VOGGP. Economische en Sociale Geschiedenis D1
Verschijnsel
= toestanden, instellingen, die door de tijd heen niet veel veranderd zijn.
Great Divergence
Kenmerken pre- - Landbouw voornaamste bron van inkomen.
industriële economie - Feodale structuren.
- Communale gronden.
- Informele economie; veel opbrengsten voor eigen gebruik.
Organic economy Economie die voor het overgrote deel afhankelijk is van de productiviteit van
land.
Mineral-based energy Grondstoffen en energie worden in grotere mate onder de grond gewonnen,
economy aanvankelijk vooral in de vorm van ijzererts en kolen. Er komt hierbij meer land
vrij voor voedselvoorziening en grondstoffen/energie komen niet meer uit een
‘voorraad’.
Publieke sfeer
Publieke sfeer Ruimte waarin collectieve acties plaatsvinden. Staat in het midden van de
driehoeksverhouding tussen macht, inkomen en risico.
Een netwerk voor communiceren van informatie en meningen. In de publieke
sfeer worden grenzen getrokken en hertrokken.
Wie mag er mee praten?
- Niet: vrouwen, vreemdelingen, armen, ongeletterden.
- Wel: burgers / poorters.
Ontwikkeling
= reeks gebeurtenissen die samen een veranderingsproces kenmerken.
Collectieve actie
Collectieve actie Door mensen georganiseerde opstand in de vorm van sabotage, staken, rellen en
demonstreren. Mensen komen tot collectieve actie als er genoeg betrokkenheid
is en genoeg mensen.
Ook wel Social Movement Theory: waardig doel, eenheid, aantallen, betrokken.
Hoe werden conflicten 1. Buurtorganisaties: bij lokale misdaden
opgelost? 2. Gilden
3. Kerkenraad: armenzorg + schande binnen de kerk.
4. Rechtbank: zeer ernstige conflicten.
Great Divergence
Great Divergence Het uit elkaar groeien van industrialiserende en niet-industrialiserende
samenlevingen in de negentiende eeuw. Duidelijk is in ieder geval dat de
Industriële Revolutie hier een belangrijke rol in speelde en dat de economische
ongelijkheid tussen de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden sindsdien groter is
dan ooit.
Groei in pre- 1. Smithiaanse groei handel / handelskapitalisme.
industriële economie 2. Marxistische groei machtsverhoudingen.
3. Malthusiaanse groei voedselvoorziening.
4. Institutionele groei wetten + regels rondom economie.
Moderne economische Een voortdurende stijging van het inkomen per capita.
groei
Moderne economie 1. De aanwezigheid van markten voor goederen en productiefactoren.
2. Een niveau van agrarische productiviteit dat hoog genoeg is om een
sociale en beroepsstructuur in stand te houden die als basis voor een
complexe arbeidsverdeling kan dienen.
, 3. De aanwezigheid van een overheid die zich in haar beleid bekommert om
de bescherming van eigendomsrechten, contractvrijheid en vrijheid van
beweging, en oog heeft voor de materiele omstandigheden waarin de
ingezetenen leven.
4. Niveaus van technische ontwikkeling en maatschappelijke organisatie die
langdurige economische ontwikkeling mogelijk maakt en een materiele
cultuur van voldoende diversiteit kunnen ondersteunen om een
marktgericht consumentengedrag in stand te houden.
Zeven deelrevoluties 1. Demografische revolutie (bevolkingsgroei).
2. Landbouwrevolutie (uitstoot).
3. Commerciële revolutie.
4. Transportrevolutie (kanalen en spoorwegen).
5. Wetenschappelijke revolutie (Renaissance + Verlichting).
6. Financiële revolutie (investeren).
7. Arbeidsrevolutie (loonarbeid).
Groei productie 1. Verbetering landbouw: ploeg, zaaimachine, bemesting.
landbouw 2. Landbouwareaal: ontginning, drooglegging, inpoldering.
3. Hogere productiviteit: arbeidsdeling.
4. Commercialisering en specialisatie landbouw: alleen gewassen of vee.
Gedachte
= ideeënwereld.
Collectieve actie
Utopisme Ideale wereld die niet bereikt kan worden, een onmogelijke werkelijkheid, een
wensdroom. Ook kan een utopie een ideaal aanduiden waarnaar gestreefd
wordt, bijvoorbeeld in de politiek of filosofie.
Basisproblemen 1. Macht
2. Inkomen
3. Risico
Solidariteitsthese - Meerdere solidariteiten.
is voor collectieve - Geen consensus.
actie - Iedereen spreekt.
- Collectieve actie = participatie = goed.
- Civil Society; democratie.
Ontwrichtingsthese - Afgedwongen eenheid; verschillende solidariteiten willen niet vanzelf een
is tegen collectieve eenheid zijn.
actie - Collectieve actie = ontwrichting = fout.
Gelegenheidsstructuur De ruimte die de overheid geeft om tot collectieve actie te komen.
Wanneer wel of niet Wel Niet
tot collectieve actie - Idee van slechte vorst. - Koning is door God als
komen? - Geen rechtsstelsel. vertegenwoordiger aangesteld.
- Geloofsverdeeldheid. - Repressie.
- Ontwrichting / verlies. - Gebruikrecht.
- Gefrustreerde verwachtingen.
Great Divergence
Positive checks ‘Dit gaat zeker gebeuren’.
Preventive checks ‘Het hoeft niet zo te gebeuren als we de situatie aanpassen’
Peasant model Boeren richten zich meer op zelfvoorziening dan op productie voor de markten.
Ze combineren werk in de agrarische sector met niet-agrarische activiteiten, zoals
spinnen en weven.
