Jurisprudentie Overdrachtsbelasting
HR 15 maart 2013 “flitspartnerschap”
Feiten:
X en Y ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van tien onroerende zaken;
23 december 2003:
o X en Y gaan geregistreerd partnerschap aan;
o Uitsluiting van iedere gemeenschap met uitzondering van de tien onroerende zaken;
24 december 2003:
o Geregistreerd partnerschap wordt ontbonden;
29 december 2003:
o De tot de gemeenschap behorende goederen (de onroerende zaken) zijn verdeeld;
o Voor overdrachtsbelasting: wordt beroep gedaan op uitgezonderde verkrijging van
art. 3-1-b WBR (verdeling van een huwelijksgemeenschap)
Inspecteur:
Stelt dat sprake is van fraus legis;
Hof:
Wetgever is tijdens de parlementaire behandeling gewezen op deze ontgaansmogelijkheid
en heeft de wetgeving niet aangepast. Hierom vindt het Hof dat doel en strekking niet
worden miskend. Hof stelt Inspecteur in het ongelijk.
HR:
Toepassing van de vrijstelling bij een constructie met geregistreerd partnerschap is wél in
strijd met doel en strekking van art. 2 en art. 3-1-b WBR;
o Doel overdrachtsbelasting: het belasten van de verkrijging van in Nederland gelegen
onroerende zaken of rechten waaraan dergelijke zaken zijn onderworpen (art. 2-1
WBR);
o Strekking uitzondering van art. 3-1-b : heffing van overdrachtsbelasting blijft
achterwege in geval een verkrijging van een onroerende zaak krachtens verdeling
van een gemeenschap van goederen die is ontstaan door huwelijk (o.g.v. 2-6 AWR
ook geregistreerd partnerschap);
o Regels strekken er niet toe een mogelijkheid te bieden aan de verkrijger van een
onroerende zaak om de overdrachtsbelasting naar believen te verijdelen.
o Geregistreerd partnerschap was van zo’n korte periode dat de door de wet aan dit
partnerschap verbonden plichten geen reële praktische betekenis konden hebben.
Hier doet niet aan af dat de staatssecretaris gewezen is op deze ontgaansmogelijkheid en
daar geen maatregelen tegen heeft genomen;
,HR 10 oktober 2014 “datacenters” BNB 2015/14
Feiten:
X BV bezit twee datacenters, de bezittingen van X BV bestaan ook slechts uit deze twee
datacenters;
Datacenters zijn faciliteiten waar bedrijfskritische ICT apparatuur wordt ondergebracht;
X BV heeft een aandeel in zichzelf gekocht;
Vraag: zijn de onroerende zaken (de datacenters) hoofdzakelijk dienstbaar aan het
verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende zaken (doel- of exploitatie-eis),
waardoor X BV kwalificeert als een onroerendezaaklichaam ex. art. 4 WBR?
HR:
De exploitatie van de datacenters door X BV vindt plaats in het kader van haar eigen
bedrijfsproces;
o De continue stroomvoorziening, koeling en daarmee samenhangende databeveiliging
staan centraal voor de dienstverlening van het bedrijf;
o De vergoeding is niet gerelateerd aan oppervlakte van de ruimte, maar aan de
hoeveelheid afgenomen elektrische energie;
o De exploitatie van de datacenters vindt plaats in het kader van eigen
bedrijfsproces, dat wordt gekenmerkt door het creëren en waarborgen van de
condities waaronder ICT-apparatuur optimaal kan worden benut. De geleverde
prestatie ziet vooral op de continue stroomvoorziening/koeling/databeveiliging.
o Deze feitelijke bedrijfsuitoefening waarin datacenters gebezigd worden is niet aan
te merken als handel in/exploitatie van onroerende zaken.
Er is niet voldaan aan de doel-eis.
, HR 9 februari 2018 “kantoorgebouw was ten tijde van verkrijging nog niet tot
woning bestemd”
Feiten:
Belanghebbende is een beleggingsmaatschappij in onroerende zaken;
Belanghebbende heeft op 8 juli 2013 een onroerende zaak gekocht voor €2.300.000, de
juridische levering vond plaats op 1 augustus 2013;
In februari 2013 (voor koop) is de gemeente akkoord gegaan met wijziging van het gebruik
van de onroerende zaak van kantoorruimte in woonruimte;
Vanaf 16 november 2013 zijn kamers verhuurd.
Geschil:
Het tarief van 2% voor woningen is gehanteerd. De inspecteur is van mening dat het tarief
van 6% moet gelden omdat er geen sprake is van een woning.
HR:
Ten tijde van de bouw van het bouwwerk was de grond bestemd voor een wijk- en
winkelcentrum en is het bouwwerk gebouwd als kantoorgebouw en als zodanig in gebruik
genomen. De onroerende zaak is derhalve oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning
ontworpen en gebouwd;
Ten tijde van de verkrijging door belanghebbende was de onroerende zaak nog niet door
verbouwing naar zijn aard tot woning bestemd;
De onroerende zaak kan ten tijde van de verkrijging niet worden aangemerkt als woning in
de zin van art. 14 lid 2 WBR;
(Belanghebbende had de notaris overigens bewust verkeerd geïnformeerd tenteinde de
notaris te overtuigen dat het tarief van 2% van toepassing was, dus de boete kan ook in
stand blijven.)
