Forensische Aspecten van Kindermishandeling Colleges
Week 1 – Disclosure
Disclosure gaat om het wel of niet vertellen over slachtofferschap van
kindermishandeling. In veel gevallen wordt er niet aan de bol getrokken terwijl
het aan de hand is. Sommige mensen komen er later pas over uit.
Childhood non-disclosure
Non-disclosure is het niet vertellen dat er iets aan de hand is. Delayed disclosure
is het later pas vertellen dat er iets is gebeurt.
Summit (1983) constateerde dat slachtoffers aanvankelijk zwijgen. Dit patroon
werd duidelijk aan de hand van behandeling van slachtoffers van intrafamiliair
misbruik. Child Sexual Abuse Accomodation Syndrome (CSAAS) is een
theoretische basis voor het zwijgen van slachtoffers. Het houdt in dat slachtoffers
een schuldgevoel, schaamte en angst ervaren, waardoor zij zwijgen. Ze zijn
anders bang voor de consequenties. Later begint voorzichtige disclosure, die
daarna weer wordt ingetrokken en het ontkennen ervan. Disclosure is dus een
proces, geen event en het is geen dichotome variabele.
Uit wetenschappelijk onderzoek wordt duidelijk dat bij 30%-80% van de gevallen
sprake is van non-disclosure. Dat gegeven is constant gebleven. Er komt geen
eenduidig beeld uit alle onderzoeken.
London et al. (2005) keek naar childhood disclosure rates volgens retrospectieve
studies. Hierbij wordt aan een groep volwassenen gevraagd of zij vroeger
slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik. Er waren veel verschillen tussen
studies. De ene studie zegt dat er 30% disclosure was rond de tijd van het
incident, terwijl dit bij een andere studie 90% is. Verschillen tussen de studies zijn
afhankelijk van de definitie van seksueel misbruik (bijv. tot welke leeftijd) en
binnen welke tijd vanaf het incident er wordt gekeken naar disclosure.
Concluderend is er dus een grote groep die niks verteld, maar er is kritiek. De
betrouwbaarheid van retrospectieve studies kan betwist worden; je baseert het
onderzoek op self-report wat niet gecontroleerd kan worden en het geheugen is
heel beïnvloedbaar. Een andere manier van onderzoek, waarbij het zeker is dat
het is gebeurt zijn de klinische studies: studies gebaseerd op kinderen die een
geslachtsziekte hebben opgelopen.
Lawson & Chaffin (1992) deden onderzoek naar de evidentie voor misbruik. Er
werd gekeken naar 28 kinderen met een geslachtsziekte. Bij de procedure werd
de geslachtsziekte eerste gediagnosticeerd, daarna kwam er een oproep om
terug te komen naar het ziekenhuis. Vervolgens werd de verzorger geïnformeerd
,over de diagnose, werd er gepraat over seksuele transmissie en mogelijk
misbruik en werd de reactie geobserveerd. Als laatste werd het kind apart
geïnterviewd. Bij 44% (N=12) was er sprake van disclosure, bij 57% (N=16) non-
disclosure, ondanks evidentie van misbruik. Dus, bewijs is geen garantie voor
disclosure. Er is wel een samenhang met disclosure; disclosure is hoger als
evidentie sterker is.
London et al. (2005) vonden dat er zonder bewijs (wat meestal het geval is)
lagere disclosure is. Met bewijs is er overigens ook nog disclosure. Er is een
bepaald patroon: in sommige gevallen is er een hoge disclosure en in sommige
gevallen lagere disclosure. Bij hoge disclosure is er ook vaak de sterkste
evidentie. Wanneer het bewijs minder is, is er ook een lagere evidentie. Het is
echter geen 1 op 1 relatie.
Drempels om te vertellen
Mensen denken vaak dat het individuele factoren zijn die van invloed zijn op
disclosure. De laatste jaren zien we dat er ook grotere context in mee speelt. Een
voorbeeld is het feit dat er na de aflevering van Boos over The Voice veel meer
verklaringen naar boven kwamen.
Bronfenbrenner’s ecologische model van
disclosure bevat factoren die disclosure
belemmeren. Microfactoren komen uit de
directe kring: familie, vrienden, school.
Exofactoren zijn support systemen die
verder weg staan: buren, lokale politiek
en media. Macrofactoren zijn attitudes en
ideologie cultuur.
Leeftijd is belangrijk als het gaat om disclosure, omdat het van belang is welke
leeftijdsrange er onderzocht wordt. factoren die een rol kunnen spelen bij de kans
op disclosure zijn o.a.: verbale vaardigheden, besef dat het verkeerd was
(accidental disclosure), taboe en het overzien van de gevolgen.
