Hoofdstuk 13
Strafzaken worden behandeld en beslist door de meervoudige strafkamer, behoudens in de
wet bepaalde uitzonderingen (268 lid 1 Sv).
Een OvJ kan de zaak bij de politierechter aanbrengen als de zaak naar zijn aanvankelijke
oordeel van eenvoudige aard is. Verder mag de gevangenisstraf die hij van plan is te
rekwireren niet meer dan een jaar bedragen (368 Sv). De politierechter is niet bevoegd tot
oplegging van een gevangenisstraf van meer dan een jaar (369 Sv). Indien de politierechter
vindt dat de zaak door de meervoudige kamer van de rechtbank moet worden behandeld,
verwijst hij de zaak daarheen (369 lid 2). De meervoudige kamer kan de zaak ook naar de
politierechter verwijzen (282a Sv). Voor de kantonrechter kunnen de meeste overtredingen
worden vervolg (382 Sv). De kantonrechter heeft geen mogelijkheid om de zaak naar de
meervoudige kamer te verwijzen.
Het onderzoek ter terechtzitting geschiedt in beginsel in het openbaar (269 lid 1 Sv). Dat
uitgangspunt volgt ook uit 6 EVRM. Door de rechtspleging transparant te houden draagt
openbaarheid bij aan het doel van 6 EVRM: fair trial.
De tweede zin van 6 lid 1 EVRM maakt duidelijk dat de uitspraak in ieder geval i openbaar
moet plaatsvinden. Daar sluit artikel 362 Sv bij aan: het vonnis wordt uitgesproken in een
openbare zitting van de rechtbank. Maar 6 EVRM staat wel toe dat aan ‘the press and the
public’ onder omstandigheden tijdens het onderzoek ter terechtzitting de toegang tot de
rechtszaal wordt ontzegd. Artikel 269 Sv, vanaf het uitroepen van de zaak kan de rechtbank
gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen.
Hoofdregel is dat de rechtbank bij een wijziging van haar samenstelling na een schorsing van
het onderzoek ter terechtzitting beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw
begint (322 lid 3 Sv). Maar een uitzondering op die regel geldt als de OvJ en de verdachte
instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de
schorsing bevond. En ook als zij daar niet mee instemmen en opnieuw met het onderzoek
wordt begonnen, blijven een aantal beslissingen van de rechtbank in stand (322 lid 4). Zo
behoeft niet opnieuw op preliminaire verweren te worden beslist. Dat zijn verweren
aansturend op en een formele einduitspraak die dadelijk nadat de voorzitter de verdachte
naar zijn personalia heeft gevraag, gevoerd worden (238 lid 1 Sv). Ook beslissingen inzake
het horen en oproepen van getuigen en deskundigen die op grond van de artt. 287 en 288 Sv
zijn genomen, behoeven niet te worden overgedaan. En dat geldt ook voor beslissingen van
de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde 278 lid 1
Sv alsmede voor beslissingen op vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging.
Uit art. 322 lid 4 volgt niet dat rechter die de zaak verder berechten in een andere
samenstelling, en die anders over de zaak kunnen (gaan) denken, beperkt zouden zijn in hun
mogelijkheden om tot een juiste behandeling en beslissing te komen. zij kunnen een getuige
desgewenst alsnog doen oproepen op grond van 315 Sv, en zij kunnen tot een formele
einduitspraak komen ook als een preliminair verweer eerder is afgewezen. En de raadsman
kan de rechter ook nog steeds om toepassing van deze bevoegdheid verzoeken (artt. 328 en
331 Sv). Op een herhaling van een eerder afgewezen verzoek zal dus opnieuw beslist
moeten worden, zij het dat het toe passen criterium verschilt.
Het is mogelijk om reserverechter bij de onderzoek ter terechtzitting te hebben (6 Wet RO),
dan hoeft niet opnieuw met de behandeling te worden begonnen als die reserverechter
plaatsneemt.
