn.
Casus 4 – epididymitis
4.1 Vragen bij pijn scrotum:
- 7 dimensies van hoofdklacht.
- Overage relevante vragen = voorgeschiedenis, operaties in verleden, familie anamneses,
seksueel actief, medicatie?
- Begeleidende verschijnselen = pijn, koorts, misselijkheid/braken, verandering mictiepatroon,
algehele conditie, gewichtsverlies?
4.2 Lichamelijk onderzoek scrotum:
- Inspectie scrotum -> symmetrie, aspect huid.
- Palpatie scrotum -> vergroting van testikel en epididymis, zijn testikel/epididymis nog
separaat te voelen, relatie van zwelling tot andere structuren, pijn bij palpatie, verschil liggen-
staan, consistentie, diafanie.
Pijn scrotum, DD:
Epididymitis = anamnese met pijn, ontstekingsklachten (koorts en dysurie) en pijn bij
palpatie.
o Rectaal toucher -> gevoelige prostaat (prostatitis?).
o Labonderzoek = urinekweek. Eventueel positief.
o Behandeling = antibiotica met weefselpenetratie, bv. Fluoroquinolon/cotrimoxazol.
, Hydrocele = weinig pijn, geen ontstekingsklachten en geen pijn bij palpatie. Hierbij diafanie
positief, testikel meestal gelegen in de hydrocele (hydrocele testis) en dan niet meer goed
separaat te voelen.
Spermatocele = geen pijn, geen ontstekingsklachten en geen pijn bij palpatie. Normale
testikel separaat te voelen van zwelling. Zwelling is diafanie positief. Zwelling ligt cranieel van
testikel.
Varicocele = eventueel pijn bij staan, geen ontstekingsklachten en geen pijn bij palpatie.
Zwelling “pot met pieren”, cranieel van testikel gelegen.
Torsio testis = acute forse pijn, geen ontstekingsklachten, wel soms lichte verhoging. Testikel
aangedane kant ligt iets hoger. Forse pijn bij palpatie.
Casus 5 – overmatige fluor vaginalis
5.1 Iedere vrouw heft, zolang zij menstrueert, vaginale afscheiding (fluor vaginalis). Er komen diverse
bacteriën in voor (met name Lactobacillen). De aanwezigheid van deze lactobacillen is afhankelijk van
de beschikbaarheid van glycogeen in het plaveiselepitheel van de vaginawand. Deze beschikbaarheid
is weer afhankelijk van de aanwezigheid van oestrogenen. In de pre-menarche en postmenopauze is
de vaginawand dun en glycogeen-arm. Glycogeen wordt omgezet in melkzuur en pyrodruivenzuur,
waardoor een normaal ‘zuur’ milieu van de vagina ontstaat (pH 4-4.5). Dit milieu beschermt de
vagina tegen vreemde micro-organismen. Diabetes, het gebruik van antibiotica en vaginale infecties
kunnen het vaginale milieu verstoren en aanleiding zijn voor de klacht overmatige fluor vaginalis. Dit
is wanneer het afwijkt qua hoeveelheid, kleur/geur, al dan niet samengaand met jeuk/irritatie in of
rond de vagina, mictieklachten en pijnklachten bij de coïtus. Het is een verstoord evenwicht tussen
schimmels en bacteriën. Onschuldige aandoening, kan vanzelf overgaan. Alleen behandelen bij
hinderlijke klachten.
5.3 Diagnostiek = inspectie, speculumonderzoek, fluor onderzoek, Pap smear.
- pH fluor (normaal is 4-4.5).
- aminetest: positief bij rotte-visgeur na toevoeging van druppel KOH.
- fysiologisch zoutpreparaat: ‘clue’-cellen, leukocyten, Trichomonaden.
- KOH preparaat: (pseudo-)hyfen van C. albicans.
Overmatige fluor vaginalis, 5 oorzaken:
Candida-infectie. Waarschijnlijk bij kort bestaande klachten van jeuk/irritatie en witte, niet
ruikende afscheiding en bij LO een rode vulva of vaginawand en witte, brokkelige fluor. Zeker
bij (pseudo-)hyfen in het KOH-preparaat.
Bacteriële vaginose. Bij ten minste 3 van de volgende criteria: homogene fluor, pH > 4.5,
positieve aminetest, ‘clue’-cellen in het fysiologisch zoutpreparaat.
Trichomonasinfectie. Mogelijk bij jeuk, geelgroene fluor, rode vaginawand, pH >4.5,
leukocytose, zeker bij flagellaten in het fysiologisch zoutpreparaat of bij positieve SOA-kweek.
