Ontstaan en Ontwikkeling van Crimineel Gedrag Colleges Samenvatting
Week 1 – Cognitieve ontwikkeling
Hoorcollege
De vraag die centraal staat is waarom de ene persoon crimineel/antisociaal
gedrag vertoont en de andere niet. We gaan op zoek naar verklaringen van
(crimineel) gedraging en kijken naar verklaringen vanuit verschillende disciplines.
Bio-Psycho-Sociaal Model
Biologische factoren (o.a.): genetica,
prenataal, hersenontwikkeling,
invloed van ervaren stress.
Psychologische factoren (o.a.):
cognitieve (denkvermogen),
emotionele en psychische
aandoeningen (ADHD, autisme),
identiteit en persoonlijkheid.
Sociale factoren (= interpersoonlijk):
effect van waargenomen of
daadwerkelijke sociale contacten;
hechting, vrienden, relaties.
Deze factoren zijn allemaal gelinkt aan crimineel gedrag, maar het verband is ook
andersom. De factoren hangen met elkaar samen en ontwikkelen zich over de
tijd. Je kan bijv. leren omgaan met je beperkingen of je sociale vaardigen worden
beter. De context speelt een rol, zoals de buurt waarin je opgroeit, de school waar
je op zit, of je ouders geld problemen hebben.
Levensfases: vroege ontwikkeling (0-4) en kindertijd (4-12). Een kind ontwikkelt
veel tussen 4 en 12 jaar oud. Zo leert hij schrijve, lezen, de wereld begrijpen,
fietsen, voetballen, vrienden en vriendinnen maken, nadenken over wat ze later
willen worden, mening en eigen voorkeuren, maar ook fantasiespel, tekenen en
bouwen en knutselen.
Maslow’s hierarchy of needs laat zien wat er nodig is om te ontwikkelen.
Er zijn verschillende domeinen waarin ontwikkeling plaatsvindt:
1. Fysieke ontwikkeling
, 2. Cognitieve ontwikkeling
- Stadia van cognitieve ontwikkeling
- Theory of Mind
3. Morele ontwikkeling
4. Taalontwikkeling
5. Sociale ontwikkeling
- Ouders: hechting en risicofactoren binnen gezin
- Leeftijdsgenoten: invloed en selectie en sociale status en pesten
6. Identiteitsontwikkeling
7. Creatieve ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling betekent een toename van functionele capaciteit van het
korte termijn geheugen. Myelinisatie van axonen zorgt voor een toename van de
snelheid van prikkeloverdracht; dit zorgt voor een efficiëntere verbinding in de
hersengebieden. Het betekent ook een toename van informatie die is opgeslagen
in het lange termijn geheugen: je kennis neemt toe door meer ervaringen.
Daarnaast betekent het ontwikkeling van geheugen strategieën, van
metacognitie (leren hoe je kan leren) en van selectieve aandacht (het negeren
van niet-relevante prikkels).
Piaget heeft verschillende stadia van cognitieve ontwikkeling geformuleerd.
Stadium 1: Sensomotor stage (0-2).
- Leren door tasten, voelen, proeven: sensorische informatie
- Kinderen gaan gedrag dat prettig voelt herhalen.
- Kinderen ontwikkelen doelgericht gedrag dat niet o.b.v. toeval ontstaat
en experimenteren met gedrag, zoals oorzaak-gevolg relaties.
- Objectpermanentie: als je iets niet ziet, bestaat het nog steeds.
- Aan het eind van dit stadium kunnen kinderen eerst een probleem in
gedachten oplossen; symbolisch denken.
Stadium 2: Preoperational stage (2-7)
- Kinderen zijn in toenemende mate in staat om te denken, maar dit
denken is nog niet logisch: magisch denken, dus dingen hebben een
ziel/persoonlijkheid.
- Ontwikkeling van “ik”, kind leert dat het een eigen persoon is. kinderen
kunnen zich in deze fase nog niet in anderen verplaatsen.
- Aninisme: leven toekennen aan niet-levende dingen.
- Artificialisme: geloven dat alle dingen door mensen zijn gemaakt.
- Verfijning van motoriek, zoals leren praten.
Stadium 3: Concrete operational stage (7-12)
- Kind kan lengte en hoeveelheden vergelijken
- Kind kan ordenen, tellen en rekenen
- Andere mensen kunnen anders denken
- Figuratief denken
Stadium 4: Formal operational stage (12+)
- Ontwikkeling van ruimtelijk denken
, - Ontwikkeling van abstract denken
- Kind kan logisch denken en conclusies trekken.
De Theory of Mind is een belangrijke sociaal-cognitieve vaardigheid die het
vermogen omvat om na te denken over mentale toestanden, zowel die van jezelf
als die van anderen. Het omvat het vermogen om mentale toestanden toe te
schrijven, inclusief emoties, verlangend, overtuigingen en kennis, en te
herkennen dat de gedachten en overtuigingen van andere mensen kunnen
verschillen van die van jou.