, In beginsel mag elke rechter aan het onderzoek ter terechtzitting deelnemen. De in 6 EVRM
verwoorde eis van berechting door een ‘independent and impartial tribunal estblished by
law’ brengt evenwel beperkingen mee. En de wet maakt een belangrijke uitzonding in 268
Sv. De rechter die als RC enig onderzoek in de zaak verricht, mag niet aan het onder op de
terechtzitting deelnemen. Een uitzondering op deze regel geldt blijkens dit artikellid bij
toepassing van 316 lid 2 Sv. In 316 is geregeld dat de rechtbank aan de RC het verrichten van
enig onderzoek kan opdragen. Lid 2 bepaald dat de rechtbank e voorzitter of een van de
andere rechters die over de zaak oordelen als RC kan aanwijzen indien het onderzoek
uitsluitend bestaan in het horen van getuigen of het verlenen van een opdracht aan, het
benoemen en horen van deskundigen. De waarborg van onbevangenheid en de eis van
onpartijdigheid lijken in dit geval geen gevaar te lopen. Het gaat hier niet om bemoeienis van
de rechter die aan de strafzaak voorafgaat. En het verhoren van een of meer getuigen zal
niet gauw de gedachte wekken dat de desbetreffende rechter al een vaststaand oordeel
over de strafzaak heeft. Daar komt nog bij dat de aanwijzing van de voorzitter of een van de
andere rechters die over de zaak oordelen als RC de instemming van de OvJ en de verdachte
behoeft (316 lid 2).
Een uitzondering op de regel dat de zittingsrechter die als RC een verhoor afneemt aan het
verdere onderzoek ter terechtzitting mag deelnemen, geldt als bij het horen van de getuige
of deskundige is bepaald dat de verdachte of diens raadsman daar niet bij tegenwoordig
mag zijn (vgl. 187 Sv). Achtergrond gelegen in interne openbaarheid.
Grosso modo is de regel dat de rechtbank tijdens het onderzoek ter terechtzitting de
beslissingen neemt die van belang zijn voor de beslissingen die zij na de terechtzitting moet
nemen (en dan vooral die van artt. 348 en 350 Sv). De rechtbank beveelt, indien het belang
van het onderzoek dit vordert, de schorsing van het onderzoek voor bepaalde of onbepaalde
tijd (281 lid 1 Sv). De rechtbank beslist of van de oproeping van niet verschenen getuigen
wordt afgezien (288 Sv). En de rechtbank kan beletten dat een vraag door de getuige wordt
beantwoord (293 Sv).
De orde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is aan de voorzitter toevertrouwd. De
voorzitter heeft tijdens dat onderzoek de leiding en geeft daartoe de nodige bevelen (272 lid
1 Sv). Voorbeeld verwijdering van de verdacht (273 lid 3). De voorzitter kan een door hem
aangewezen lid van de meervoudige kamer in plaats belasten met de leiding van het
onderzoek (272 lid 2).
De verdachte heeft het recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn en zich aldaar te
verdedigen, maar naar Nederlands recht is hij daartoe niet verplicht. De verdachte heeft het
recht om weg te blijven.
De aandacht gaat, nadat de voorzitter het onderzoek is begonnen door het doen uitroepen
van de zaak tegen de verdachte (270 Sv), allereerst uit naar de vraag of de verdachte
aanwezig is. De voorzitter begint het onderzoek tegen de verdachte door diens identiteit
vast te stellen (273 Sv). Daartoe vraag hij de verdachte naar zijn naam, voornamen,
geboorteplaats en geboortedatum. Voort vraagt hij naar het adres waarop de verdachte in
de basisregistratie personen is ingeschreven en naar he adres van zijn feitelijke verblijfplaats.
De voorzitter kan ook naar een identiteitsbewijs vragen (27a lid 1 Sv). Bij twijfel over de
identiteit van de persoon die zich voor de verdachte uitgeeft, kan de voorzitter diens
vingerafdrukken laten nemen (27a lid 2 Sv). In geval de verdachte niet verschenen is
onderzoekt de rechtbank eerst of de dagvaarding correct is uitgereikt. Is dagvaarding niet