Chlamydia. Positieve test bij PCR-diagnostiek.
Gonorroe. Positieve test bij PCR-diagnostiek.
Onverklaarde fluorklachten. Waarschijnlijk bij negatieve bevindingen bij LO (en geen risico op
soa). Zeker bij negatieve uitslagen van PCR-diagnostiek en kweek.
Behandeling:
- Aanvang => eenmalig 500 mg clotrimazol of 1200 mg miconazol vaginaal. De klachten kunnen
enkele dagen aanhouden.
- Geef bij uitwendige jeuk evt ook uitwendig antimycotische creme.
- Bij onvoldoende effect => langere vaginale kuur, bijv. drie dagen 200 mg clotrimazol of 400
mg miconazol, 6 dagen 100 mg clotrimazol, 7-14 dagen 100 mg micconazol per dag.
- Bij zwangerschap/lactatie => hetzelfde schema.
ZSO 1 – Zwellingen van de buik en genitalia
Casus 1 – ovariumcarcinoom
1.1 – ze heeft een diffuus opgezette buik en snelle gewichtstoename -> waarschijnlijk ascites (=
ophoping vocht in de buikholte).
- DD = portale hypertensie, maligniteit (peritonitis carcinomatosa). Infectie (geen koorts) en
cardiale oorzaak zijn minder waarschijnlijk.
- Vragen:
o Aanwijzingen voor chronisch leverlijden (bekend met leverziekten? Eerder gehad?
Icterus gehad?).
o Aanwijzingen voor portale hypertensie,
o Stollingsstoornissen,
o Koorts,
o Veranderd defectatiepatroon,
o Vaginaal/rectaal bloedverlies,
o Overige tekenen passend bij maligniteit,
o Familieanamnese?
- Lichamelijk onderzoek:
o Tekenen van decompensatio cordis (verhoogde centraal veneuze druk, perifeer
oedeem, pleuravocht).
o Lymfomen.
o Bevestigen of er inderdaad sprake is van ascites (shifting dullness, flankdemping).
o Palpabele weerstanden.
o Rectaal en vaginaal toucher.
o Stigmata chronisch leverlijden en/of portale hypertensie (spider naevi,
gynaecomastie en testisatrofie bij mannen, erythema palpame, caput medusae,
splenomegalie).
1.2 – Nu wordt minder waarschijnlijk: cardiale oorzaak (ze heeft geen perifeer oedeem, CVD niet
verhoogd, geen afwijkingen bij onderzoek van hart/longen), infectie (geen koorts, geen overige
tekenen van infectie) en portale hypertensie (geen caput medusae, geen tekenen van
cirrose/portale hypertensie).
- AO = bloedonderzoek, echo van de buik en ascitespunctie.
1.3 – Ascites punctaat: troebel, hemorrhagisch, dus verdacht maligniteit (DD: tuberculeuze
peritonitis). Bij een traumatische punctie (= als er bloed in de ascites komt door het prikken zelf)
zie je helderrood bloed in de ascites, geen bruin vocht.
- Analyse van het punctaat = cytologie, kweek (oa op TBC), eiwitbepaling, analyse op
tumormarkers (bv. CA-125 voor ovariumcarcinoom).
Ovariumcarcinoom:
110 vrouwen per jaar krijgen ovariumcarcinoom. Hoge mortaliteit.
Meest voorkomende type = hooggradige sereuze carcinomen.
Een borderline ovariumtumor is een epitheliale tumor uitgaande van het ovarium ZONDER
invasie, terwijl een ovariumcarcinoom invasieve groei toont. Borderline ovariumtumoren
tonen een meer indolent beloop dan invasieve carcinomen en hebben een goede prognose.
De prognose wordt sterk bepaald door het stadium van de ziekte, maar 5-jaars overleving
bedraagt voor borderline tumoren >90%.
Soms is er een erfelijke basis voor het ontstaan van ovariumcarcinoom (BRCA1/2).
Bij een defect BRCA-machinery worden dubbelstrengsbreuken in het DNA minder goed
gerepareerd, waardoor meer mutaties en genetische instabiliteit optreedt. Dit kan leiden tot
tumorgroei.
De prognose is afhankelijk van het stadium:
, o Stadium 1: 5-jaarsoverleving is 85%.
o Stadium 4: 5%.
Overall 5-jaarsoverleving is 30%.
Casus 2 – ovariumcyste
2.1 – Vragen:
- Hoe lang bestaan klachten, pijn?
- Bijkomende mictie/defecatieproblemen?
- Eetlust?
- Gewichtsverandering?
- Menstruatie?
- Vaginaal bloedverlies?