HR 15 maart 2013 “flitspartnerschap”
Feiten:
X en Y ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van tien onroerende zaken;
23 december 2003:
o X en Y gaan geregistreerd partnerschap aan;
o Uitsluiting van iedere gemeenschap met uitzondering van de tien onroerende zaken;
24 december 2003:
o Geregistreerd partnerschap wordt ontbonden;
29 december 2003:
o De tot de gemeenschap behorende goederen (de onroerende zaken) zijn verdeeld;
o Voor overdrachtsbelasting: wordt beroep gedaan op uitgezonderde verkrijging van
art. 3-1-b WBR (verdeling van een huwelijksgemeenschap)
Inspecteur:
Stelt dat sprake is van fraus legis;
Hof:
Wetgever is tijdens de parlementaire behandeling gewezen op deze ontgaansmogelijkheid
en heeft de wetgeving niet aangepast. Hierom vindt het Hof dat doel en strekking niet
worden miskend. Hof stelt Inspecteur in het ongelijk.
HR:
Toepassing van de vrijstelling bij een constructie met geregistreerd partnerschap is wél in
strijd met doel en strekking van art. 2 en art. 3-1-b WBR;
o Doel overdrachtsbelasting: het belasten van de verkrijging van in Nederland gelegen
onroerende zaken of rechten waaraan dergelijke zaken zijn onderworpen (art. 2-1
WBR);
o Strekking uitzondering van art. 3-1-b : heffing van overdrachtsbelasting blijft
achterwege in geval een verkrijging van een onroerende zaak krachtens verdeling
van een gemeenschap van goederen die is ontstaan door huwelijk (o.g.v. 2-6 AWR
ook geregistreerd partnerschap);
o Regels strekken er niet toe een mogelijkheid te bieden aan de verkrijger van een
onroerende zaak om de overdrachtsbelasting naar believen te verijdelen.
o Geregistreerd partnerschap was van zo’n korte periode dat de door de wet aan dit
partnerschap verbonden plichten geen reële praktische betekenis konden hebben.
Hier doet niet aan af dat de staatssecretaris gewezen is op deze ontgaansmogelijkheid en
daar geen maatregelen tegen heeft genomen;
,HR 10 oktober 2014 “datacenters” BNB 2015/14
Feiten:
X BV bezit twee datacenters, de bezittingen van X BV bestaan ook slechts uit deze twee
datacenters;
Datacenters zijn faciliteiten waar bedrijfskritische ICT apparatuur wordt ondergebracht;
X BV heeft een aandeel in zichzelf gekocht;
Vraag: zijn de onroerende zaken (de datacenters) hoofdzakelijk dienstbaar aan het
verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende zaken (doel- of exploitatie-eis),
waardoor X BV kwalificeert als een onroerendezaaklichaam ex. art. 4 WBR?
HR:
De exploitatie van de datacenters door X BV vindt plaats in het kader van haar eigen
bedrijfsproces;
o De continue stroomvoorziening, koeling en daarmee samenhangende databeveiliging
staan centraal voor de dienstverlening van het bedrijf;
o De vergoeding is niet gerelateerd aan oppervlakte van de ruimte, maar aan de
hoeveelheid afgenomen elektrische energie;
o De exploitatie van de datacenters vindt plaats in het kader van eigen
bedrijfsproces, dat wordt gekenmerkt door het creëren en waarborgen van de
condities waaronder ICT-apparatuur optimaal kan worden benut. De geleverde
prestatie ziet vooral op de continue stroomvoorziening/koeling/databeveiliging.
o Deze feitelijke bedrijfsuitoefening waarin datacenters gebezigd worden is niet aan
te merken als handel in/exploitatie van onroerende zaken.
Er is niet voldaan aan de doel-eis.
, HR 9 februari 2018 “kantoorgebouw was ten tijde van verkrijging nog niet tot
woning bestemd”
Feiten:
Belanghebbende is een beleggingsmaatschappij in onroerende zaken;
Belanghebbende heeft op 8 juli 2013 een onroerende zaak gekocht voor €2.300.000, de
juridische levering vond plaats op 1 augustus 2013;
In februari 2013 (voor koop) is de gemeente akkoord gegaan met wijziging van het gebruik
van de onroerende zaak van kantoorruimte in woonruimte;
Vanaf 16 november 2013 zijn kamers verhuurd.
Geschil:
Het tarief van 2% voor woningen is gehanteerd. De inspecteur is van mening dat het tarief
van 6% moet gelden omdat er geen sprake is van een woning.
HR:
Ten tijde van de bouw van het bouwwerk was de grond bestemd voor een wijk- en
winkelcentrum en is het bouwwerk gebouwd als kantoorgebouw en als zodanig in gebruik
genomen. De onroerende zaak is derhalve oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning
ontworpen en gebouwd;
Ten tijde van de verkrijging door belanghebbende was de onroerende zaak nog niet door
verbouwing naar zijn aard tot woning bestemd;
De onroerende zaak kan ten tijde van de verkrijging niet worden aangemerkt als woning in
de zin van art. 14 lid 2 WBR;
(Belanghebbende had de notaris overigens bewust verkeerd geïnformeerd tenteinde de
notaris te overtuigen dat het tarief van 2% van toepassing was, dus de boete kan ook in
stand blijven.)