Verschijnsel
= toestanden, instellingen, die door de tijd heen niet veel veranderd zijn.
Great Divergence
Kenmerken pre- - Landbouw voornaamste bron van inkomen.
industriële economie - Feodale structuren.
- Communale gronden.
- Informele economie; veel opbrengsten voor eigen gebruik.
Organic economy Economie die voor het overgrote deel afhankelijk is van de productiviteit van
land.
Mineral-based energy Grondstoffen en energie worden in grotere mate onder de grond gewonnen,
economy aanvankelijk vooral in de vorm van ijzererts en kolen. Er komt hierbij meer land
vrij voor voedselvoorziening en grondstoffen/energie komen niet meer uit een
‘voorraad’.
Publieke sfeer
Publieke sfeer Ruimte waarin collectieve acties plaatsvinden. Staat in het midden van de
driehoeksverhouding tussen macht, inkomen en risico.
Een netwerk voor communiceren van informatie en meningen. In de publieke
sfeer worden grenzen getrokken en hertrokken.
Wie mag er mee praten?
- Niet: vrouwen, vreemdelingen, armen, ongeletterden.
- Wel: burgers / poorters.
Ontwikkeling
= reeks gebeurtenissen die samen een veranderingsproces kenmerken.
Collectieve actie
Collectieve actie Door mensen georganiseerde opstand in de vorm van sabotage, staken, rellen en
demonstreren. Mensen komen tot collectieve actie als er genoeg betrokkenheid
is en genoeg mensen.
Ook wel Social Movement Theory: waardig doel, eenheid, aantallen, betrokken.
Hoe werden conflicten 1. Buurtorganisaties: bij lokale misdaden
opgelost? 2. Gilden
3. Kerkenraad: armenzorg + schande binnen de kerk.
4. Rechtbank: zeer ernstige conflicten.
Great Divergence
Great Divergence Het uit elkaar groeien van industrialiserende en niet-industrialiserende
samenlevingen in de negentiende eeuw. Duidelijk is in ieder geval dat de
Industriële Revolutie hier een belangrijke rol in speelde en dat de economische
ongelijkheid tussen de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden sindsdien groter is
dan ooit.
Groei in pre- 1. Smithiaanse groei handel / handelskapitalisme.
industriële economie 2. Marxistische groei machtsverhoudingen.
3. Malthusiaanse groei voedselvoorziening.
4. Institutionele groei wetten + regels rondom economie.
Moderne economische Een voortdurende stijging van het inkomen per capita.
groei
Moderne economie 1. De aanwezigheid van markten voor goederen en productiefactoren.
2. Een niveau van agrarische productiviteit dat hoog genoeg is om een
sociale en beroepsstructuur in stand te houden die als basis voor een
complexe arbeidsverdeling kan dienen.
, 3. De aanwezigheid van een overheid die zich in haar beleid bekommert om
de bescherming van eigendomsrechten, contractvrijheid en vrijheid van
beweging, en oog heeft voor de materiele omstandigheden waarin de
ingezetenen leven.
4. Niveaus van technische ontwikkeling en maatschappelijke organisatie die
langdurige economische ontwikkeling mogelijk maakt en een materiele
cultuur van voldoende diversiteit kunnen ondersteunen om een
marktgericht consumentengedrag in stand te houden.
Zeven deelrevoluties 1. Demografische revolutie (bevolkingsgroei).
2. Landbouwrevolutie (uitstoot).
3. Commerciële revolutie.
4. Transportrevolutie (kanalen en spoorwegen).
5. Wetenschappelijke revolutie (Renaissance + Verlichting).
6. Financiële revolutie (investeren).
7. Arbeidsrevolutie (loonarbeid).
Groei productie 1. Verbetering landbouw: ploeg, zaaimachine, bemesting.
landbouw 2. Landbouwareaal: ontginning, drooglegging, inpoldering.
3. Hogere productiviteit: arbeidsdeling.
4. Commercialisering en specialisatie landbouw: alleen gewassen of vee.
Gedachte
= ideeënwereld.
Collectieve actie
Utopisme Ideale wereld die niet bereikt kan worden, een onmogelijke werkelijkheid, een
wensdroom. Ook kan een utopie een ideaal aanduiden waarnaar gestreefd
wordt, bijvoorbeeld in de politiek of filosofie.
Basisproblemen 1. Macht
2. Inkomen
3. Risico
Solidariteitsthese - Meerdere solidariteiten.
is voor collectieve - Geen consensus.
actie - Iedereen spreekt.
- Collectieve actie = participatie = goed.
- Civil Society; democratie.
Ontwrichtingsthese - Afgedwongen eenheid; verschillende solidariteiten willen niet vanzelf een
is tegen collectieve eenheid zijn.
actie - Collectieve actie = ontwrichting = fout.
Gelegenheidsstructuur De ruimte die de overheid geeft om tot collectieve actie te komen.
Wanneer wel of niet Wel Niet
tot collectieve actie - Idee van slechte vorst. - Koning is door God als
komen? - Geen rechtsstelsel. vertegenwoordiger aangesteld.
- Geloofsverdeeldheid. - Repressie.
- Ontwrichting / verlies. - Gebruikrecht.
- Gefrustreerde verwachtingen.
Great Divergence
Positive checks ‘Dit gaat zeker gebeuren’.
Preventive checks ‘Het hoeft niet zo te gebeuren als we de situatie aanpassen’
Peasant model Boeren richten zich meer op zelfvoorziening dan op productie voor de markten.
Ze combineren werk in de agrarische sector met niet-agrarische activiteiten, zoals
spinnen en weven.