Trappen
Een trap is een bouwelement voor verticale verplaatsingen dat de gebruikers de mogelijkheid biedt zich
op een veilig manier te verplaatsen tussen 2 verschillende niveaus. Een trap moet gemakkelijk beloopbaar,
voldoende stevig en gemakkelijk te onderhouden zijn, zodat een economisch aanvaardbare levensduur
van de constructie gewaarborgd kan worden. Een trap is ook een belangrijke architecturale bijdrage aan
het gebouw.
De breedte van de trap is afhankelijk van:
- Trap in huis: 0,8m tot 1m
- Trap in openbare gebouwen: 1,2m
- Vluchttrappen: afhankelijk van het aantal personen die langs die trap moeten vluchten en de
hoogte van het gebouw
De trap loopt van afgewerkte vloerpas tot afgewerkte vloerpas. Hier moet rekening mee gehouden worden
tijdens de ruwbouw.
De hoogte van de handgreep ligt tussen 75cm en 90cm.
De maximale hoogte voor trappen is 18cm. In eengezinswoningen mag hiervan afgeweken worden.
De helling van een trap word bepaald door de verhouding tussen de aantrede en de optrede.
optrede
aantrede
1. Onderdelen van een trap
1.1 Trede
Een trede is het horizontaal bovenvlak waar men de voet op plaatst om de trap te belopen. Een trede kan
recht of verdreven zijn. Een verdreven trede heeft een smalle en een brede kant, waardoor de trap de
mogelijkheid heeft om te draaien.
Een lepe hoek is de afschuining van (kwart)draaitrappen in de buitenhoek.
1.2 Tegentrede of stootbord
Een tegentrede is de verticale verbinding tussen twee opeenvolgende treden. Door deze tegentrede sluit
men de openingen tussen de treden en bekomt men een gesloten trap (=veiliger). Bij een open trap zijn er
geen tegentreden.
1.3 Trapneus of wel
De trapneus (5cm) is de oppervlakte vooraan de trede die in bovenaanzicht overlapt. De verbinding tussen
stootbord en trede worden soms afgewerkt met een neuslat.
1
, 1.4 Trapbomen of wangen
Trapbomen zijn de hellende delen van de trap, die de treden dragen. Ze kunnen zowel centraal als aan de
buitenzijde geplaatst worden.
1.5 Overloop of ‘palier’
De overloop is de gang op een bovenverdieping, waarop de trap uitkomt.
1.6 Bordes
Bordes zijn de horizontale loopvlakken waardoor de trap onderbroken wordt. Ze worden meestal geplaatst
waar de trap van richting veranderd. Bij extreem lange trappen worden bordes voorzien om even uit te
rusten. Voor makkelijk gebruik is een trap maximaal 17 à 20 treden lang zonder tussenstop.
De lengte hiervan is minimum 3X de aantrede of 2X de optrede + 2X de aantrede.
1.7 Welstuk of halve trede
Een welstuk is de laatste trede van een trap, die op dezelfde hoogte ligt van de bevloering.
1.8 Bloktrede
Een bloktrede is de eerste trede die groter is dan de andere treden. Het is optioneel en enkel van
esthetische aard.
1.9 Doorschietende treden
Doorschietende treden zijn treden die op de trapbomen liggen in plaats van ertussen.
1.10 Baluster
Een baluster zijn de verticale stijlen tussen de trapboom en de handgreep, die onderdeel maken van de
balustrade. In openbare gebouwen mogen deze niet meer dan 10cm uit elkaar staan.
1.11 Kraaklatten
Men kan door het belopen van een trap storende geluidshinder ondervinden. Dit kan (deels) opgelost
worden door het bolschaven van de stootborden en het plaatsen van de zogenaamde kraaklatten.
1.12 Doorzicht of schalmgat
Dit zijn de openingen tussen de trapwangen.
1.13 Trapspil
Deze vervangt bij een spiltrap de trappaal en ontvangt de smalle delen van de treden.
1.14 Wrongstukken
Dit zijn de gebogen wangdelen, de vezelrichting loopt langs de lengte (kuipstuk heeft verticale
vezelrichting).