Het ontwikkelingsniveau is van belang bij disclosure. Hershkowitz et al. (2007)
deden onderzoek naar developmental disabilities en vonden dat kinderen met
een beperking een kwetsbare groep zijn; zij zijn vaker slachtoffer. Er werd
onderzoek gedaan naar of er een hogere kans was op delayed- of non-disclosure.
Kinderen met een beperking zijn al kwetsbaarder omdat ze sneller slachtoffer
worden, maar misschien zijn ze nog kwetsbaarder omdat ze minder snel
vertellen? Er blijkt dat als er sprake is van een disability, dat er ook vaker
sprake is van non-disclosure. De hoofdboodschap is dat het een hele kwetsbare
groep is; ze leiden een groter risico op slachtofferschap en houden het langer
geheim.
Factoren voor disclosure
Factoren die terugkomen in CSAAS en kinderen dus tegenhouden om de disclosen
zijn: schuld/verantwoordelijkheid en angst. Deze factoren leiden beide tot
geheimhouding.
Kinderen kunnen schuldgevoelens ervaren omdat zij hebben meegewerkt (get it
over with/om erger te voorkomen), omdat zij niet hebben tegengestribbeld of
, door fysieke reacties. Daarnaast kunnen ze last hebben van schuldgevoelens
door victim blaming, waarbij de omgeving reacties geeft als: ‘waarom ben je ook
in zijn auto gestapt’, ‘je had hem in zijn kruis moeten schoppen’, ‘waarom vertel
je dit nu pas?’. Victim blaming is vaak subtiel en zijn primaire reacties. De mate
van victim blaming verschilt. Het wordt beïnvloed door:
- De mate waarin het slachtoffer weerstand vertoont
- Het geslacht van het slachtoffer en de observer. Mannelijke observers
minimaliseren verkracht vaak. Bij mannelijke slachtoffers is er meer victim
blaming (nog meer als de dader ook een man was).
- De relatie tussen de dader en het slachtoffer. Bij een bekende dader is er
meer sprake van victim blaming.
- Een gelijkenis van de persoon (observer) met het slachtoffer. Dit komt door
de Defensive Attribution Hypothesis. Het kan ook zijn dat meer gelijkenis
zorgt voor minder victim blaming.
- Online vs. fysiek misbruik.
Dit zijn allemaal factoren die ook disclosure beïnvloeden; er is sprake van een
complexe interactie.
Slachtoffers kunnen angst ervaren door o.a. bedreigingen en door angst voor de
gevolgen van disclosen. Dit kunnen gevolgen voor de dader (ook positieve
gevoelens) of het gezin zijn (valt uit elkaar), maar belief/support speelt ook mee;
of ze wel geloofd worden.
Kirkner et al. (2024) heeft onderzoek gedaan naar non-disclosure onder
pleegkinderen. Er blijken drempels te zijn die specifiek zijn voor pleegkinderen:
- Niet vertellen vanwege impact op het gezin. Je zou misschien denken dat
dit minder geldt bij pleegzorgplaatsing, maar juist hier is angst voor
overplaatsing. Een andere plek betekent verlies van andere personen en
de kans dat het daar ook gebeurt.
- Past disclosure experiences. Kinderen hebben het vaak eerder
meegemaakt en aan iemand verteld. Als er toen niets mee is gedaan,
waarom dan nu wel? Over het algemeen is er geen vertrouwen in het
systeem van jeugdbescherming.
Non-disclosure bij mishandeling
Er zijn minder studies naar disclosure bij andere vormen van mishandeling dan
fysieke mishandeling. Fysieke mishandeling lijkt vaak op een andere manier
ontdekt te worden en er is vaker sprake van accidental disclosure, bijv. naar
aanleiding van blauwe plekken. Bij verwaarolozing geldt dat het vaak niet via
verklaringen van het kind zelf naar buiten komt, terwijl dit bij seksueel misbruik
veel meer is. Er is minder vaak disclosure en het wordt vaker ontdekt via andere
routes. Waarom dit zo is, is niet duidelijk.
Disclosure verhogen
De conclusie is dat er veel non-disclosure is door hoge drempels om het te
vertellen. Dat is vervelend, want disclosure is van belang. Het is cruciaal bij
gebrek aan bewijs en voor het sneller starten van therapie.
