Hoorcolleges bestuursrecht
,Week 1: inleiding
Dit hoorcollege gaat over bestuursorganen en de opbouw van het bestuursrecht.
Opbouw bestuursrecht
Vier typen regels in de Awb
1. Dwingend recht: alleen afwijken als er een goede reden voor is
2. Regelend recht: in de meeste gevallen adequaat, maar wordt ook soms van afgeweken
3. Aanvullend recht: vangnetbepalingen (bv beslistermijnen). In de bijzondere wetbepalingen
moet eerst gekeken worden, hierna kijken naar de Awb.
4. Facultatief recht: alleen van toepassing als uitdrukkelijk daartoe besloten in wettelijke
regeling. Regels in de Awb die niet van toepassing zijn, tenzij deze speciale wettelijke regeling
bepaalt dat deze wel van toepassing is. Kan en mag niet van afgeweken worden.
Opbouw en positie Awb
Awb opgebouwd van algemeen naar bijzonder
Awb algemene regels; per deelgebied in bijzondere wetgeving (bv Wet ruimtelijke ordening
of de Vreemdelingewet)
Awb is niet van toepassing op de formele wetgever (artikel 1:1 lid 2 Awb). De Awb is dus niet
van toepassing op de regering en de Staten-Generaal.
3:1 lid 1 Awb: bestuurswetgeving, 3:1 lid 2: schakelbepaling gaan we in week 3 verder op in.
Bevoegdheid
Legaliteitsbeginsel: alle overheidsoptreden dat de vrijheid van burgers beperkt moet berusten op een
wettelijke grondslag. Dit moet zijn de grondwet of een wet in formele zin.
Alleen negatief overheidsoptreden? Nee, voor positief overheidsoptreden (bijvoorbeeld
toeslagen) zijn er ook allerlei verplichtingen en regelingen.
Toekennen bestuursbevoegdheid
Drie vormen:
1. Attributie
Het scheppen van een nieuwe bevoegdheid; bevoegdheid bestond niet eerder maar wordt
gemaakt voor bijvoorbeeld een burgemeester om iets te doen
Alleen organen met wetgevende bevoegdheden kunnen bevoegdheden attribueren
(toekennen)
Attributie aan ondergeschikten (10:22 Awb): geen doorbreking hiërarchische verhouding, dus
aanwijzingen (lid 1) en inlichtingen (lid 2)
2. Delegatie (afdeling 10.1.2. Awb)
Het overdragen van een bevoegdheid, de bevoegdheid bestond al en wordt overgegeven aan
een ander.
Gaat deze bevoegdheid op eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid uitoefenen.
Volledig weggeven van de eigen bevoegdheid en de ander wordt verantwoordelijk.
Alleen als delegatie bij wettelijk voorschrift is voorzien; geldt ook voor onderdelegatie. Er
wordt een bevoegdheid gemaakt, en daarbij ligt al meteen vast of de bevoegdheid
overgedragen mag worden. Als er niet staat dat er kan worden overgedragen, mag het niet.
Kan wel ten allen tijd beëindigen.
, Niet aan ondergeschikten overdragen. Het verandert namelijk de verhoudingen, en daarin
past niet dat je in ondergeschikten bevoegdheden gaat overdragen.
Mogen beiden beleidsregels opstellen. Beleidsregels ter invulling van de bevoegdheid die je
hebt. Mag worden opgesteld door degene die de bevoegdheid heeft, en degene die de
bevoegdheid heeft overgedragen. Deze laatste mag alleen algemene beleidsregels opstellen.
De beleidsregels van de overdrager gaan voor degene die de bevoegdheid daadwerkelijk
heeft gekregen.
3. Mandaat (afdeling 10.1.1 Awb)
Het machtigen van een ander om een bevoegdheid uit te oefenen. Geen overdraging dus
Oefent bevoegdheid uit in naam van een ander. De machtiger blijft dus verantwoordelijk.
Geen wettelijke grondslag nodig maar
o Verbonden aan mandatering in wettelijk voorschrift;
o 10:3 lid 2: expliciete/absolute mandaatverboden, 10:13 relatieve verboden.
o Aard van de bevoegdheid verzet zich tegen mandatering. Soms ligt dat in de persoon en
soms in de bevoegdheid. De burgemeester bijvoorbeeld mag bepaalde bevoegdheden
m.b.t. openbare orde niet mandateren. Is erg casuïstisch.
Mandaatgever kan instructies geven, want het is natuurlijk de bevoegdheid en
verantwoordelijkheid van de mandaatgever
Ondermandaat als toestemming mandaatgever. Dus de gemandateerde mag weer mandaat
geven. Vergelijkbaar met onderhuur. De originele mandaatgever moet hier wel altijd
toestemming voor geven.
Bestuursorgaan
Artikel 1:1 lid 1 Awb: onder een bestuursorgaan wordt verstaan:
1. Een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld (a-orgaan). Altijd
een bestuursorgaan.
2. Een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed (b-orgaan)
Eerst kijken of het een a-orgaan is, dan pas of het een b-orgaan is.