2
Een trap is een bouwelement voor verticale verplaatsingen dat de gebruikers de mogelijkheid biedt zich
op een veilig manier te verplaatsen tussen 2 verschillende niveaus. Een trap moet gemakkelijk beloopbaar,
voldoende stevig en gemakkelijk te onderhouden zijn, zodat een economisch aanvaardbare levensduur
van de constructie gewaarborgd kan worden. Een trap is ook een belangrijke architecturale bijdrage aan
het gebouw.
De breedte van de trap is afhankelijk van:
- Trap in huis: 0,8m tot 1m
- Trap in openbare gebouwen: 1,2m
- Vluchttrappen: afhankelijk van het aantal personen die langs die trap moeten vluchten en de
hoogte van het gebouw
De trap loopt van afgewerkte vloerpas tot afgewerkte vloerpas. Hier moet rekening mee gehouden worden
tijdens de ruwbouw.
De hoogte van de handgreep ligt tussen 75cm en 90cm.
De maximale hoogte voor trappen is 18cm. In eengezinswoningen mag hiervan afgeweken worden.
De helling van een trap word bepaald door de verhouding tussen de aantrede en de optrede.
optrede
aantrede
1. Onderdelen van een trap
1.1 Trede
Een trede is het horizontaal bovenvlak waar men de voet op plaatst om de trap te belopen. Een trede kan
recht of verdreven zijn. Een verdreven trede heeft een smalle en een brede kant, waardoor de trap de
mogelijkheid heeft om te draaien.
Een lepe hoek is de afschuining van (kwart)draaitrappen in de buitenhoek.
1.2 Tegentrede of stootbord
Een tegentrede is de verticale verbinding tussen twee opeenvolgende treden. Door deze tegentrede sluit
men de openingen tussen de treden en bekomt men een gesloten trap (=veiliger). Bij een open trap zijn er
geen tegentreden.
1.3 Trapneus of wel
De trapneus (5cm) is de oppervlakte vooraan de trede die in bovenaanzicht overlapt. De verbinding tussen
stootbord en trede worden soms afgewerkt met een neuslat.
1
, 1.4 Trapbomen of wangen
Trapbomen zijn de hellende delen van de trap, die de treden dragen. Ze kunnen zowel centraal als aan de
buitenzijde geplaatst worden.
1.5 Overloop of ‘palier’
De overloop is de gang op een bovenverdieping, waarop de trap uitkomt.
1.6 Bordes
Bordes zijn de horizontale loopvlakken waardoor de trap onderbroken wordt. Ze worden meestal geplaatst
waar de trap van richting veranderd. Bij extreem lange trappen worden bordes voorzien om even uit te
rusten. Voor makkelijk gebruik is een trap maximaal 17 à 20 treden lang zonder tussenstop.
De lengte hiervan is minimum 3X de aantrede of 2X de optrede + 2X de aantrede.
1.7 Welstuk of halve trede
Een welstuk is de laatste trede van een trap, die op dezelfde hoogte ligt van de bevloering.
1.8 Bloktrede
Een bloktrede is de eerste trede die groter is dan de andere treden. Het is optioneel en enkel van
esthetische aard.
1.9 Doorschietende treden
Doorschietende treden zijn treden die op de trapbomen liggen in plaats van ertussen.
1.10 Baluster
Een baluster zijn de verticale stijlen tussen de trapboom en de handgreep, die onderdeel maken van de
balustrade. In openbare gebouwen mogen deze niet meer dan 10cm uit elkaar staan.
1.11 Kraaklatten
Men kan door het belopen van een trap storende geluidshinder ondervinden. Dit kan (deels) opgelost
worden door het bolschaven van de stootborden en het plaatsen van de zogenaamde kraaklatten.
1.12 Doorzicht of schalmgat
Dit zijn de openingen tussen de trapwangen.
1.13 Trapspil
Deze vervangt bij een spiltrap de trappaal en ontvangt de smalle delen van de treden.
1.14 Wrongstukken
Dit zijn de gebogen wangdelen, de vezelrichting loopt langs de lengte (kuipstuk heeft verticale
vezelrichting).
2