Een beperkte ToM is een oorzaak van agressie: als je minder goed iemands
mental state kan inschatten is er een grotere kans dat je iemands onbedoelde
acties als vijandig interpreteert, met als gevolg dat de kans op een agressieve
reactie groter is. Ook ben je dan minder goed in staat de gevolgen van je
agressieve reactie in te schatten voor anderen, waardoor dat je niet tegenhoudt
om agressie te gebruiken. Als je vaker agressiever reageert willen kinderen
minder met je spelen en heb je minder kans ToM verder te ontwikkelen. Volgens
Sutton et al. (1999) is het een double edged sword: kinderen met goed
ontwikkelde ToM laten ook agressief gedrag zien, want voor sommige agressief
gedrag heb je ToM nodig (pesten en roddelen).
Morele ontwikkeling is de ontwikkeling van het besef van goed en kwaad;
gewetensontwikkeling. Kinderen ontwikkelen ToM en empathie omdat ze zich
realiseren hoe andere mensen zich voelen. Dit zorgt voor een groeiende behoefte
aan eerlijkheid en zorgzaamheid, ze ontwikkelen een gevoel van
rechtvaardigheid.
Er zijn drie stadia (en 6 stages) van morele ontwikkeling:
1. Pre-conventioneel stadium (0-10 jaar)
2. Conventioneel stadium (10-18 jaar)
3. Post-conventioneel stadium (vanaf 18 jaar)
Morele dilemma’s in de criminologie richten zich op toerekeningsvatbaarheid en
eigenrichting.
Concluderen vinden er belangrijke ontwikkelingen plaats op cognitief gebied en
qua emotie-regulatie. Die zorgen voor de basis van de ontwikkeling van ToM,
empathie en morele ontwikkeling. Er zijn belangrijke voorspellers van later
externaliserend probleemgedrag. Maar: er zijn ook invloeden in de omgeving van
kinderen (gezin, school, leeftijdsgenoten) die belangrijk zijn in de ontwikkeling
van antisociaal gedrag.
Werkgroep
Theory of Mind gaat over het inschatten van hoe andere mensen over iets
denken. Dit is een belangrijke mijlpaal in de cognitieve ontwikkeling en maakt
ontwikkeling op andere gebieden mogelijk, zoals empathie en morele
ontwikkeling.
Modellen van sociale cognitie: ToM en sociale informatieverwerking (SIP). Sociale
informatieverwerking in 6 stappen:
Week 1 – Cognitieve ontwikkeling
Hoorcollege
De vraag die centraal staat is waarom de ene persoon crimineel/antisociaal
gedrag vertoont en de andere niet. We gaan op zoek naar verklaringen van
(crimineel) gedraging en kijken naar verklaringen vanuit verschillende disciplines.
Bio-Psycho-Sociaal Model
Biologische factoren (o.a.): genetica,
prenataal, hersenontwikkeling,
invloed van ervaren stress.
Psychologische factoren (o.a.):
cognitieve (denkvermogen),
emotionele en psychische
aandoeningen (ADHD, autisme),
identiteit en persoonlijkheid.
Sociale factoren (= interpersoonlijk):
effect van waargenomen of
daadwerkelijke sociale contacten;
hechting, vrienden, relaties.
Deze factoren zijn allemaal gelinkt aan crimineel gedrag, maar het verband is ook
andersom. De factoren hangen met elkaar samen en ontwikkelen zich over de
tijd. Je kan bijv. leren omgaan met je beperkingen of je sociale vaardigen worden
beter. De context speelt een rol, zoals de buurt waarin je opgroeit, de school waar
je op zit, of je ouders geld problemen hebben.
Levensfases: vroege ontwikkeling (0-4) en kindertijd (4-12). Een kind ontwikkelt
veel tussen 4 en 12 jaar oud. Zo leert hij schrijve, lezen, de wereld begrijpen,
fietsen, voetballen, vrienden en vriendinnen maken, nadenken over wat ze later
willen worden, mening en eigen voorkeuren, maar ook fantasiespel, tekenen en
bouwen en knutselen.
Maslow’s hierarchy of needs laat zien wat er nodig is om te ontwikkelen.
Er zijn verschillende domeinen waarin ontwikkeling plaatsvindt:
1. Fysieke ontwikkeling
, 2. Cognitieve ontwikkeling
- Stadia van cognitieve ontwikkeling
- Theory of Mind
3. Morele ontwikkeling
4. Taalontwikkeling
5. Sociale ontwikkeling
- Ouders: hechting en risicofactoren binnen gezin
- Leeftijdsgenoten: invloed en selectie en sociale status en pesten
6. Identiteitsontwikkeling
7. Creatieve ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling betekent een toename van functionele capaciteit van het
korte termijn geheugen. Myelinisatie van axonen zorgt voor een toename van de
snelheid van prikkeloverdracht; dit zorgt voor een efficiëntere verbinding in de
hersengebieden. Het betekent ook een toename van informatie die is opgeslagen
in het lange termijn geheugen: je kennis neemt toe door meer ervaringen.