Lemaigre (…) deed onderzoek naar factoren die disclosure stimuleren. De
resultaten zijn relatief beperkt. Het zijn vooral factoren tegenovergesteld aan de
Week 1 – Disclosure
Disclosure gaat om het wel of niet vertellen over slachtofferschap van
kindermishandeling. In veel gevallen wordt er niet aan de bol getrokken terwijl
het aan de hand is. Sommige mensen komen er later pas over uit.
Childhood non-disclosure
Non-disclosure is het niet vertellen dat er iets aan de hand is. Delayed disclosure
is het later pas vertellen dat er iets is gebeurt.
Summit (1983) constateerde dat slachtoffers aanvankelijk zwijgen. Dit patroon
werd duidelijk aan de hand van behandeling van slachtoffers van intrafamiliair
misbruik. Child Sexual Abuse Accomodation Syndrome (CSAAS) is een
theoretische basis voor het zwijgen van slachtoffers. Het houdt in dat slachtoffers
een schuldgevoel, schaamte en angst ervaren, waardoor zij zwijgen. Ze zijn
anders bang voor de consequenties. Later begint voorzichtige disclosure, die
daarna weer wordt ingetrokken en het ontkennen ervan. Disclosure is dus een
proces, geen event en het is geen dichotome variabele.
Uit wetenschappelijk onderzoek wordt duidelijk dat bij 30%-80% van de gevallen
sprake is van non-disclosure. Dat gegeven is constant gebleven. Er komt geen
eenduidig beeld uit alle onderzoeken.
London et al. (2005) keek naar childhood disclosure rates volgens retrospectieve
studies. Hierbij wordt aan een groep volwassenen gevraagd of zij vroeger
slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik. Er waren veel verschillen tussen
studies. De ene studie zegt dat er 30% disclosure was rond de tijd van het
incident, terwijl dit bij een andere studie 90% is. Verschillen tussen de studies zijn
afhankelijk van de definitie van seksueel misbruik (bijv. tot welke leeftijd) en
binnen welke tijd vanaf het incident er wordt gekeken naar disclosure.
Concluderend is er dus een grote groep die niks verteld, maar er is kritiek. De
betrouwbaarheid van retrospectieve studies kan betwist worden; je baseert het
onderzoek op self-report wat niet gecontroleerd kan worden en het geheugen is
heel beïnvloedbaar. Een andere manier van onderzoek, waarbij het zeker is dat
het is gebeurt zijn de klinische studies: studies gebaseerd op kinderen die een
geslachtsziekte hebben opgelopen.
Lawson & Chaffin (1992) deden onderzoek naar de evidentie voor misbruik. Er
werd gekeken naar 28 kinderen met een geslachtsziekte. Bij de procedure werd
de geslachtsziekte eerste gediagnosticeerd, daarna kwam er een oproep om
terug te komen naar het ziekenhuis. Vervolgens werd de verzorger geïnformeerd
,over de diagnose, werd er gepraat over seksuele transmissie en mogelijk
misbruik en werd de reactie geobserveerd. Als laatste werd het kind apart
geïnterviewd. Bij 44% (N=12) was er sprake van disclosure, bij 57% (N=16) non-
disclosure, ondanks evidentie van misbruik. Dus, bewijs is geen garantie voor
disclosure. Er is wel een samenhang met disclosure; disclosure is hoger als
evidentie sterker is.
London et al. (2005) vonden dat er zonder bewijs (wat meestal het geval is)
lagere disclosure is. Met bewijs is er overigens ook nog disclosure. Er is een
bepaald patroon: in sommige gevallen is er een hoge disclosure en in sommige
gevallen lagere disclosure. Bij hoge disclosure is er ook vaak de sterkste
evidentie. Wanneer het bewijs minder is, is er ook een lagere evidentie. Het is
echter geen 1 op 1 relatie.
Drempels om te vertellen
Mensen denken vaak dat het individuele factoren zijn die van invloed zijn op
disclosure. De laatste jaren zien we dat er ook grotere context in mee speelt. Een
voorbeeld is het feit dat er na de aflevering van Boos over The Voice veel meer
verklaringen naar boven kwamen.
Bronfenbrenner’s ecologische model van
disclosure bevat factoren die disclosure
belemmeren. Microfactoren komen uit de
directe kring: familie, vrienden, school.
Exofactoren zijn support systemen die
verder weg staan: buren, lokale politiek
en media. Macrofactoren zijn attitudes en
ideologie cultuur.
Leeftijd is belangrijk als het gaat om disclosure, omdat het van belang is welke
leeftijdsrange er onderzocht wordt. factoren die een rol kunnen spelen bij de kans
op disclosure zijn o.a.: verbale vaardigheden, besef dat het verkeerd was
(accidental disclosure), taboe en het overzien van de gevolgen.