2.2 – DD: uterus myomatosus, ovariumpathologie (benigne/maligne).
- Echo differentieert tussen een proces in de onderbuik uitgaande van de uterus (uterus
myomatosus) en ovariumpathologie (benigne/maligne).
2.3 – De zwelling is gebaseerd op een ovariumcyste.
- Op basis van RMI = 88 (CA-125) * 1 (solide partij) * 1 (premenopausaal) = 88, is de verdenking
op een kwaadaardig proces laag.
-
- De volgende stap is een laparoscopische adnexextirpatie. De ingreep is een combinatie van
therapie en diagnostiek. Soms wordt al tijdens een operatie ‘vriescoupe’ onderzoek verricht,
met name wanneer het ovarium een verdacht aspect heeft. Bij een vriescoupe onderzoek
wordt het weggenomen weefsel met spoed aan de patholoog aangeboden voor een snelle
beoordeling, om de verdere operatie beter te kunnen plannen. Bij maligniteit wordt een
uitgebreidere (debulking-) operatie uitgevoerd.
Ovariumcyste:
Onbekende oorzaak.
6000-7000 vrouwen per jaar worden geopereerd i.v.m. ovariumcyste, maar het komt veel
vaker voor. Operatie is niet altijd nodig (grootte, aspect).
Verschillende soorten ovariumcysten:
o Functionele cyste.
o Cyste adenoom.
o Endometriose cyste.
o Dermoidcyste. Kan alle weefsels worden (tand, haren).
Wanneer op jongere leeftijd het noodzakelijk is een adnex te verwijderen, neemt de andere
eierstok de functie geheel over. De kans om zwanger te worden is door de ingreep niet
duidelijk verminderd.
Casus 3 – testistumor
3.1 Vragen bij vergrote bal:
- 7 dimensies van hoofdklacht.
- Overage relevante vragen = voorgeschiedenis, operaties in verleden, familie anamneses,
seksueel actief, medicatie?
, - Begeleidende verschijnselen = pijn, koorts, misselijkheid/braken, verandering mictiepatroon,
algehele conditie, gewichtsverlies?
3.2 Lichamelijk onderzoek scrotum:
- Inspectie scrotum -> symmetrie, aspect huid.
- Palpatie scrotum -> vergroting van testikel en epididymis, zijn testikel/epididymis nog
separaat te voelen, relatie van zwelling tot andere structuren, pijn bij palpatie, verschil liggen-
staan, consistentie, diafanie.
Vergrote bal:
Diafanie = doorlichting van het scrotum met een lichtbron. Door met een scherpe lichtbron
vanaf achter door het scrotum te schijnen kan gedifferentieerd worden tussen solide
structuren die het licht tegenhouden (tumor, hernia, bloed) en aandoeningen die doorlichting
doorlaten (hydrocèle en spermatocèle).
DD:
o Testistumor.
o Epididymo-orchitis.
o Hydrocele.
o Spermatocele.
LO/anamnese:
o Testistumor => symptoom-arme anamnese en vergrote/verharde/niet gevoelige
zwelling.
o Epididymo-orchitis => anamnese met pijn en ontstekingsklachten en bij palpatie
gevoelig/pijnlijk.
o Hydrocèle = diafanie positief (= wel lichtdoorschijnend).
o Spermatocèle = diafanie positief, normale testikel separaat van zwelling te voelen.
Bij testistumor -> voel naar vergrote retroperitoneale klieren bij palpatie abdomen.
Aanvullend onderzoek bij testistumor:
o Beeldvorming = echo scrotum (massa?), X-thorax (metastasen?).
o Bloed = tumormarkers (alfa foetoproteine (AFP), beta-HCG, LDH). Je verwacht dat
deze verhoogd zijn.
Casus 4 – epididymitis
4.1 Vragen bij pijn scrotum:
- 7 dimensies van hoofdklacht.
- Overage relevante vragen = voorgeschiedenis, operaties in verleden, familie anamneses,
seksueel actief, medicatie?
- Begeleidende verschijnselen = pijn, koorts, misselijkheid/braken, verandering mictiepatroon,
algehele conditie, gewichtsverlies?
4.2 Lichamelijk onderzoek scrotum:
- Inspectie scrotum -> symmetrie, aspect huid.
- Palpatie scrotum -> vergroting van testikel en epididymis, zijn testikel/epididymis nog
separaat te voelen, relatie van zwelling tot andere structuren, pijn bij palpatie, verschil liggen-
staan, consistentie, diafanie.