,Week 1: inleiding
Dit hoorcollege gaat over bestuursorganen en de opbouw van het bestuursrecht.
Opbouw bestuursrecht
Vier typen regels in de Awb
1. Dwingend recht: alleen afwijken als er een goede reden voor is
2. Regelend recht: in de meeste gevallen adequaat, maar wordt ook soms van afgeweken
3. Aanvullend recht: vangnetbepalingen (bv beslistermijnen). In de bijzondere wetbepalingen
moet eerst gekeken worden, hierna kijken naar de Awb.
4. Facultatief recht: alleen van toepassing als uitdrukkelijk daartoe besloten in wettelijke
regeling. Regels in de Awb die niet van toepassing zijn, tenzij deze speciale wettelijke regeling
bepaalt dat deze wel van toepassing is. Kan en mag niet van afgeweken worden.
Opbouw en positie Awb
Awb opgebouwd van algemeen naar bijzonder
Awb algemene regels; per deelgebied in bijzondere wetgeving (bv Wet ruimtelijke ordening
of de Vreemdelingewet)
Awb is niet van toepassing op de formele wetgever (artikel 1:1 lid 2 Awb). De Awb is dus niet
van toepassing op de regering en de Staten-Generaal.
3:1 lid 1 Awb: bestuurswetgeving, 3:1 lid 2: schakelbepaling gaan we in week 3 verder op in.
Bevoegdheid
Legaliteitsbeginsel: alle overheidsoptreden dat de vrijheid van burgers beperkt moet berusten op een
wettelijke grondslag. Dit moet zijn de grondwet of een wet in formele zin.
Alleen negatief overheidsoptreden? Nee, voor positief overheidsoptreden (bijvoorbeeld
toeslagen) zijn er ook allerlei verplichtingen en regelingen.
Toekennen bestuursbevoegdheid
Drie vormen:
1. Attributie
Het scheppen van een nieuwe bevoegdheid; bevoegdheid bestond niet eerder maar wordt
gemaakt voor bijvoorbeeld een burgemeester om iets te doen
Alleen organen met wetgevende bevoegdheden kunnen bevoegdheden attribueren
(toekennen)
Attributie aan ondergeschikten (10:22 Awb): geen doorbreking hiërarchische verhouding, dus
aanwijzingen (lid 1) en inlichtingen (lid 2)
2. Delegatie (afdeling 10.1.2. Awb)
Het overdragen van een bevoegdheid, de bevoegdheid bestond al en wordt overgegeven aan
een ander.
Gaat deze bevoegdheid op eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid uitoefenen.
Volledig weggeven van de eigen bevoegdheid en de ander wordt verantwoordelijk.
Alleen als delegatie bij wettelijk voorschrift is voorzien; geldt ook voor onderdelegatie. Er
wordt een bevoegdheid gemaakt, en daarbij ligt al meteen vast of de bevoegdheid
overgedragen mag worden. Als er niet staat dat er kan worden overgedragen, mag het niet.
Kan wel ten allen tijd beëindigen.
, Niet aan ondergeschikten overdragen. Het verandert namelijk de verhoudingen, en daarin
past niet dat je in ondergeschikten bevoegdheden gaat overdragen.
Mogen beiden beleidsregels opstellen. Beleidsregels ter invulling van de bevoegdheid die je
hebt. Mag worden opgesteld door degene die de bevoegdheid heeft, en degene die de
bevoegdheid heeft overgedragen. Deze laatste mag alleen algemene beleidsregels opstellen.
De beleidsregels van de overdrager gaan voor degene die de bevoegdheid daadwerkelijk
heeft gekregen.
3. Mandaat (afdeling 10.1.1 Awb)
Het machtigen van een ander om een bevoegdheid uit te oefenen. Geen overdraging dus
Oefent bevoegdheid uit in naam van een ander. De machtiger blijft dus verantwoordelijk.
Geen wettelijke grondslag nodig maar
o Verbonden aan mandatering in wettelijk voorschrift;
o 10:3 lid 2: expliciete/absolute mandaatverboden, 10:13 relatieve verboden.
o Aard van de bevoegdheid verzet zich tegen mandatering. Soms ligt dat in de persoon en
soms in de bevoegdheid. De burgemeester bijvoorbeeld mag bepaalde bevoegdheden
m.b.t. openbare orde niet mandateren. Is erg casuïstisch.
Mandaatgever kan instructies geven, want het is natuurlijk de bevoegdheid en
verantwoordelijkheid van de mandaatgever
Ondermandaat als toestemming mandaatgever. Dus de gemandateerde mag weer mandaat
geven. Vergelijkbaar met onderhuur. De originele mandaatgever moet hier wel altijd
toestemming voor geven.
Bestuursorgaan
Artikel 1:1 lid 1 Awb: onder een bestuursorgaan wordt verstaan:
1. Een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld (a-orgaan). Altijd
een bestuursorgaan.
2. Een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed (b-orgaan)
Eerst kijken of het een a-orgaan is, dan pas of het een b-orgaan is.