VOGGP. Middeleeuwse Geschiedenis D1
Verschijnsel
= toestanden, instellingen, die door de tijd heen niet veel veranderd zijn.
Mediëvalisme Allerhande wijzen gevat waarin de moderne cultuur, en dan ook vooral de
populaire cultuur, thema’s en vormen uit de Middeleeuwen verwerkt worden.
Denk aan gotische gebouwen en romantische literatuur.
Tetrarchie 2 Augusti + 2 Caesares. Keizers waren militair sterk, poging tot hervorming.
Etnogenese: manieren 1. Losse egalitaire federaties met veel gelijke leiders.
om barbaren in te 2. Groepen gecentreerd rond succesvolle leiders, die de etnische identiteit
delen van de leiders aannemen.
3. Poly-etnische despotische confederaties waarvan de onderdanen hun
etnische identiteit behouden.
Ideaaltypen relaties 1. Hiërocratie gezagsprimaat aan hoogste keizerlijke autoriteit.
heersers & religieuze 2. Caesar papisme heerser heerst, paus ondersteund.
elite 3. Dualisme gelijke bevoegdheden, samenwerking bestuur.
Kerkelijke hiërarchie - Bisschoppen regeren en beheren de diocese (steden).
- Aartsbisschoppen besturen aartsbisdommen (provincies).
- Bisschoppen zijn verantwoordelijk voor de sacramenten.
Macht kerk - Sticht + oversticht = wereldlijke macht bisschop.
- Bisdom = geestelijke macht bisschop.
Sacramenten 1. Doop.
2. Avondmaal.
3. Vormsel.
4. Huwelijk.
5. Biecht.
6. Priesterwijding.
7. Ziekenzorg.
Standensamenleving 1. Zij die bidden (geestelijken).
2. Zij die vechten (adel).
3. Zij die werken (rest).
Hofstelsel = wijze waarop grootgrondbezit wordt geëxploiteerd.
/domeinstelsel - Indominicatum deel van de heer.
- Mansionaria deel van de boeren hoeven.
Horigheid van boeren.
Feodalisme / Wederzijdse afhankelijkheid tussen belangrijke aristocraten.
vazalliteit / leenstelsel = in het leen houden van een leengoed als leenman van de leenheer.
Vazallitische trouw en bescherming van de heer in ruil voor uitgeven leger.
Probleem: leners denken dat gebied en ambt erfelijk wordt na verloop van tijd:
moeilijk om als keizer deze functies en gebieden terug te eisen.
BINNEN STANDGENOTEN!!!
Drie territoriale 1. Germania: waar Duits gesproken wordt.
eenheden 2. Regnus Teutonicorum: waar de Rooms-koning regeert, gebied wat
politiek het Duitse Rijk vormt.
3. Heilig Roomse Rijk: waar keizer als hoogste wereldlijke heerser zijn
gezag heeft (dus ook Engeland en Frankrijk).
Ridderklasse Militaire beroepsgroep van cavaleristen
Ridderschap 1. Onderdeel ritueel volwassenwording aristocratische jongens.
2. Vorm politieke alliantie of verwerping.
Ridderlijkheid Cultuur + gedragsregels.
Verschijnsel
= toestanden, instellingen, die door de tijd heen niet veel veranderd zijn.
Mediëvalisme Allerhande wijzen gevat waarin de moderne cultuur, en dan ook vooral de
populaire cultuur, thema’s en vormen uit de Middeleeuwen verwerkt worden.
Denk aan gotische gebouwen en romantische literatuur.
Tetrarchie 2 Augusti + 2 Caesares. Keizers waren militair sterk, poging tot hervorming.
Etnogenese: manieren 1. Losse egalitaire federaties met veel gelijke leiders.
om barbaren in te 2. Groepen gecentreerd rond succesvolle leiders, die de etnische identiteit
delen van de leiders aannemen.
3. Poly-etnische despotische confederaties waarvan de onderdanen hun
etnische identiteit behouden.
Ideaaltypen relaties 1. Hiërocratie gezagsprimaat aan hoogste keizerlijke autoriteit.
heersers & religieuze 2. Caesar papisme heerser heerst, paus ondersteund.
elite 3. Dualisme gelijke bevoegdheden, samenwerking bestuur.
Kerkelijke hiërarchie - Bisschoppen regeren en beheren de diocese (steden).
- Aartsbisschoppen besturen aartsbisdommen (provincies).
- Bisschoppen zijn verantwoordelijk voor de sacramenten.
Macht kerk - Sticht + oversticht = wereldlijke macht bisschop.
- Bisdom = geestelijke macht bisschop.
Sacramenten 1. Doop.
2. Avondmaal.
3. Vormsel.
4. Huwelijk.
5. Biecht.
6. Priesterwijding.
7. Ziekenzorg.
Standensamenleving 1. Zij die bidden (geestelijken).
2. Zij die vechten (adel).
3. Zij die werken (rest).
Hofstelsel = wijze waarop grootgrondbezit wordt geëxploiteerd.
/domeinstelsel - Indominicatum deel van de heer.
- Mansionaria deel van de boeren hoeven.
Horigheid van boeren.
Feodalisme / Wederzijdse afhankelijkheid tussen belangrijke aristocraten.
vazalliteit / leenstelsel = in het leen houden van een leengoed als leenman van de leenheer.
Vazallitische trouw en bescherming van de heer in ruil voor uitgeven leger.
Probleem: leners denken dat gebied en ambt erfelijk wordt na verloop van tijd:
moeilijk om als keizer deze functies en gebieden terug te eisen.
BINNEN STANDGENOTEN!!!
Drie territoriale 1. Germania: waar Duits gesproken wordt.
eenheden 2. Regnus Teutonicorum: waar de Rooms-koning regeert, gebied wat
politiek het Duitse Rijk vormt.
3. Heilig Roomse Rijk: waar keizer als hoogste wereldlijke heerser zijn
gezag heeft (dus ook Engeland en Frankrijk).
Ridderklasse Militaire beroepsgroep van cavaleristen
Ridderschap 1. Onderdeel ritueel volwassenwording aristocratische jongens.
2. Vorm politieke alliantie of verwerping.
Ridderlijkheid Cultuur + gedragsregels.