Het ontwikkelingsniveau is van belang bij disclosure. Hershkowitz et al. (2007)
deden onderzoek naar developmental disabilities en vonden dat kinderen met
een beperking een kwetsbare groep zijn; zij zijn vaker slachtoffer. Er werd
onderzoek gedaan naar of er een hogere kans was op delayed- of non-disclosure.
Kinderen met een beperking zijn al kwetsbaarder omdat ze sneller slachtoffer
worden, maar misschien zijn ze nog kwetsbaarder omdat ze minder snel
vertellen? Er blijkt dat als er sprake is van een disability, dat er ook vaker
sprake is van non-disclosure. De hoofdboodschap is dat het een hele kwetsbare
groep is; ze leiden een groter risico op slachtofferschap en houden het langer
geheim.
Factoren voor disclosure
Factoren die terugkomen in CSAAS en kinderen dus tegenhouden om de disclosen
zijn: schuld/verantwoordelijkheid en angst. Deze factoren leiden beide tot
geheimhouding.
Kinderen kunnen schuldgevoelens ervaren omdat zij hebben meegewerkt (get it
over with/om erger te voorkomen), omdat zij niet hebben tegengestribbeld of
, door fysieke reacties. Daarnaast kunnen ze last hebben van schuldgevoelens
door victim blaming, waarbij de omgeving reacties geeft als: ‘waarom ben je ook
in zijn auto gestapt’, ‘je had hem in zijn kruis moeten schoppen’, ‘waarom vertel
je dit nu pas?’. Victim blaming is vaak subtiel en zijn primaire reacties. De mate
van victim blaming verschilt. Het wordt beïnvloed door:
- De mate waarin het slachtoffer weerstand vertoont
- Het geslacht van het slachtoffer en de observer. Mannelijke observers
minimaliseren verkracht vaak. Bij mannelijke slachtoffers is er meer victim
blaming (nog meer als de dader ook een man was).
- De relatie tussen de dader en het slachtoffer. Bij een bekende dader is er
meer sprake van victim blaming.
- Een gelijkenis van de persoon (observer) met het slachtoffer. Dit komt door
de Defensive Attribution Hypothesis. Het kan ook zijn dat meer gelijkenis
zorgt voor minder victim blaming.
- Online vs. fysiek misbruik.
Dit zijn allemaal factoren die ook disclosure beïnvloeden; er is sprake van een
complexe interactie.
Slachtoffers kunnen angst ervaren door o.a. bedreigingen en door angst voor de
gevolgen van disclosen. Dit kunnen gevolgen voor de dader (ook positieve
gevoelens) of het gezin zijn (valt uit elkaar), maar belief/support speelt ook mee;
of ze wel geloofd worden.
Kirkner et al. (2024) heeft onderzoek gedaan naar non-disclosure onder
pleegkinderen. Er blijken drempels te zijn die specifiek zijn voor pleegkinderen:
- Niet vertellen vanwege impact op het gezin. Je zou misschien denken dat
dit minder geldt bij pleegzorgplaatsing, maar juist hier is angst voor
overplaatsing. Een andere plek betekent verlies van andere personen en
de kans dat het daar ook gebeurt.
- Past disclosure experiences. Kinderen hebben het vaak eerder
meegemaakt en aan iemand verteld. Als er toen niets mee is gedaan,
waarom dan nu wel? Over het algemeen is er geen vertrouwen in het
systeem van jeugdbescherming.
Non-disclosure bij mishandeling
Er zijn minder studies naar disclosure bij andere vormen van mishandeling dan
fysieke mishandeling. Fysieke mishandeling lijkt vaak op een andere manier
ontdekt te worden en er is vaker sprake van accidental disclosure, bijv. naar
aanleiding van blauwe plekken. Bij verwaarolozing geldt dat het vaak niet via
verklaringen van het kind zelf naar buiten komt, terwijl dit bij seksueel misbruik
veel meer is. Er is minder vaak disclosure en het wordt vaker ontdekt via andere
routes. Waarom dit zo is, is niet duidelijk.
Disclosure verhogen
De conclusie is dat er veel non-disclosure is door hoge drempels om het te
vertellen. Dat is vervelend, want disclosure is van belang. Het is cruciaal bij
gebrek aan bewijs en voor het sneller starten van therapie.
Lemaigre (…) deed onderzoek naar factoren die disclosure stimuleren. De
resultaten zijn relatief beperkt. Het zijn vooral factoren tegenovergesteld aan de