Pijn scrotum, DD:
Epididymitis = anamnese met pijn, ontstekingsklachten (koorts en dysurie) en pijn bij
palpatie.
o Rectaal toucher -> gevoelige prostaat (prostatitis?).
o Labonderzoek = urinekweek. Eventueel positief.
o Behandeling = antibiotica met weefselpenetratie, bv. Fluoroquinolon/cotrimoxazol.
, Hydrocele = weinig pijn, geen ontstekingsklachten en geen pijn bij palpatie. Hierbij diafanie
positief, testikel meestal gelegen in de hydrocele (hydrocele testis) en dan niet meer goed
separaat te voelen.
Spermatocele = geen pijn, geen ontstekingsklachten en geen pijn bij palpatie. Normale
testikel separaat te voelen van zwelling. Zwelling is diafanie positief. Zwelling ligt cranieel van
testikel.
Varicocele = eventueel pijn bij staan, geen ontstekingsklachten en geen pijn bij palpatie.
Zwelling “pot met pieren”, cranieel van testikel gelegen.
Torsio testis = acute forse pijn, geen ontstekingsklachten, wel soms lichte verhoging. Testikel
aangedane kant ligt iets hoger. Forse pijn bij palpatie.
Casus 5 – overmatige fluor vaginalis
5.1 Iedere vrouw heft, zolang zij menstrueert, vaginale afscheiding (fluor vaginalis). Er komen diverse
bacteriën in voor (met name Lactobacillen). De aanwezigheid van deze lactobacillen is afhankelijk van
de beschikbaarheid van glycogeen in het plaveiselepitheel van de vaginawand. Deze beschikbaarheid
is weer afhankelijk van de aanwezigheid van oestrogenen. In de pre-menarche en postmenopauze is
de vaginawand dun en glycogeen-arm. Glycogeen wordt omgezet in melkzuur en pyrodruivenzuur,
waardoor een normaal ‘zuur’ milieu van de vagina ontstaat (pH 4-4.5). Dit milieu beschermt de
vagina tegen vreemde micro-organismen. Diabetes, het gebruik van antibiotica en vaginale infecties
kunnen het vaginale milieu verstoren en aanleiding zijn voor de klacht overmatige fluor vaginalis. Dit
is wanneer het afwijkt qua hoeveelheid, kleur/geur, al dan niet samengaand met jeuk/irritatie in of
rond de vagina, mictieklachten en pijnklachten bij de coïtus. Het is een verstoord evenwicht tussen
schimmels en bacteriën. Onschuldige aandoening, kan vanzelf overgaan. Alleen behandelen bij
hinderlijke klachten.
5.3 Diagnostiek = inspectie, speculumonderzoek, fluor onderzoek, Pap smear.
- pH fluor (normaal is 4-4.5).
- aminetest: positief bij rotte-visgeur na toevoeging van druppel KOH.
- fysiologisch zoutpreparaat: ‘clue’-cellen, leukocyten, Trichomonaden.
- KOH preparaat: (pseudo-)hyfen van C. albicans.
Overmatige fluor vaginalis, 5 oorzaken:
Candida-infectie. Waarschijnlijk bij kort bestaande klachten van jeuk/irritatie en witte, niet
ruikende afscheiding en bij LO een rode vulva of vaginawand en witte, brokkelige fluor. Zeker
bij (pseudo-)hyfen in het KOH-preparaat.
Bacteriële vaginose. Bij ten minste 3 van de volgende criteria: homogene fluor, pH > 4.5,
positieve aminetest, ‘clue’-cellen in het fysiologisch zoutpreparaat.
Trichomonasinfectie. Mogelijk bij jeuk, geelgroene fluor, rode vaginawand, pH >4.5,
leukocytose, zeker bij flagellaten in het fysiologisch zoutpreparaat of bij positieve SOA-kweek.
Chlamydia. Positieve test bij PCR-diagnostiek.
Gonorroe. Positieve test bij PCR-diagnostiek.
Onverklaarde fluorklachten. Waarschijnlijk bij negatieve bevindingen bij LO (en geen risico op
soa). Zeker bij negatieve uitslagen van PCR-diagnostiek en kweek.
Behandeling:
- Aanvang => eenmalig 500 mg clotrimazol of 1200 mg miconazol vaginaal. De klachten kunnen
enkele dagen aanhouden.
- Geef bij uitwendige jeuk evt ook uitwendig antimycotische creme.
- Bij onvoldoende effect => langere vaginale kuur, bijv. drie dagen 200 mg clotrimazol of 400
mg miconazol, 6 dagen 100 mg clotrimazol, 7-14 dagen 100 mg micconazol per dag.
- Bij zwangerschap/lactatie => hetzelfde schema.