Daarnaast betekent het ontwikkeling van geheugen strategieën, van
metacognitie (leren hoe je kan leren) en van selectieve aandacht (het negeren
van niet-relevante prikkels).
Piaget heeft verschillende stadia van cognitieve ontwikkeling geformuleerd.
Stadium 1: Sensomotor stage (0-2).
- Leren door tasten, voelen, proeven: sensorische informatie
- Kinderen gaan gedrag dat prettig voelt herhalen.
- Kinderen ontwikkelen doelgericht gedrag dat niet o.b.v. toeval ontstaat
en experimenteren met gedrag, zoals oorzaak-gevolg relaties.
- Objectpermanentie: als je iets niet ziet, bestaat het nog steeds.
- Aan het eind van dit stadium kunnen kinderen eerst een probleem in
gedachten oplossen; symbolisch denken.
Stadium 2: Preoperational stage (2-7)
- Kinderen zijn in toenemende mate in staat om te denken, maar dit
denken is nog niet logisch: magisch denken, dus dingen hebben een
ziel/persoonlijkheid.
- Ontwikkeling van “ik”, kind leert dat het een eigen persoon is. kinderen
kunnen zich in deze fase nog niet in anderen verplaatsen.
- Aninisme: leven toekennen aan niet-levende dingen.
- Artificialisme: geloven dat alle dingen door mensen zijn gemaakt.
- Verfijning van motoriek, zoals leren praten.
Stadium 3: Concrete operational stage (7-12)
- Kind kan lengte en hoeveelheden vergelijken
- Kind kan ordenen, tellen en rekenen
- Andere mensen kunnen anders denken
- Figuratief denken
Stadium 4: Formal operational stage (12+)
- Ontwikkeling van ruimtelijk denken
, - Ontwikkeling van abstract denken
- Kind kan logisch denken en conclusies trekken.
De Theory of Mind is een belangrijke sociaal-cognitieve vaardigheid die het
vermogen omvat om na te denken over mentale toestanden, zowel die van jezelf
als die van anderen. Het omvat het vermogen om mentale toestanden toe te
schrijven, inclusief emoties, verlangend, overtuigingen en kennis, en te
herkennen dat de gedachten en overtuigingen van andere mensen kunnen
verschillen van die van jou.
Een beperkte ToM is een oorzaak van agressie: als je minder goed iemands
mental state kan inschatten is er een grotere kans dat je iemands onbedoelde
acties als vijandig interpreteert, met als gevolg dat de kans op een agressieve
reactie groter is. Ook ben je dan minder goed in staat de gevolgen van je
agressieve reactie in te schatten voor anderen, waardoor dat je niet tegenhoudt
om agressie te gebruiken. Als je vaker agressiever reageert willen kinderen
minder met je spelen en heb je minder kans ToM verder te ontwikkelen. Volgens
Sutton et al. (1999) is het een double edged sword: kinderen met goed
ontwikkelde ToM laten ook agressief gedrag zien, want voor sommige agressief
gedrag heb je ToM nodig (pesten en roddelen).
Morele ontwikkeling is de ontwikkeling van het besef van goed en kwaad;
gewetensontwikkeling. Kinderen ontwikkelen ToM en empathie omdat ze zich
realiseren hoe andere mensen zich voelen. Dit zorgt voor een groeiende behoefte
aan eerlijkheid en zorgzaamheid, ze ontwikkelen een gevoel van
rechtvaardigheid.
Er zijn drie stadia (en 6 stages) van morele ontwikkeling:
1. Pre-conventioneel stadium (0-10 jaar)
2. Conventioneel stadium (10-18 jaar)
3. Post-conventioneel stadium (vanaf 18 jaar)
Morele dilemma’s in de criminologie richten zich op toerekeningsvatbaarheid en
eigenrichting.
Concluderen vinden er belangrijke ontwikkelingen plaats op cognitief gebied en
qua emotie-regulatie. Die zorgen voor de basis van de ontwikkeling van ToM,
empathie en morele ontwikkeling. Er zijn belangrijke voorspellers van later
externaliserend probleemgedrag. Maar: er zijn ook invloeden in de omgeving van
kinderen (gezin, school, leeftijdsgenoten) die belangrijk zijn in de ontwikkeling
van antisociaal gedrag.
Werkgroep
Theory of Mind gaat over het inschatten van hoe andere mensen over iets
denken. Dit is een belangrijke mijlpaal in de cognitieve ontwikkeling en maakt
ontwikkeling op andere gebieden mogelijk, zoals empathie en morele
ontwikkeling.
Modellen van sociale cognitie: ToM en sociale informatieverwerking (SIP). Sociale
informatieverwerking in 6 stappen: