1. Wat is taalbeschouwing?
A. Het leren van nieuwe woorden
B. Reflectie op alle aspecten van taal en actief onderzoek doen naar
taalverschijnselen
C. Het schrijven van teksten zonder fouten
D. Het uitspreken van woorden volgens de standaardtaal
2. Wat is een foneem?
A. Een letter in het alfabet
B. Een klank die betekenisverschil tussen woorden veroorzaakt
C. Een woord dat op verschillende manieren kan worden geschreven
D. Een grammaticale regel
3. Wat is het morfologisch niveau van taal?
A. Het niveau waarop je kijkt naar de betekenis van woorden
B. Het niveau waarop je kijkt naar hoe een woord is opgebouwd
C. Het niveau waarop je kijkt naar de klanken van een woord
D. Het niveau waarop je kijkt naar de functie van taal
4. Wat is een vrij morfeem?
A. Een woorddeel dat niet op zichzelf kan staan
B. Een woord dat in zijn eentje iets betekent en naar iets verwijst in de werkelijkheid
C. Een woord dat alleen in samengestelde vorm voorkomt
D. Een woord dat alleen in meervoudsvorm voorkomt
5. Wat is assimilatie in de fonologie?
A. Het veranderen van de betekenis van een woord
B. Het beïnvloeden van klanken in een woord door elkaar
C. Het toevoegen van een nieuwe klank aan een woord
D. Het weglaten van een klank in een woord
6. Wat is een homoniem?
A. Woorden die hetzelfde klinken, maar anders geschreven worden en een andere
betekenis hebben
B. Woorden die hetzelfde klinken, hetzelfde geschreven worden, maar een andere
betekenis hebben
C. Woorden die hetzelfde geschreven worden, maar anders klinken en een andere
betekenis hebben
D. Woorden die hetzelfde betekenen, maar anders klinken
7. Wat is het syntactisch niveau van taal?
, A. Het niveau waarop je kijkt naar de betekenis van woorden
B. Het niveau waarop je kijkt naar hoe zinnen opgebouwd worden
C. Het niveau waarop je kijkt naar de klanken van een woord
D. Het niveau waarop je kijkt naar de functie van taal
8. Wat is een antoniem?
A. Woorden die elkaars tegenstelling zijn
B. Woorden met dezelfde betekenis
C. Woorden die onder een overkoepelend woord hangen
D. Woorden die op verschillende manieren geschreven kunnen worden
9. Wat is het pragmatisch niveau van taal?
A. Het niveau waarop je kijkt naar taal in taalgebruikssituaties
B. Het niveau waarop je kijkt naar de betekenis van woorden
C. Het niveau waarop je kijkt naar de klanken van een woord
D. Het niveau waarop je kijkt naar de functie van taal
10. Wat is een taalvariatie?
A. De verscheidenheid in taalgebruik tussen mensen en groepen mensen
B. De standaardtaal die gebruikt wordt in het onderwijs
C. De manier waarop woorden worden geschreven
D. De manier waarop zinnen worden opgebouwd
11. Wat is het orthografisch niveau van taal?
A. Het niveau waarop je kijkt naar de betekenis van woorden
B. Het niveau waarop je kijkt naar hoe woorden worden geschreven
C. Het niveau waarop je kijkt naar de klanken van een woord
D. Het niveau waarop je kijkt naar de functie van taal
12. Wat is een taaltoetsende oefening?
A. Een oefening die gericht is op het ontwikkelen van nieuwe inzichten
B. Een oefening die gericht is op het toetsen van kennis
C. Een oefening die gericht is op het ontdekken van taalregels
D. Een oefening die gericht is op het verbeteren van taalvaardigheid
13. Wat is een inductieve oefening?
A. Een oefening waarbij kinderen een regel krijgen en deze moeten toepassen
B. Een oefening waarbij kinderen zelf een regel ontdekken uit voorbeelden
C. Een oefening waarbij kinderen alleen losse woorden krijgen
D. Een oefening waarbij kinderen alleen betekenisvolle teksten krijgen
14. Wat is het lusmodel?
A. Een model dat gebruikt wordt om taalregels te leren
B. Een model dat gebruikt wordt om taalvaardigheid te ontwikkelen
C. Een model dat gebruikt wordt om taalontwikkeling te stimuleren
D. Een model dat gebruikt wordt om taalverschijnselen te analyseren