1.1 - Inleiding
Organisatiekunde omvat aspecten van het vakgebied:
1. Een descriptief aspect → Een beschrijving van het gedrag van organisaties, met de
motieven en gevolgen.
2. Een prescriptief aspect → Een advies over te volgen handelwijze en organisatie -
inrichtingen.
- Multidisciplinariteit: Als we alle bijdragen uit dit vakgebied verzamelen die we nodig
hebben voor een onderzoek of project.
- Interdisciplinariteit: De organisatiekunde bevat veel elementen die afkomstig zijn uit
andere wetenschappen.
1.2 - Ontstaan van het vakgebied
Henri Fayol (1841 -- 1925) was een van de eerste die gesteld heeft dat management een vak is dat
geleerd kan en moet worden, ipv een door talent of erfenis verkregen positie.
Bedrijfsorganisatie → Organisatiekunde/bedrijfskunde
1.3 - Ontwikkeling van handel en ontstaan van multinationale ondernemingen
Multinational = Internationale handelsonderneming, een bedrijf met afdelingen in minimaal 2
landen. De eerste in 1602 was de Engelse Oost - Indische Compagnie opgericht om handel te
drijven in Azië en India. Hierna kwamen nog veel meer (VOC, DOC, ect)
1.4 - Denkrichtingen en persoonlijkheden
,1.5 - Periode voor de industriële revolutie (400 v.c - 1900 n.c)
- De Italiaan Niccolo Machiavelli (1469 -- 1527) gaf de eerste richtlijnen in zijn boek voor
vorsten en andere leiders. Dit was vooral gericht op behoud en uitbreiding van macht.
- Tot de tweede helft van de 18e eeuw overheerst het mercantilisme als economische
denkrichting. Deze stroming stelde dat het bezit aan geld en goud de enige welvaartbron
was.
- Adam Smith (1723 -- 1790) veranderde dit met zijn boek waarin gesteld wordt dat
productieve arbeid de bron is van welvaart en dat door arbeidsverdeling de productiviteit
van de arbeid sterk kan worden verhoogd. Het mercantilisme was hiermee niet meer
relevant.
- In de 18e eeuw veranderde de samenleving van agrarisch naar industrieel.
- Eind 19e eeuw was de bedrijfsomvang enorm toegenomen doordat de afzetmarkt
voortdurend groeide.
- Winslow Taylor (1856 -- 1915) introduceerde wat nu het Scientific Management wordt
genoemd. Een meer gestructureerde en systematische aanpak.
1.6 - Frederick Taylor en het scientific management
1.7 - Henri Fayol en de General Managementtheorie (1900)
In Europa was Henri Fayol (1841 -- 1925) de eerste die een samenhangend stelsel van opvattingen
ontwikkelde over de wijze waarop organisaties in hun geheel bestuurd zouden moeten worden.
Hij onderscheidde 6 onafhankelijke managementgebieden:
1. Technisch
2. Commercieel
3. Financieel
4. Zelfbeschermend
5. Boekhouding
6. Besturing
a. Plannen of vooruitzien
b. Organiseren
c. Bevel voeren
d. Coördineren
e. Controleren
Voor Fayol was eenheid van commando het belangrijkste principe, iedere werknemer heeft
slechts 1 (directe) baas boven zich.
1.8 - Max Weber en de theorie van de bureaucratie (1920)
Max Weber (1864 - 1930) hield zich vooral bezig met overheidsorganisaties en grote bedrijven
vanuit een sociologische invalshoek. Volgens hem is er sprake van een ideale bureaucratie
wanneer er in een organisatie voldaan wordt aan de hiervoor genoemde kenmerken.
,1.9 - Elton mayo en de Human Relations - beweging (1945)
De Human Relations - beweging ontstond in de tijd dat Scientific Management de belangrijkste
stroming was. Mayo bewees hiermee zijn theorie, dat naast objectieve factoren ook subjectieve
(zoals aandacht, zekerheid, bij een groep horen en waardering) bepalend zijn voor het resultaat.
1.10 - Rensis Likert en het revisionisme (1950)
In 1955 ontstond kritiek op de ideeën uit de human relations - beweging. Men zag het al te
idealistisch. Toch wilden ze ook niet terug naar scientific management. Hierdoor zijn er
verschillende theorieën ontwikkeld door Rensis, Frederick, Maslow en Douglas.
1.11 - Kenneth Boulding en de
systeembenadering (1950)
Na WW2 ontwikkelden enkele revisionisten zich,
waaronder Kenneth, een theorie waarbij organisaties
worden gezien als een systeem. Het stelt dat het
management organisatieproblemen integraal dient aan te
pakken.
1.12 - Paul Lawrence en Jay Lorsch en de contingentiebenadering (1965)
Volgens de contingentiebenadering hangt de keuze voor het toepassen van bepaalde
managementtechnieken, die voortkomen uit een organisatiekundige theorie, sterk af van de
omstandigheden waarin een organisatie zich bevindt.
, Hoofdstuk 2 (+ micro, meso, macro)
2.1 - Organisaties
2.2 - Partijen (meso)
- Afnemers: Zonder klanten geen organisatie
- Leveranciers: Klanten willen steeds minder voorraad wil aanhouden en van de
leverancier ‘just in time’ levering eist.
- Concurrentie: Het is van groot belang om de concurrentie te traceren en vervolgens te
analyseren wat hun marktpositie is.
- Vermogensverschaffers: Denk aan aandeelhouders, financiële instellingen,
investeringsmaatschappijen, individuele investeerders en de overheid.
- Werknemers: Vormen belangrijkste kapitaal van iedere organisatie en kunnen als KPI
worden beschouwd.
- Belangenorganisaties: Organisaties die de belangen van een bepaalde groep mensen
behartigen.
- Overheidsinstellingen: Organisaties moeten zich aan hun regels houden.
- Media: Speelt tegenwoordig een grote rol in organisaties.