Hoofdstuk 15
Bewijsuitsluiting leidt ertoe dat mogelijk zeer overtuigend bewijsmateriaal buiten
beschouwing wordt gelaten, en vergroot daarmee de kans dat het materiële strafrecht niet
verwerkelijkt wordt.
De overheid is gebonden aan het recht en dient de aan de burgers toegekende
(grond)rechten te respecteren. Dan kan het niet zo zijn dat regelschending door de
autoriteiten in de praktijk zonder gevolgen blijft. Het komt de geloofwaardigheid van de
overheid ten goede wanneer zij bij de vervolging en bestraffing de haar gestelde regels in
acht neemt, en aan schending daarvan gevolgen verbindt.
De rechtsstaatgedachte en de geloofwaardigheid van de strafrechtspelging ragen dus om
sanctionering van onrechtmatig handelen door de overheid.
Borgers onderscheidt drie argumenten die voor de sanctie van bewijsuitsluiting pleiten:
1 reparatieargument: overheid moet niet kunnen profiteren van de regelschending; door het
onrechtmatig verkregen bewijs uit te sluiten wordt het behaalde voordeel weer ontnomen.
2 demonstratieargument: het gezag van het recht in het algemeen en de geloofwaardigheid
van de strafrechtspleging in het bijzonder zijn ermee gediend als publiekelijk, in het
strafproces zelf, wordt gedemonstreerd dat de overheid ernst maakt met de regels die haar
gesteld zijn.
3 effectiviteitsargument: doordat onrechtmatig optreden niet wordt beloond, maar
integendeel kan leiden tot vrijspraak, worden politie en justitie gestimuleerd zich aan de
regels te houden.
Maar tegenover deze argumenten staan andere die tegen deze vorm van sanctioneringen
pleiten. Het is voor slachtoffer en publiek moeilijk te verteren als ernstige misdrijven
onbestraft blijven omdat de overheid een fout heeft gemaakt.
De voordelen van bewijsuitsluiting als sanctie op onrechtmatig handelen moeten al met al
worden afgewogen tegen de nadelen.
Er zijn verschillende soorten onregelmatigheden die bij bewijsuitsluiting een rol kunnen
spelen.
Een belangrijke bron van onrecht is gelegen in de uitoefening van dwangmiddelen zonder
dat daartoe een bevoegdheid bestaat.
- Geen wettelijke regeling tot verplichting medewerking
- Wel bevoegdheid maar de geëiste formaliteiten niet voldaan
- Wel aan alle wettelijke vereisten voldaan, de wijze van bevoegdheidsuitoefening in
strijd met de beginselen van goede procesorde
De onrechtmatigheden kunnen slechts tot bewijsuitsluiting leiden wanneer er een
voldoende rechtstreeks verband is tussen de rechtsschending en het verkregen
bewijsmateriaal. Artikel 359a formuleert dat causaal verband.
Het gaat bij het verband tussen rechtsschending en onderzoeksresultaten evenwel niet
alleen om de causaliteit. Het vereiste verband lijkt bij overtreding van een voorschrift dat
betrekking heeft op het onderzoek waarvan het bewijsmateriaal het resultaat is, dikwijls juist
betrekkelijk snel te worden aangenomen. Maar ook het waarborgkarakter van het
geschonden voorschrift lijkt een rol te spelen.
Er lijkt een globaal onderscheid te kunnen worden gemaakt tussen twee typen
rechtsschendingen. Aan de ene kant staat de schendingen van voorschriften die een
behoorlijke procesvoering beogen te waarborgen. Die schendingen raken daardoor direct
, aan het recht van de verdachte op een eerlijk en deugdelijk proces. De vraag die daarbij
domineert, is of de verdachte daadwerkelijk in zijn (verdedigings)belang is geschaad. Aan de
andere kant staan de schendingen van voorschriften die niet een deugdelijk procesgang
beogen te waarborgen, maar andere belangen beschermen, belangen die op zich niet
strafvorderlijk van aard zijn. Het huisrecht bijvoorbeeld dat door een onrechtmatige
doorzoeking wordt geschonden, verdient ook buiten het strafprocesrecht bescherming. Een
schending van dat huisrecht is voor de bewijsvraag pas relevant, als ‘daardoor’ bewijs is
verkregen. Daarom is hier de vraag naar het causale verband van groot belang.
Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van de norm is getroffen in het
belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal in de te berechten zaak de regel
geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het verzuim.
In de eerste plaats moet de rechtsschending het belang getroffen hebben dat de overtreden
norm beoogt te beschermen. In de tweede plaats moet de verdachte in dat belang getroffen
zijn. Als het belang geschonden is dat de overtreden norm beoogt te beschermen, komt aan
de orde of de verdachte in dat belang is getroffen. Veel normen beschermen belangen
waarin de verdachte niet getroffen kan worden. De eis dat de verdachte door de niet-
naleving van de norm is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te
beschermen, wordt wel met de term Schutznorm of relativiteitsvereiste aangeduid.
Is de verdachte niet getroffen in het belang dat het geschonden voorschrift beschermt, dan
behoeft aan de onrechtmatigheid als regel geen rechtsgevolg te worden verbonden. Er zijn
evenwel uitzonderingen op deze regel. In de jurisprudentie tekenen twee groepen gevallen
af waarin aan dit vereiste niet, of niet onverkort, wordt vastgehouden.
De eerste groep betreft inbreuken op 29 lid 1 Sv neergelegde pressieverbod.
De tweede groep gevallen heeft betrekking op inbreuken op het verschoningsrecht van
professionele geheimhouders.
Ook als de verdachte in het door het voorschrift beschermde belang is getroffen, volgt niet
per definitie bewijsuitsluiting. De regel dat bewijsuitsluiting aangewezen is als het resultaat
door een onrechtmatigheid verkregen is, werd min of meer omgedraaid. Uitsluiting van
bewijs komt (slechts) in aanmerking, ‘indien door de onrechtmatig bewijsgaring een
belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden’.
De Hoge Raad perkt de gevallen waarin een aanzienlijke schending van een belangrijk
strafvorderlijk voorschrift of beginsel tot bewijsuitsluiting kan leiden langs twee wegen
verder in. Toepassing van bewijsuitsluiting kan volgens de HR in deze gevallen noodzakelijk
worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige
bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en krachtige stimulans te laten bestaan tot
handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Dat duidt erop dat alleen het
effectiviteitsargument in deze context ter zake doet. Tegelijk overweegt de Hoge Raad dat
de rechter bij zijn beslissing kan betrekken of bewijsuitsluiting opweegt tegen de daarvan te
verwachten negatieve effecten. Bewijsuitsluiting kan achterwege blijven als daardoor op
onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende belangen als de
waarheidsvinding en de bestraffing van de dader van een strafbaar feit, alsmede in
voorkomend geval aan der echten van slachtoffers of nabestaanden.
Bij minder ernstige regelschending is in beginsel geen plaats voor bewijsuitsluiting. Al
formuleert de HR wel een uitzondering op deze regel. Bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn
als het vormverzuim zozeer bij herhaling voorkomt dat structurele karakter van het